Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:194

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-08-2018
Datum publicatie
17-12-2018
Zaaknummer
EJ 316/2017 – AUA201700535 – AUA 2017H00112 - Ghis 83800
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[Appellant],

wonende in Aruba,

hierna te noemen: de man,

oorspronkelijk verweerder, thans appellant,

gemachtigde: mr. M.M. Malmberg,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende in Aruba,

hierna te noemen: de vrouw,

oorspronkelijk verzoekster, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. P.G. Dowers-Alders.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 316 van 2017 gegeven en op
15 mei 2017 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2.

De man heeft in een beroepschrift, ingekomen op 9 augustus 2017, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking. Hierin heeft hij het hoger beroep toegelicht, verzocht dat het Hof hem toestemming zal verlenen om kosteloos te procederen en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen, de echtscheiding niet zal uitspreken en de bijdrage in de kosten van onderhoud van de minderjarigen op nihil zal stellen dan wel het bedrag zal matigen, hem zal belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind 1] en de vrouw met het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind 2].

1.3.

Op 20 februari 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden, die het woord hebben gevoerd.

1.4.

De man heeft op 26 juni 2018 een akte met productie ingediend.

1.5.

Beschikking is gevraagd en nader bepaald op heden.

2. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3 Beoordeling

3.1.

Uit het door de man overgelegde bewijs van onvermogen blijkt genoegzaam dat hij niet in staat is om de proceskosten te dragen. Het Hof zal hem toestemming verlenen om kosteloos te procederen.

3.2.

De man is in eerste aanleg niet verschenen. De bestreden beschikking is op 28 juli 2017 aan hem betekend. Met inachtneming van de in artikel 820 Rv vermelde termijn van 6 weken na betekening in persoon, is het beroepschrift tijdig ingediend.

3.3.

Partijen zijn op 19 december 1997 in Aruba in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Gedurende dat huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarige kinderen [kind 1] [kind 1] ([geboortedatum] 2001) en [kind 2] ([geboortedatum] 2011). Bij beschikking van 15 mei 2017 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tevens is bepaald dat partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over voormelde minderjarigen belast blijven, dat het hoofdverblijf van [kind 1] bij oma vaderszijde en dat van [kind 2] bij de vrouw zal zijn en dat de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] Afl 450,- en van [kind 2] op Afl 300,- per maand bedraagt.

3.4.

De man heeft aangegeven enkel beroep te hebben ingesteld tegen de echtscheiding om te voorkomen dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waarna de nevenvoorzieningen uitvoerbaar zijn. Hieruit leidt het Hof af dat de man zich kan vinden in de echtscheiding, zodat dit onderdeel geen bespreking behoeft. Het hoger beroep richt zich verder tegen het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen en tegen de veroordeling tot betaling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen.

3.5.

De man heeft bij akte overgelegd een beschikking van het GEA van 5 juni 2018 waarbij de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap van [kind 2] gegrond is verklaard op de grond dat uit DNA-onderzoek is gebleken dat de man niet de biologische vader is van [kind 2]. De man heeft gelet hierop geen ouderlijk gezag over [kind 2] en is geen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van [kind 2] aan de vrouw verschuldigd.

3.6.

De man verzoekt het Hof om hem het eenhoofdig gezag over [kind 1] te geven. Uitgangspunt is dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat alleen een van de ouders met het gezag over hem wordt belast, met name indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind bij gezamenlijk gezag van de ouders klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen (HR 18 maart 2015, LJN AS8525). De enkele stelling van partijen dat tussen hen geen goede communicatie bestaat is niet voldoende om aan te nemen dat het kind bij gezamenlijk gezag klem zou raken tussen de ouders. Het gezamenlijk ouderlijk gezag over [kind 1] zal worden gehandhaafd.

3.7.

In het bestreden vonnis is de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bepaald bij oma vaderszijde. De vrouw heeft de stelling van de man dat [kind 1] sinds vorig jaar bij hem woont gemotiveerd betwist. Zij stelt dat [kind 1], conform het bestreden vonnis, bij zijn oma verblijft en dat de man in een appartement op hetzelfde terrein woont. De vrouw stelt verder dat zij samen met oma de kinderen verzorgt, elke dag met oma en de beide kinderen de maaltijden nuttigt, het schoolgeld, de schooluniformen, kleding betaalt en anderszins bijdraagt in de kosten van onderhoud van [kind 1], zonder daarvoor een financiële bijdrage van de man te ontvangen. De man heeft deze stellingen van de vrouw niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken, zodat het Hof als vaststaand aanneemt dat [kind 1] bij zijn oma woont en dat de vrouw de kosten van levensonderhoud draagt. De man is gehouden hieraan een financiële bijdrage te leveren. Het Hof gaat uit van een maandelijks inkomen van de vrouw van
Afl. 700,- per maand aan bijstand. De man stelt Afl 800,- per maand te verdienen met visserij. Partijen dienen dus in ongeveer gelijke mate bij te dragen in het levensonderhoud van [kind 1]. Het door de vrouw gestelde benodigde bedrag van Afl. 450,- per maand is door de man niet betwist en komt het Hof niet onredelijk voor. Dat bedrag zal dan ook worden toegewezen.

3.8.

De bestreden beschikking zal worden vernietigd en het Hof zal opnieuw rechtdoen als na te melden. De proceskosten zullen gelet op de aard van de zaak en de relatie tussen partijen worden gecompenseerd.

4 Beslissing

Het Hof:

Verleent de man toestemming om kosteloos te procederen;

Vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:

Spreekt de echtscheiding uit tussen partijen;

Beveelt de verdeling van de gemeenschap waarin partijen zijn gehuwd;

Bepaalt dat partijen gezamenlijk belast blijven met de uitoefening van het gezag over [kind 1] [, geboren op [geboortedatum] 2001 in Aruba;

Bepaalt het hoofdverblijf van [kind 1] bij de oma;

Bepaalt het hoofdverblijf van [kind 2] bij de vrouw;

Bepaalt de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] op
Afl 450,- per maand, te betalen via de Voogdijraad, met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;

Compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, voor zover het betreft de nevenvoorziening, vanaf de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand;

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh en M.C.B. Hubben en H.J. Fehmers, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2018 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.