Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:270

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
13-03-2019
Zaaknummer
400.00259/17 H-84/18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afpersing diefstal vwpn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H-84/18

Parketnummer: 400.00259/17

Uitspraak: 23 oktober 2018 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, (hierna: het Gerecht) van 28 maart 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] in [geboorteplaats],

wonende op [woonplaats], thans gedetineerd in het huis van bewaring op Bonaire.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij voornoemd vonnis ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. E.J. Winkel, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal ter zake van feit 1 en feit 2 worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt, onder aanpassing en aanvulling van de bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 en verbetering van de bewezenverklaring van feit 2.

In de bewezenverklaring van feit 2 is abusievelijk doorgestreept het gedeelte:

“welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hieruit bestond dat verdachte:

een kapmes tevoorschijn haalde en/of (vervolgens) met dat kapmes in zijn hand(en) in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaaide;”.

Uit het eerste deel van de bewezenverklaring en de kwalificatie van feit 2 blijkt echter dat het Gerecht diefstal voorafgaand en vergezeld van bedreiging met geweld bewezen heeft geacht. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de doorstreping van voormeld gedeelte berust op een kennelijke en te herstellen misslag.

Ter zake van feit 3 zal het vonnis worden vernietigd, omdat het Hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

Feit 1

dat hij, op of omstreeks 7 oktober 2017, op het eiland Bonaire, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer $ 350), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [ slachtoffer 3] en/of de [naam bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hieruit bestond dat verdachte, terwijl hij een kapmes in zijn hand(en) had, (meermalen) tegen voornoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd: “Dit is geen spel, geef mij alles”, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking en/of tegen voornoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd dat hij, verdachte, weet waar zijn, [slachtoffer 3]’s, familie woont en/of heeft hij, verdachte, (vervolgens) met het/een kapmes op de kassa van de [naam bedrijf 1] geslagen;

Feit 2

dat hij, op of omstreeks 23 oktober 2017, op het eiland Bonaire,

- met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid (van ongeveer 6) flessen bier en/of een pak sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [naam 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

- met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere (ongeveer 6) flessen bier en/of een pak sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [naam 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hieruit bestond dat verdachte:

een kapmes tevoorschijn haalde en/of (vervolgens) met dat kapmes in zijn hand(en) in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaaide;

Feit 3

dat hij, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 november 2017 tot en met 17 november 2017, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, voorhanden heeft gehad een (nikkel kleurig) vuurwapen (met een zwart handvat) (van het merk [wapenmerk 1], [WAPENMERK 2]) in elk geval een soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp en/of 7 (zeven), in elk geval één of meer scherpe patro(o)nen (merk [wapenmerk 3]), zijnde een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES.

Ten aanzien van feit 1:

Het Hof past de bewijsoverweging van het Gerecht in die zin aan dat deze als volgt komt te gelden:

Op 7 oktober 2017 kwam een man de [naam bedrijf 1] binnen. De eigenaar die op dat moment achter de kassa stond, werd onder bedreiging van een kapmes gedwongen tot afgifte van een hoeveelheid geld. De dader nam de benen na het plegen van zijn daad. De eigenaar gaf een uitgebreid signalement van de dader en noemde tevens zijn naam, zijnde de naam van de verdachte. Hij vermeldde daarbij dat hij met deze dader in zijn shop al eerder problemen had gehad. Kort na het incident begaf de politie zich naar de woning van de verdachte. De verdachte die in de tuin van zijn woning werd aangetroffen, was gekleed in soortgelijke kleding als de man die eerder in de [naam bedrijf 1] was geweest. Hij droeg namelijk een zwart shirt en een driekwart broek en hij had een pet op. Hierbij komt dat de verdachte, net zoals de dader, een tatoeage midden op zijn voorhoofd tussen zijn wenkbrauwen heeft.

Het Hof voegt daar nog het volgende aan toe.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij op de bewuste dag, 7 oktober 2017, bij zijn oma op bezoek was ten tijde van de overval op de [naam bedrijf 1]. In hoger beroep is daar nader onderzoek naar gedaan. Zijn oma is bij de rechter-commissaris als getuige verhoord1. In het kort heeft zij verklaard dat zij haar kleinzoon [verdachte] (het Hof begrijpt: de verdachte) twee à drie keer per week zag. Hij kwam op gevarieerde tijden en hij bleef dan een uur of vijf à zes bij haar. Ook heeft zij verklaard dat [verdachte] op zaterdag 7 oktober 2017 bij haar op bezoek was.

Dit door de getuige gegeven alibi is in zoverre niet sluitend dat zij niet specifiek heeft verklaard over het tijdstip waarop de verdachte op 7 oktober 2017 bij haar langs kwam en hoe lang hij daarna is gebleven, zodat er ruimte blijft voor de mogelijkheid dat verdachte de [naam bedrijf 1] heeft overvallen. Ook overigens hecht het Hof weinig waarde aan deze getuigenverklaring, nu de getuige niet kan aangeven wat de reden is dat zij zich deze specifieke dag uit het verleden nog zo goed kan herinneren. Dit wekt bevreemding, te meer nu de getuige op de vraag op welke dag de verdachte vóór 7 oktober 2017 bij haar is geweest, heeft geantwoord: “Ik weet niet op welke datum daarvóór [verdachte] bij mij is geweest, hoe kan ik dat nou precies weten?” Op grond hiervan gaat het Hof voorbij aan het standpunt van de verdachte dat hij ten tijde van de overval bij zijn oma was. Mede gelet op wat hiervoor ten aanzien van het bewijs is overwogen en de hierna weergegeven bewijsmiddelen, acht het Hof het ten laste gelegde feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Bewezenverklaring

De bewezenverklaring wordt als volgt verbeterd.

Feit 2

dat hij, op of omstreeks 23 oktober 2017, op het eiland Bonaire,

- met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid (van ongeveer 6) flessen bier en/of een pak sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [naam 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of bij betrapping op heterdaad hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

- met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere (ongeveer 6) flessen bier en/of een pak sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [naam 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hieruit bestond dat verdachte:

een kapmes tevoorschijn haalde en/of (vervolgens) met dat kapmes in zijn hand(en) in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaaide;

Ten aanzien van feit 3

Anders dan het Gerecht meent, blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting niet dat er tussen de verdachte en zijn broer sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking die was gericht op het gezamenlijk voorhanden hebben van het vuurwapen met munitie dat in hun woning is aangetroffen. Integendeel, de broer van de verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij het wapen met munitie heeft afgepakt van de verdachte zodra hij hem daarmee zag, om het daarna te verbergen in een wasmand in de woning (het Hof begrijpt: met de bedoeling het buiten het bereik van de verdachte te brengen). De verdachte heeft tegenover de politie bevestigd dat zijn broer het wapen van hem heeft afgepakt om het daarna te verstoppen in een wasmand. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij (kennelijk zonder dat zijn broer het wist) had gezien waar zijn broer het wapen verstopte en dat hij dit wapen vervolgens uit de wasmand heeft gehaald en in een kast in de woning heeft gelegd. Blijkens de verklaringen van de broer van de verdachte tegenover de politie was hij hiervan niet op de hoogte. De verdachte heeft zich (evenals zijn broer) dus als pleger schuldig gemaakt aan dit feit.

Bewezenverklaring

Het Hof acht - op grond van deze nadere bewijsoverweging en de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

Feit 3

dat hij, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 november 2017 tot en met 17 november 2017, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, voorhanden heeft gehad een (nikkelkleurig) vuurwapen (met een zwart handvat) (van het merk [wapenmerk 1]], [WAPENMERK 2]) in elk geval een soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp en/of 7 (zeven), in elk geval één of meer scherpe patro(o)nen, (merk [wapenmerk 3]), zijnde een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij/zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.2

1. Het proces-verbaal van bevindingen bij binnentreden, p. 131-133, gesloten en ondertekend door [naam brigadier1], brigadier van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 17 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [naam brigadier1]:

Op 17 november 2017 trad ik binnen in de woning gelegen te [adres] te Bonaire ter aanhouding en doorzoeking ter inbeslagneming. In kamer 3 stond aan de rechterzijde een kledingkast. In het linker gedeelte van de kast werd tussen de kledingstukken een vuurwapen van het merk [wapenmerk] [wapenmodel1], [wapenmodel 2], kleur nikkel aan de bovenzijde, een zwart handvat, met een houder inhoudende 7 patronen, van het merk [wapenmodel 3], aangetroffen en inbeslaggenomen. In de woning werd [verdachte] aangehouden.

2. Het proces-verbaal van bevindingen vuurwapen, met bijlagen, p. 065-076, gesloten en ondertekend door [brigadier 2], brigadier van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, werkzaam als forensisch rechercheur, d.d. 28 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [brigadier 2]:

Op 20 november 2017 ontving een medewerker van bureau Forensische Opsporing een vuurwapen dat op 17 november 2017 bij een huiszoeking te [adres] in beslag werd genomen. Het vuurwapen heb ik veilig gemaakt en gewaarmerkt met nummer AAFI4687NL. Het vuurwapen zal voor een technisch onderzoek worden aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut.

3. Een geschrift, los stuk, te weten een Rapport van Nederlands Forensisch Instituut van 2 maart 2018, voor zover inhoudende:

Het vuurwapen AAFI4687NL heeft de opschriften en de uiterlijke kenmerken van een semiautomatisch werkend pistool van het merk [wapenmerk 1], model [wapenmodel 1], kaliber [wapennummer]. Verder werden zeven patronen van het kaliber [wapennummer] ontvangen. Het vuurwapen betreft een semiautomatisch werkend pistool van het merk [wapenmerk 1], model [wapenmodel 1] in kaliber [wapennummer].

4. Het proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [medeverdachte], p. 162-165, gesloten en getekend door E.J. Martis, brigadier van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 22 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de medeverdachte [medeverdachte]:

U vraagt mij wat er gebeurde op 3 november 2017. Laat in de avond was mijn broer thuis gekomen. Toen ik ook thuis kwam heb ik hem met een vuurwapen aangetroffen. Vanaf dat moment had ik het vuurwapen van hem weggenomen en in de wasmand bewaard.

5. Het proces-verbaal van 4e verhoor van de verdachte, p. 120-122, gesloten en getekend door [hoofdagent], hoofdagent van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 23 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

Mijn broer had het vuurwapen dat op 17 november 2017 in mijn woning is aangetroffen van mij afgepakt en in een wasmand gezet. Ik zag dat hij het daar had gezet. Ik had het weer gepakt en in de kast gelegd.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 3 bewezen verklaarde is zowel ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen, als ten aanzien van het voorhanden hebben van de munitie voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES en strafbaar gesteld in artikel 11 van die wet.

Overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte is te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verboden vuurwapenbezit. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt een gevoel van onveiligheid in de maatschappij.

De verdachte heeft zich hiernaast ook schuldig gemaakt aan afpersing en diefstal met bedreiging met geweld. Dit wordt hem zwaar aangerekend en maakt dat oplegging van een vrijheidsbenemende straf geïndiceerd is.

Bij de bepaling van de duur daarvan heeft het Hof rekening gehouden met de aard en ernst van de gepleegde feiten en de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.

Het Hof neemt voorts in acht dat de verdachte al eerder in aanraking met politie en justitie is geweest vanwege een geweldsmisdrijf, waarbij een wapen werd gebruikt.

Het Gerecht heeft de verdachte voor alle ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

Het Hof is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat de door het Gerecht opgelegde gevangenisstraf passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde is voorts het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven vuurwapen en de munitie. Ten aanzien van deze voorwerpen zal onttrekking aan het verkeer worden uitgesproken, omdat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

BESLISSING

Het Hof:

ten aanzien van feit 3

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg met betrekking tot feit 3 en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

ten aanzien van de feiten 1 en 2

bevestigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

ten aanzien van de feiten 1,2 en 3

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6)) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven vuurwapen en der in beslag genomen munitie.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.B. van den Enden, M.C.B. Hubben en

D. Radder, leden van het Hof, bijgestaan door mr. L.M. Tjong-A-Tjoe, zittingsgriffier, en op 23 oktober 2018 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof op Bonaire.

mr. M.C.B. Hubben is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

uitspraakgriffier:

1 Proces-verbaal van verhoor van getuige [oma verdachte] bij de rechter-commissaris, d.d. 21 augustus 2018.

2 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Caribisch Nederland d.d. 8 februari 2018, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “[onderzoeksnaam]”.