Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:210

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
24-12-2018
Zaaknummer
AR 69041/14 - H 90/17 CUR201400477 – CUR2017H00088
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art 142 lid 1 Rv overlegging door derde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 69041/14 - H 90/17

CUR201400477 – CUR2017H00088

Uitspraak: 2 oktober 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

1 [APPELLANTE SUB 1],

wonende in Curaçao,

weduwe van wijlen[naam],

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. S.A.T. Ayubi-Haakmeester,

2 [appellante sub 2],

wonende in Curaçao,

erfgenaam van wijlen [naam],

vertegenwoordigd door haar moeder [naam 1],

gemachtigde: mr. J.D.C. Sintiago,

3 [appellante sub 3],

wonende in Curaçao,

erfgenaam van wijlen [naam],

procederende in persoon,

4 [appellante sub 4]

wonende in Curaçao,

erfgenaam van wijlen [naam],

procederende in persoon,

5 [appellante sub 5],

wonende in Curaçao,

erfgenaam van wijlen [naam],

procederende in persoon,

6 [appellante sub 6],

wonende in de Verenigde Staten van Amerika,

erfgenaam van [naam],

gemachtigde: [appellante sub 1] (appellante onder 1),

tegen

[GEÏNTIMEERDE] ,

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. S.N.E. Inderson.

De partijen worden hierna enerzijds [appellante sub 1], [appellante sub 2], de vier overige erfgenamen en anderzijds [geïntimeerde] genoemd.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn tussenvonnis van 27 februari 2018. Hierbij is een comparitie van partijen gelast.

1.2.

Op 11 april 2018 heeft [appellante sub 2] producties ingezonden.

1.3.

Op 13 april heeft [appellante sub 1] producties ingezonden.

1.4.

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 17 april 2018. Alle partijen, met uitzondering van [appellante sub 2] en [appellante sub 6] Carmen [naam] zijn in persoon verschenen. De drie gemachtigden zijn eveneens verschenen. Overgelegd zijn een machtiging van [appellante sub 6] en een pleitnota van mr. Ayubi-Haakmeester van 21 november 2017 die in het ongerede was geraakt.

1.5.

Op 3 juli 2018 hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [geïntimeerde] een akte genomen.

1.6.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

3.1.

Thans zijn alle zes erfgenamen van [naam] (hierna: [naam]) in de procedure betrokken. [naam] was in gemeenschap van goederen getrouwd met [appellante sub 1], zodat [appellante sub 1] als weduwe gerechtigd is tot de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap. In de nalatenschap, bestaande uit de andere helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap, zijn [appellante sub 1], [appellante sub 2] en de vier overige erfgenamen ieder voor 1/6e deel gerechtigd.

3.2.

Na de comparitie hebben partijen tevergeefs getracht een schikking te bereiken.

3.3. [

[appellante sub 1] stelt in haar akte van 3 juli 2018 dat zij, alvorens een schikking te overwegen, inzage wil hebben in de bankrekening 577651 bij de Girobank, een zgn. ‘en/of-rekening’ van [naam] en [geïntimeerde]. [geïntimeerde] weigert inzage. [appellante sub 1] heeft getracht in een kort geding tegen de Girobank N.V. inzage te krijgen in het verloop van deze rekening. Het GEA heeft op 14 juni 2018 (KG CUR201801464) haar vordering afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang (productie bij akte [appellante sub 1] van 3 juli 2018).

3.4. [

[appellante sub 1] verzoekt het Hof toepassing te geven aan artikel 162 [lees: 142] van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.5.

Artikel 142 Rv luidt:

1. De rechter kan op verzoek van een der partijen aan anderen dan partijen, na deze te hebben gehoord of daartoe de gelegenheid te hebben gegeven, bevelen binnen een door de rechter te stellen termijn schriftelijk inlichtingen te verschaffen en onder hen berustende boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen over te leggen. Degene tot wie de rechter het bevel richt, is verplicht tot het verschaffen van de gevraagde inlichtingen en het overleggen van de gevraagde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen.

2. De rechter bepaalt, zo nodig, de wijze waarop, en de voorwaarden waaronder de inlichtingen zullen worden verschaft, dan wel de boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen zullen worden overgelegd.

3. De rechter wijst het verzoek in elk geval af indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing der gegevens is gewaarborgd.

4. Het in artikel 144 omtrent het verschoningsrecht van getuigen bepaalde is van overeenkomstige toepassing, maar ook andere gewichtige redenen, waaronder een gevaar voor onevenredige schade aan de belangen van degene tot wie het bevel is gericht of die van derden, kunnen een weigering rechtvaardigen.

5. Tegen een afwijzing van het verzoek staat geen hogere voorziening open.

6. Heeft de rechter het bevel gegeven, dan zijn de artikelen 152 en 152a van overeenkomstige toepassing.

3.6.

Het Hof is voorshands van oordeel dat het verzoek moet worden ingewilligd. De bankrekening stond mede op naam van [naam], van wie [appellante sub 1], [appellante sub 2] en de vier overige erfgenamen de opvolgers onder algemeen titel zijn. Dit op zichzelf geeft hen al recht op inzage. Bovendien is het voldoende aannemelijk dat uit het verloop van de rekening gegevens boven water komen die erop kunnen duiden dat [naam] financieel heeft bijgedragen aan de kosten van het huis van [geïntimeerde]. De aan de kant van [geïntimeerde] bestaande privacybelangen wegen onvoldoende zwaar.

3.7.

Alvorens op het verzoek te beslissen, zal het Hof, gelet op het bepaalde in artikel 142 lid 1 Rv, Girobank N.V. in de gelegenheid stellen zich over het verzoek uit te laten. In het hiervóór in rov. 3.3 vermelde kort geding was Girobank vertegenwoordigd door de advocaat mr. A. Huizing. Het Hof neemt aan dat hij bereid is dit vonnis door te geleiden.

3.8.

Na ontvangst van de reactie zal het Hof vonnis wijzen in dit incident.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

- draagt de griffier op om dit vonnis onverwijld toe te zenden aan Girobank N.V., p/a de advocaat mr. A. Huizing, waarbij die vennootschap in de gelegenheid wordt gesteld zich schriftelijk uit te laten over het verzoek van [appellante sub 1];

- bepaalt dat Girobank N.V. haar reactie op uiterlijk op vrijdag 19 oktober 2018 indient bij de Front Office of per e-mail zendt aan jan.deboer@caribjustitia.org (bij voorkeur beide wegen);

- verwijst de zaak naar de zitting van het Hof van 30 oktober 2018 voor vonnis in dit incident.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, H.J. Fehmers en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 2 oktober 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.