Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:263

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-01-2018
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
H- 150/17 P-2016/11989
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geslaagd nw exces

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H 150/17

Parketnummer : P-2016/11989

Uitspraak : 22 januari 2018 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Aruba van 18 augustus 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] in de [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba (KIA).

Hoger beroep

Het gerecht in eerste aanleg heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het gerecht in eerste aanleg twee in beslag genomen zakmessen verbeurd verklaard.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. F.A.P.M. van Deutekom, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. P.M.E. Mohamed, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, aangezien het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 27 november 2016 in Aruba ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp in de buik en/of in het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 2:259 jo artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

dat hij op of 27 november 2016 in Aruba ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met een mes althans een scherp voorwerp in de hand en/of in de buik en/of in de oksel, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 2:275 jo artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

dat hij op of omstreeks 27 november 2016 in Aruba, opzettelijk mishandelend, [slachtoffer], met een wapen, te weten een mes, althans een scherp voorwerp, zijnde een wapen als bedoeld in artikel 1 lid 2 van de Wapenverordening, meermalen, althans eenmaal, in de hand en/of de buik en/of in de oksel, althans het lichaam heeft gestoken;

(artikel 2:273 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht)

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, met dien verstande:

dat hij op of omstreeks 27 november 2016 in Aruba ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp in de buik en/of in het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewijsmiddelen

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep

d.d. 18 december 2017 in Aruba, zakelijk weergegeven, voor zover inhoudende:

Ik heb op 27 november 2016 in Aruba een man gestoken met een mes dat ik bij me had. U laat mij een foto zien (pagina xx dossier) van twee onder mij in beslag genomen messen. Ik heb gestoken met het mes dat een lemmet heeft van ongeveer xx cm.

2. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 28 november 2016 gesloten en getekend door [hoofdagent] voornoemd, voor zover inhoudende:

-
als verklaring van de aangever [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Ik kom aangifte doen tegen de man die ik ken als Michael [verdachte]. Gisteren ochtend omstreeks 00:30 uur heeft hij mij met een klein mes mishandeld. Hij maakte een stekende beweging met het mes naar de linkerzijde van mijn bovenlijf. Ik rees mijn rechterhand naar boven om zijn beweging te blokkeren. Door mijn handeling voorkwam ik dat het mes in mijn hart terecht kwam. Het mes penetreerde mijn hand. Hij maakte veel meer stekende bewegingen op mijn bovenlijf. Het lukte [verdachte] mij op mijn buik en twee keren onder mijn rechteroksel te steken. Op een gegeven moment viel ik op de grond.

- als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant, zag dat de aangever een verband op zijn rechterpols had en dat zijn rechterhand was opgezwollen. De aangever wees mij een snijwond op zijn buik, twee verwondingen onder zijn rechter oksel en een hematoom op zijn rechterheup. De snijwond op zijn buik heeft de vorm van een halve cirkel.

3. Een geschrift, te weten een medische verklaring (no. 778022) van de SEH-afdeling van het Dr. Horacio E. Oduber Hospitaal d.d. 27 november 2016 van de poortarts dr. N. Kaoui, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:


“Diagnose: diepe wond dorsum onderarm”.

Bewijsoverweging

Het hof acht niet bewezen dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van de aangever. Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of van voorwaardelijk opzet sprake is geweest.
De verdachte heeft in een gevechtssituatie gepoogd het slachtoffer met een mes in zijn bovenlichaam te steken. De aangever heeft de steek of steken afgeweerd met zijn armen toen de verdachte een stekende beweging maakte naar de linkerzijde van het bovenlijf van de aangever. Dat is de hartstreek. Het in een gevechtssituatie een stekende beweging maken naar de hartstreek kan fatale gevolgen hebben, dat is een feit van algemene bekendheid. Het gevaarlijke karakter van deze gedraging blijkt ook uit de omstandigheid dat de aangever een diepe wond aan de onderarm heeft opgelopen, kan het niet anders dan dat de verdachte met kracht heeft gestoken.Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij de aanmerkelijke kans dat de aangever zou worden gedood, bewust aanvaard. Voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever is dus bewezen.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 juncto artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij heeft gestoken met het mes ter verdediging van zichzelf, nadat hij vlak daarvoor door de aangever was gestoken in zijn borst met een ijspriem. Het hof beschouwt dit als een beroep op noodweer(exces) en overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, acht het Hof de navolgende feitelijke gang van zaken aannemelijk geworden. De verdachte en de aangever kenden elkaar al enige tijd. De verdachte was verwikkeld in een conflict met zijn huurbaas, een goede vriend van de aangever. De aangever heeft verklaard dat de verdachte hem kort voor de steekpartij bij het verlaten van het stadion op zijn hoofd had geslagen, maar deze verklaring acht het hof niet geloofwaardig, in aanmerking genomen dat de aangever zijn eigen agressieve gedrag daarin geheel verzwijgt. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van zijn

moeder en zus. Het hof acht, bij gebrek aan betrouwbare aanwijzingen voor het tegendeel, aannemelijk dat aan het steken door de aangever van de verdachte geen daad van agressie van de verdachte richting de aangever is voorafgegaan. De aangever heeft de verdachte op het parkeerterrein van een uitgaansgelegenheid gestoken met een ijspriem, zodanig dat deze ijspriem voor de helft in zijn borst vastzat. De verdachte trok de ijspriem uit zijn borst, maar een stuk daarvan brak af en bleef in zijn borst achter. De aangever probeerde de verdachte hierop vast te pakken. De verdachte heeft toen een mes gepakt en de aangever gestoken om zich te bevrijden uit de dreigende greep van de aangever,. Toen de aangever zich omkeerde, enkele stappen wegrende en struikelde, is de verdachte aangever gevolgd en heeft hem nogmaals gestoken.

Het door de aangever geïnitieerde krachtig in de borst steken met een ijspriem en de verdachte daarna proberen vast te pakken is zonder meer aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, waartegen een verdediging gerechtvaardigd was.

Het hof is evenwel van oordeel dat de verdachte met zijn handelingen buiten de grenzen van een noodzakelijke verdediging is getreden door de aangever, toen die hem eenmaal los had gelaten en wegrende, achterna te rennen en nogmaals te steken terwijl deze op de grond was gevallen. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die moet zijn veroorzaakt door de aanranding.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk "onmiddellijk gevolg" sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4459 en herhaald in HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).

De verdachte heeft over zijn gemoedstoestand ter terechtzitting verklaard dat hij, toen hij was gestoken met de ijspriem, heel bang was en zijn “hoofd heeft verloren”. Toen de aangever hem wilde vastgespakken en de ijspriem nog voor de helft in zijn borst zat, werd hij zo bang dat hij nogmaals zou worden gestoken dat hij heeft gestoken met het mes. Voorts heeft hij verklaard dat hij bang was dat hij dood zou gaan en vervolgens snel “uit angst en adrenaline” heeft gereageerd en de aangever achterna is gerend en nogmaals heeft gestoken. Deze verklaring wordt ondersteund door de ter terechtzitting gehoorde getuige [getuige 1] en de getuige [getuige 2].

Gelet hierop acht het hof aannemelijk geworden dat het handelen van de verdachte, zoals hiervoor omschreven, het onmiddellijk gevolg is geweest van hevige angst en paniek die werden veroorzaakt door het feit dat hij onverhoeds en met kracht was gestoken met een ijspriem. Het verweer slaagt. De verdachte is niet strafbaar en zal ten aanzien van het bewezenverklaarde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. De in beslaggenomen messen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De voorwerpen behoren immers toe aan de verdachte en met behulp daarvan is het bewezen verklaarde begaan. Het ongecontroleerde bezit van de voorwerpen is bovendien in strijd met de wet en het algemeen belang. Het hof zal de voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, mede gegrond op de artikelen 1:13, 1:62 en 1:68 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidde(n) ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis van het gerecht in eerste aanleg en doet opnieuw recht;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hier boven bewezen is geacht;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte niet strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten twee messen;

heft de voorlopige hechtenis op met onmiddellijke ingang.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.C.B. Hubben, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het hof, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer, (zittings)griffier, en vervolgens op 22 januari 2018 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het hof in Aruba.

uitspraakgriffier:

1 Voor zover de hieronder opgenomen bewijsmiddelen worden aangeduid als ‘bijlage’, betreft het bijlagen bij het proces-verbaal van het Korps Politie Aruba, Afdeling Justitiële en Vreemdelingen Politie, Sectie Divisie Algemene Recherche, administratienummer A-065/16, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 21 januari 2017 gesloten en ondertekend door [hoofdagent], hoofdagent eerste klasse bij voormeld korps. Voor zover geschriften worden gebruikt, worden deze slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit of dezelfde feiten betrekking hebben.