Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:235

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
02-01-2019
Zaaknummer
CUR2014H00012
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing behandeling ter zitting om gebrek te laten herstellen. Hoorplicht. Kosten in bezwaar. Ingangsdatum ouderdomspensioen. Redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

CUR2014H00012

Datum uitspraak: 16 augustus 2018

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Aruba,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 24 januari 2014 in zaak nr. CUR201300078 in het geding tussen:

appellant

en

de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

Procesverloop

Bij beschikking van 27 juli 2012 heeft de SVB met ingang van 1 januari 2011 op grond van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (LAO) een ouderdomspensioen aan appellant toegekend.

Bij beschikking van 20 november 2012 heeft de SVB het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2014 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2018, waar de SVB, vertegenwoordigd door mr. M. Bonafasia, werkzaam bij de SVB, is verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het Hof het onderzoek heropend. Bij brief van 23 april 2018 is van de heropening mededeling gedaan aan partijen en is de SVB verzocht nader onderzoek in te stellen naar de datum waarop door appellant een aanvraag om toekenning van een ouderdomspensioen is ingediend.

Bij e-mail van 23 mei 2018 heeft de SVB nadere informatie verstrekt.

Bij e-mails van 11 juni 2018 heeft appellant een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is een nieuwe zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder f, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) houdt het beroepschrift in de keuze van een domicilie in Curaçao, indien de indiener geen woonplaats heeft in Curaçao.
Ingevolge artikel 64, eerste lid, nodigt het bestuursorgaan de bezwaarde en andere partijen binnen veertien dagen na afloop van de inzagetermijn, bedoeld in artikel 63, eerste lid, uit voor een hoorzitting waarin zij zich in persoon of bij gemachtigde kunnen doen horen.

1.1.

Het Gerecht heeft in het verzuim van appellant om op de voet van artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder f, van de Lar domicilie te kiezen in Curaçao, aanleiding gezien de behandeling ter zitting op 27 augustus 2013 te schorsen om hem de gelegenheid te bieden dit verzuim te herstellen, hetgeen is geschied.

1.2.

Het Gerecht heeft bij de schorsing van de behandeling ter zitting voorts, in verband met gerezen onduidelijkheid over de tijdige bekendheid van appellant met de datum waarop hij over zijn bezwaar zou worden gehoord, aanleiding gezien bij de schorsing van de behandeling ter zitting de SVB op te dragen appellant binnen zes weken alsnog te horen en het Gerecht te berichten of aanleiding bestaat een nieuwe beschikking op het bezwaar te nemen.

1.3.

Appellant betoogt dat het Gerecht de SVB ten onrechte door gebruikmaking van een, door appellant zo aangeduide, bestuurlijke lus in de gelegenheid heeft gesteld een gebrek in de beschikking van 20 november 2012 te herstellen. De Lar voorziet niet in de mogelijkheid van een bestuurlijke lus. De bestuurlijk lus is voorts ook niet bedoeld om hem in de gelegenheid te stellen domicilie in Curaçao te kiezen. Reeds hierom moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd, aldus appellant.

1.4.

Op grond van artikel 48, eerste lid, van de Lar, kan na sluiting van de behandeling ter zitting zonodig het vooronderzoek en de behandeling ter zitting worden heropend, als blijkt dat de behandeling van de zaak niet volledig is geweest. In dat geval zijn de paragrafen 5 tot en met 8 van hoofdstuk 3 van de Lar van toepassing. Als reeds gedurende de behandeling ter zitting blijkt dat de behandeling van de zaak niet volledig kan zijn, staat de wet noch een andere rechtsregel of een rechtsbeginsel eraan in de weg dat voor de sluiting van de behandeling ter zitting deze behandeling wordt geschorst om, bijvoorbeeld, een deskundigenbericht te laten uitbrengen (vgl. de uitspraak van het Hof van 28 mei 2012; ECLI:NL:OGHACMB:2012:BW8357) of om partijen een gebrek te laten herstellen. Ook in dat geval zijn de paragrafen 5 tot en met 8 van hoofdstuk 3 van de Lar van toepassing. Nu er ook geen grond is voor het oordeel dat appellant door de handelwijze van het Gerecht in zijn belangen is geschaad, faalt dit betoog van appellant.

2. Appellant betoogt voorts dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de SVB na de schorsing van de behandeling ter zitting alsnog heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 64, eerste lid, van de Lar.

2.1.

Dit betoog slaagt. Op 7 oktober 2013 heeft appellant het Gerecht bericht dat de SVB geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van het Gerecht om hem binnen zes weken alsnog te horen en heeft hij het Gerecht verzocht uitspraak te doen. Op 8 oktober 2013 is appellant door de SVB opgeroepen voor een hoorzitting op 14 oktober 2013. Dat is niet binnen zes weken na 27 augustus 2013. Eveneens op 8 oktober 2013 heeft appellant de SVB bericht dat hij op 14 oktober 2013 is verhinderd om naar Curaçao af te reizen. Ook had hij al eerder, op 30 augustus 2013, bericht dat hij na 11 oktober 2013 verhinderd was om op korte termijn aanwezig te zijn bij een hoorzitting op Curaçao. In deze, door de SVB op zichzelf niet betwiste, omstandigheden had het Gerecht grond moeten zien voor het oordeel dat de SVB niet tijdig uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van het Gerecht en daarmee nog altijd niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 64, eerste lid, van de Lar.

3. Appellant betoogt eveneens terecht dat het Gerecht ten onrechte niet heeft gereageerd op zijn beroepsgrond dat de SVB bij de beschikking van 20 november 2012 heeft nagelaten te beslissen op zijn verzoek in het bezwaarschrift om op de voet van artikel 58, tweede en derde lid, van de Lar de kosten te vergoeden die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht zou behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de beschikking van 20 november 2012 vernietigen.

5. Het Hof ziet vervolgens op grond van de volgende overwegingen aanleiding om op de voet van artikel 50, derde lid, van de Lar te bepalen dat de rechtsgevolgen van de beschikking van 20 november 2012 in stand blijven voor zover betrekking hebbende op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen.

5.1.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de LAO gaat het ouderdomspensioen in op de eerste dag van de maand volgende op die, waarin de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet.
Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een ouderdomspensioen niet eerder ingaan dan een jaar vóór de eerste dag der maand, volgende op die, waarin de aanvraag werd ingediend of waarin de ambtshalve toekenning plaats vond. De SVB kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.
Volgens het door de SVB gevoerde beleid doet een bijzonder geval zich voor indien de belanghebbende door niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen. Aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden wordt bezien of het geval bijzonder is. Beoordeeld wordt of het complex van omstandigheden in onderlinge samenhang een bijzonder geval oplevert.

5.2.

Appellant heeft in bezwaar gesteld dat hij reeds op 25 april 2005 in Aruba een aanvraag om toekenning van een ouderdomspensioen heeft ingediend. Zijn ouderdomspensioen moet daarom ingaan op 1 januari 2005, nu hij op 26 december 2004 de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant in beroep een verklaring van 25 april 2005 van de directeur van de Sociale Verzekeringsbank van Aruba (SVB Aruba) overgelegd, inhoudende dat appellant een verzoek heeft ingediend voor een ouderdomspensioen krachtens de LAO en dat voor de uitbetaling een bankrekeningnummer is vereist (de verklaring). Het Gerecht heeft dit betoog van appellant onbesproken gelaten.

5.3.

Het Hof heeft het onderzoek heropend en de SVB verzocht om bij de SVB Aruba nader onderzoek te doen instellen naar de beweerdelijk door appellant ingediende aanvraag om toekenning van een ouderdomspensioen, waarbij in ieder geval de vraag naar de authenticiteit van de verklaring en de vraag of er in de administratie van de SVB Aruba andere aanwijzingen zijn voor het bestaan van een in 2005 ingediende aanvraag aan de orde moeten komen.

5.4.

Bij e-mail van 25 mei 2018 heeft de SVB een bericht van de SVB Aruba van 14 mei 2018 ingezonden. Daarin wordt toegelicht dat de verklaring uitsluitend aan appellant is verstrekt zodat hij een bankrekening kon openen. Dit wordt door de bank vereist. Het is derhalve geen bewijs dat appellant op 25 april 2005 daadwerkelijk reeds een aanvraag om ouderdomspensioen had ingediend. Appellant is vervolgens pas op 1 december 2011 weer bij de SVB Aruba langs geweest en heeft toen officieel een aanvraag ingediend. De SVB Aruba heeft geen informatie gevonden waaruit iets anders blijkt.

5.5.

Bij e-mails van 11 juni 2018 heeft appellant gereageerd op de toelichting door de SVB Aruba. Volgens appellant kan en kon hij aan de dienststempel op de verklaring van 25 april 2005 het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat hij toen een rechtsgeldige aanvraag heeft ingediend en dat uitsluitend nog een bankrekeningnummer nodig was. Uit niets blijkt dat die aanvraag buiten behandeling is gesteld wegens het niet overleggen van een bankrekeningnummer. Het opvragen van een bankrekeningnummer is een indicatie dat de aanvraag in een eindstadium is. Het opvragen van een bankrekeningnummer vindt uitsluitend plaats bij het goedkeuren van de aanvraag. Ook heeft de SVB Aruba niet op verifieerbare wijze kunnen aantonen dat het beleid destijds anders was en dat hij niet in 2006 en 2007 is langs geweest om alsnog een bankrekeningnummer te overleggen, aldus appellant.

5.6.

Het Hof acht de door de SVB Aruba gegeven toelichting bij de verklaring aannemelijk. Het oogmerk van de verklaring was om de bank in staat te stellen een bankrekeningnummer voor appellant te openen ter completering van de aanvraag. Uit de administratie van de SVB Aruba blijkt niet dat dit is gebeurd. Appellant heeft geen stukken ingediend, zoals het toegekende bankrekeningnummer of een kopie van het volledig ingevulde en door hem ondertekende aanvraagformulier. Het had voorts op de weg van appellant gelegen om, indien hij in de veronderstelling verkeerde dat hij reeds op 25 april 2005 een aanvraag had ingediend, bij de SVB Aruba naar de behandeling daarvan te informeren. Niet gebleken is dat hij dat heeft gedaan. Pas zes jaar later heeft appellant in Curaçao alsnog een aanvraag om toekenning van een ouderdomspensioen ingediend. Daarbij heeft hij overigens ook geen melding gemaakt van een eerdere aanvraag in Aruba. Dit betekent dat de SVB terecht 1 december 2011 als aanvraagdatum heeft genomen. Van een bijzonder geval als bedoeld in het door de SVB gevoerde beleid is niet gebleken.

6. Over het verzoek van appellant de kosten te vergoeden die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken wordt overwogen dat, gelet op artikel 58, tweede en derde lid, van de Lar, voor vergoeding van de kosten van het bezwaar alleen aanleiding is als de beschikking van 27 juli 2012 waartegen bezwaar is gemaakt door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is genomen. Die situatie doet zich hier niet voor. De beschikking van 27 juli 2012 is niet alleen naar haar inhoud juist, zoals volgt uit overweging 5.6, maar ook wat de wijze van totstandkoming betreft. Anders dan appellant kennelijk wil betogen, was de SVB in de fase van de voorbereiding van het besluit van 27 juli 2012 niet gehouden op zoek te gaan naar een mogelijke eerdere aanvraag. In die fase had appellant immers geen melding gemaakt van een eerdere aanvraag. Het Hof zal daarom in zoverre zelf in de zaak voorzien en het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar alsnog afwijzen.

7. Appellant betoogt in zijn reactie van 11 juni 2018 dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden en verzoekt het Hof hieraan gevolgen te verbinden.

7.1.

Het Hof heeft in zijn uitspraak van 18 januari 2017 (ECLI:NL:OGHACMB:2017:64) voor het eerst uitspraak gedaan over de gevolgen van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in bestuursrechtelijke zaken die vallen onder de rechtsmacht van het Hof. In die uitspraak is overwogen dat allen die het aangaat zich moeten kunnen instellen op deze nieuwe rechtspraak van het Hof en daarom pas gevolgen aan de overschrijding van de redelijke termijn zullen worden verbonden in procedures waarin op of na 1 juli 2017 een bezwaarschrift is ingediend. In deze procedure is het bezwaarschrift ingediend op 7 november 2012. Hoewel de redelijke termijn voor de gehele procedure (bezwaar, beroep en hoger beroep) in de uitspraak van 18 januari 2017 is gesteld op vier jaar en die termijn in dit geval is overschreden, zullen daaraan, gegeven de in die uitspraak opgenomen overgangstermijn, geen gevolgen worden verbonden.

8. De SVB moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 24 januari 2014 in zaak nr. CUR201300078;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de beschikking van de Sociale Verzekeringsbank van 20 november 2012;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van die beschikking in stand blijven voor zover betrekking hebbend op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen;

VI. wijst het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar af en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van die beschikking;

VII. veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van NAf 1.400,00 (zegge: veertienhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de Sociale Verzekeringsbank het door [appellant] voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van NAf 450,00 (zegge: vierhonderdvijftig gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Saleh

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2018

Verzonden: 16 augustus 2018

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,