Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:288

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
AUA201703355, EJ 2706/2017, AUA2018H001119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

begrip overheid artikel 1613 y lid 2 BW Aruba

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verzoekster, thans appellante,

gemachtigde: mr. D.G. Illes,

tegen

FUNDACION PA MANEHO DI ADICCION DI ARUBA,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. H.U. Thielman.

Partijen zullen worden aangeduid als [appellante] en FMAA.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 17 april 2018 met zaaknummer EJ 2706 van 2017. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2. [

[appellante] heeft in een beroepschrift, ingekomen op 29 mei 2018, tijdig hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking. In het beroepschrift heeft zij het hoger beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw recht doende het verzoek van appellante zoals verwoord in haar verzoekschrift zal toewijzen, met veroordeling van FMAA in de kosten van beide procedures, alles bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

1.3.

FMAA heeft op 11 september 2018 een verweerschrift ingediend met producties en geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden beschikking, al dan niet onder verbetering van de gronden, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide procedures.

1.4.

Op 18 september 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van FMAA aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.

1.5.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3 Beoordeling

3.1.

Niet ter discussie staat dat partijen op 19 april 2013 en op 17 juli 2015 arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan voor bepaalde tijd (drie respectievelijk twee jaar). Op 21 september 2017 is appellante een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (een jaar) aangegaan met Bureau Ondersteuning Verslavingszorg (hierna: BOV) als werkgever.

3.2.

Ingevolge artikel 7A:1613x lid 2 BW kan een arbeidsovereenkomst slechts voor bepaalde tijd worden aangegaan indien deze noodzakelijk is ten behoeve van een - kort gezegd - tijdelijke behoefte aan arbeidskrachten, dan wel betrekking heeft op de vervanging van een of meer tijdelijk afwezige arbeiders, of betrekking heeft op de uitvoering van een nauwkeurig omschreven werk of project dan wel betrekking heeft op het verrichten van losse, ongeregelde arbeid.

3.3. [

appellante] stelt zich op het standpunt dat nu niet is voldaan aan voormelde voorwaarden, uit artikel 7A:1613x lid 3 BW, dat bepaalt dat de bepalingen inzake de beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van toepassing zijn indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in strijd met lid 2 is aangegaan, volgt dat partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn aangegaan.

3.4.

Bij de beschikking waarvan beroep heeft het GEA het verzoek van [appellante] om voor recht te verklaren dat tussen partijen sinds 2 augustus 2012 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van kracht is, met veroordeling van FMAA in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad, afgewezen.

3.5.

Naar het oordeel van het Hof heeft het GEA terecht geoordeeld dat ingevolge artikel 7A:1613y lid 2 BW de bepalingen van artikel 7A:1613x BW op de overeenkomsten tussen [appellante] en FMAA niet van toepassing zijn. Anders dan [appellante] meent, bestaat er geen aanleiding om het begrip overheid in eerstgenoemd artikel, beperkt op te vatten in die zin dat slechts de publiekrechtelijke entiteit het Land Aruba daaronder zou vallen. Niet ter discussie staat dat de werkzaamheden op het gebied van verslavingszorg met ingang van 1 januari 2012 zijn verzelfstandigd en door het Land zijn neergelegd bij FMAA als uitvoerende stichting. FMAA wordt gesubsidieerd door het Land. De personeelskosten komen ten laste van de Landskas en staan niet op de begroting van FMAA. Bij het aangaan en de verlenging van het dienstverband is, blijkens de arbeidsovereenkomsten, door FMAA steeds gehandeld in overeenstemming met de betreffende besluiten van de ministerraad en is de Comptabiliteitsverordening in acht genomen. Ook het ontslagbeleid binnen FMAA wordt door het Land bepaald. Onder deze omstandigheden dient [appellante], ongeacht of zij bij FMAA of het Land in dienst was, te worden beschouwd als een persoon in dienst van de overheid waarop artikel 7A:1613x BW niet van toepassing is. Dat ook het Land die mening is toegedaan blijkt uit diens standpunt dat het de werkgever van [appellante] is.

3.6.

Vanaf 1 september 2017 is een arbeidsovereenkomst gesloten met BOV voor haar (gelijkblijvende) werkzaamheden bij FMAA. Nu onbetwist vast staat dat BOV onderdeel is van het Ministerie van Justitie en het Land, naar het zich laat aanzien, van mening is dat zij de werkgever van [appellante] is, geldt ook voor deze overeenkomst dat [appellante] als een persoon in dienst van de overheid in de zin van artikel 7A:1613y lid 2 BW dient te worden beschouwd. De verzochte verklaring voor recht is dan ook terecht afgewezen.

3.7.

De conclusie moet zijn dat het hoger beroep faalt. De bestreden beschikking zal worden bevestigd, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt de beschikking waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van FMAA tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 6.000,- voor salaris van de gemachtigde;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en

J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 23 oktober 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.