Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:236

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
02-01-2019
Zaaknummer
SXM2017H00028
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

LARSXM2017H00028

Datum uitspraak: 8 mei 2018

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellanten],

in hun hoedanigheid als wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige [naam], wonend in Sint Maarten,

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 23 januari 2017 in zaak nr. Lar 31/2016, in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Justitie van Sint Maarten.

Procesverloop

Bij beschikking van 12 mei 2014 heeft de minister de aanvraag van appellanten om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel gezinsvorming, afgewezen.

Bij beschikking van 27 januari 2015 heeft de minister het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2017 heeft het Gerecht het door appellanten daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2018, waar appellanten, bijgestaan door mr. C.H.J. Merx, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.O. Muller, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Het Gerecht heeft overwogen dat appellanten niet hebben betwist dat de beschikking van 27 januari 2015 op 6 februari 2015 is uitgereikt en de beroepstermijn derhalve is verstreken op 20 maart 2015. Eerst op 29 maart 2016 is beroep ingesteld. Het Gerecht heeft beoordeeld of de termijnoverschrijding het gevolg is geweest van niet aan appellanten toe te rekenen bijzondere omstandigheden en zij het beroep hebben ingesteld zo spoedig als dit
    redelijkerwijs verlangd kon worden.
    In dit verband heeft het Gerecht overwogen dat vast staat dat appellanten binnen de beroepstermijn een verzoek om heroverweging hebben ingediend bij de minister. De vraag is of appellanten aan enige mededeling of handelen van een met name genoemde beslismedewerker het vertrouwen hebben mogen ontlenen dat dit verzoek om heroverweging in behandeling was en de minister daarop binnen een bepaalbare of afzienbare termijn zou beschikken. De gestelde mondelinge mededelingen of toezeggingen zijn gemotiveerd weersproken en niet van een andere dragende onderbouwing voorzien. In geschil is voorts – aldus het Gerecht – of er een hoorzitting was gepland (daargelaten of daar voormeld vertrouwen aan kon worden ontleend). Ook dit is onvoldoende gestaafd. Al met al is volgens het Gerecht onvoldoende onderbouwd gebleven dat er zodanige mededelingen zijn gedaan of handelingen zijn verricht, dat appellanten erop konden vertrouwen dat de zaak in heroverweging zou worden genomen in een voor hen gunstige zin, zodat zij van het instellen van beroep konden afzien.

  2. Appellanten betogen dat zij in tegenstelling tot hetgeen het Gerecht heeft overwogen voldoende hebben onderbouwd dat zodanige mededelingen zijn gedaan of handelingen zijn verricht dat zij er op hadden kunnen vertrouwen dat de zaak in heroverweging genomen zou worden dan wel in ieder geval een hoorzitting zou worden gepland.

2.1.

Appellanten hebben ook in hoger beroep niet met stukken gestaafd dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door de beslismedewerker, waaraan de rechtens te honoreren verwachting kan worden ontleend dat de beschikking van 27 januari 2015 zou worden herzien en dat appellanten derhalve van het indienen van een beroepschrift konden afzien. Zelfs indien dergelijke toezeggingen zouden zijn gedaan, had dit onverlet gelaten dat het op de weg van de advocaat van appellanten als professionele rechtsbijstandsverlener lag om de termijn voor het indienen van een beroepschrift in acht te nemen en ter sauvering van de beroepstermijn een pro-forma beroepschrift in te dienen.
Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. Hetgeen overigens door appellanten is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

5. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Saleh

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2018

Verzonden: 8 mei 2018

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,