Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:195

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
17-12-2018
Zaaknummer
EJ 2473/2016 – Ghis 82763 -H189 2017 AUA2017H00238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wijziging alimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Aruba,

hierna te noemen: de man,

oorspronkelijk verzoeker, thans appellant,

gemachtigden: mrs. G.L. Griffith en N.S. Gravenstijn,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Nederland,

oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.B. Boyce,

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 2473 van 2016 gegeven en op
14 maart 2017 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2.

De man heeft in een beroepschrift, per fax ingekomen op 25 april 2017, dus tijdig, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking. Hierin heeft hij het hoger beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bepalen dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, met ingang van de datum van indiening van onderhavig verzoekschrift, op nihil wordt gesteld, althans dat het Hof in goede justitie een andere redelijke en billijke beslissing neemt met afweging van alle belangen.

1.3.

Op 20 februari 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, met instemming van partijen ten overstaan van het lid van het Hof mr. E.A. Saleh. De man is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van de vrouw is verschenen. De gemachtigden van partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.4.

Beschikking is (nader) bepaald op heden.

2 De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3 Feiten

3.1.

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2.

Partijen zijn op 1 december 1948 met elkaar gehuwd.

3.3.

Bij beschikking van 11 juli 1984 is tussen partijen de scheiding van tafel en bed uitgesproken en is bepaald dat de man aan de vrouw Afl. 700,- aan levensonderhoud dient te betalen.

3.4.

Bij beschikking van 8 november 2010, welke later bij beschikking van 14 december 2010 is hersteld, is het huwelijk tussen partijen ontbonden. Ook is, conform het door partijen op 15 oktober 2010 ondertekende echtscheidingsconvenant, bepaald dat de man Afl. 1.000,- per maand dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw.

4 Beoordeling

4.1.

De man verzoekt de beschikking van 8 november 2010, hersteld bij beschikking van 14 december 2010, te wijzigen in die zin dat het door de man te betalen bedrag aan partneralimentatie zal worden verlaagd tot nihil ingaande 4 oktober 2010. Daartoe stelt de man dat het convenant van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord en is aangegaan met grove miskenning van wettelijke maatstaven. De man voert in dit verband aan dat hij op het moment van ondertekening van het echtscheidingsconvenant al 26 jaar alimentatie aan het betalen was. Op grond van de artikelen 1:157 lid 4 en 1:182 van het Burgerlijk Wetboek (BW) was de verplichting tot betaling van alimentatie echter reeds 12 jaar gerekend vanaf de scheiding van tafel en bed geëindigd, aldus de man.

4.2.

Artikel 1:157 lid 4 BW bepaalt dat als geen termijn is gesteld, de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege eindigt na een termijn van 12 jaar, aanvangende op de datum van de inschrijving van de beschikking. Artikel 1:182 BW bepaalt dat bij ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed de termijnen van artikel 1:157 BW worden verminderd met de tijd gedurende welke tijdens de scheiding van tafel en bed een verplichting tot levensonderhoud jegens de andere echtgenoot bestond en dat de duur van het huwelijk wordt berekend tot de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven.

4.3.

Op grond van artikel 25 van de Landsverordening Overgangsbepalingen Nieuw Burgerlijk Wetboek Aruba is artikel 157, vierde tot en met zesde lid, van Boek 1, slechts

van toepassing op de uitkeringen tot levensonderhoud ter zake van de ontbinding door echtscheiding van huwelijken die na het in werking treden van die leden, op 1 januari 2002 zijn voltrokken. Hetzelfde geldt voor artikel 1:182 van dat Boek voor zover deze de in de

eerste volzin bedoelde leden van artikel 1:157 onder voorbehoud van nadere bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaren.

4.4.

Nu het huwelijk tussen partijen in 1948 is voltrokken, zijn voormelde bepalingen niet van toepassing op de ontbinding van dit huwelijk. Onder het oude recht, dat hier dus van toepassing is, gold geen termijn waarna de alimentatieverplichting eindigde. Het betoog van de man dat de verplichting tot betaling eigenlijk al in 1996 (12 jaar na 1984) was geëindigd gaat dus niet op.

4.5.

De man beroept zicht verder op wijziging van omstandigheden. Ingevolge artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven zijn voldoende voor wijziging van de overeengekomen onderhoudsbijdrage.

4.6.

De man heeft de door hem gestelde wijziging van omstandigheden niet deugdelijk onderbouwd. Bij verzoekschrift in eerste aanleg is een overzicht overgelegd van de draagkracht van de man. Daarbij is niet aangegeven met welke daar genoemde omstandigheden bij het sluiten van het convenant geen rekening is gehouden. Ook de door de man gestelde omstandigheid dat hij al 30 jaar een relatie heeft met zijn huidige echtgenote, dat zij altijd belast is geweest met de verzorging van de man en dat zij nimmer een baan heeft kunnen zoeken om eigen inkomen te genereren levert geen wijziging op als bedoeld in artikel 1:401 BW, omdat dit op het moment van het sluiten van het convenant, dat ligt binnen genoemde 30 jaar, ook al het geval was en de man niet heeft aangevoerd dat met deze omstandigheden geen rekening is gehouden bij het sluiten van het convenant. Het feit dat de man al 33 jaar alimentatie betaalt levert evenmin een omstandigheid als bedoeld in voormeld artikel op, te minder nu de man in 2010, toen hij al 26 jaar alimentatie betaalde, zich bij convenant heeft verbonden om ook na echtscheiding alimentatie te blijven betalen en de man niet heeft aangevoerd dat met deze omstandigheid geen rekening is gehouden bij de totstandkoming van het convenant.

4.7.

De man stelt zich verder op het standpunt dat het convenant en daarmee de beschikking van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord dan wel met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is aangegaan. Ingevolge artikel 1:401 lid 4 BW kan alleen een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Deze wijzigingsgrond geldt niet voor hetgeen partijen met betrekking tot de onderhoudsverplichting zijn overeengekomen. Hier doet niet aan af dat hetgeen partijen bij convenant hebben afgesproken vervolgens is opgenomen in een beschikking, nu die veroordeling geen verdere strekking heeft dan het verstrekken van een executoriale titel

( HR 19 november 1982, NJ 1983, 494). Van grove miskenning van wettelijke maatstaven als bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW is sprake indien er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Hetgeen de man heeft aangevoerd leidt niet tot die conclusie.

4.8.

Het hoger beroep faalt. De bestreden beschikking zal worden bevestigd en de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden.

5 Beslissing

Het Hof:

bevestigt de beschikking waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh en M.C.B. Hubben en H.J. Fehmers, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2018 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.