Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:193

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
555.00154/17 H 105/2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

moord_zw.mish_vern_ovar_tbs DEF

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H 105/2018

Parketnummer: 555.00154/17

Uitspraak: 20 september 2018 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 13 april 2018:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij voornoemd vonnis ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.A. Becher, naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partijen [benadeeldepartij 1] en [benadeeldepartij 2] (ouder [minderjarige1] en [minderjarige2]) in het kader van hun vordering tot schadevergoeding naar voren hebben gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren. Daarnaast heeft de procureur-generaal oplegging van de tbs-maatregel, met dwangverpleging, uit te voeren in Nederland, gevorderd.

Zijn vordering behelst voorts:

  • -

    de toewijzing van de (in hoger beroep beperkte) vordering van de benadeelde partij [benadeeldepartij 1] tot een bedrag van NAf 20.698,96 en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel.

  • -

    de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeeldepartij 2] (ouder [minderjarige1] en [minderjarige2]) tot een bedrag van NAf 22.928,72 en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel.

Vonnis waarvan beroep

Het Hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het Hof het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 3 juni 2017 tot en met 27 juli 2017 te Curaçao, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, op 3 juni 2017 het lichaam van die [slachtoffer] overgoten met een brandbare vloeistof en/of vervolgens die vloeistof tot ontbranding gebracht/laten komen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op of omstreeks 27 juli 2017 is overleden;

2.

dat hij op of omstreeks 3 juni 2017 te Curaçao aan een of meer personen, te weten [minderjarige 1] (7 jaar) en/of [minderjarige 2] (5 jaar), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten 2e graads) brandverwondingen aan het hoofd en/of het (rechter)oor en/of de hals (van [minderjarige 1]) en/of (1e/2e graads) brandverwondingen aan het (linker)been/de (linker)voet (van [minderjarige 2]), althans letsel toe heeft gebracht,

immers heeft hij opzettelijk (en met voorbedachten raad) het lichaam van [slachtoffer] overgoten met een brandbare vloeistof en/of vervolgens die vloeistof aangestoken cq. tot ontbranding gebracht/laten komen,

terwijl die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] zich vlakbij [slachtoffer] bevond(en), hetgeen voor hem,

verdachte, zichtbaar/kenbaar was,

waardoor die (lichaamsdelen van die) [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] eveneens in brand is/zijn geraakt cq. verbrand is/zijn, waardoor zij/hij voornoemd letsel heeft/hebben bekomen;

3.

dat hij op of omstreeks 3 juni 2017 te Curaçao, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere levensmiddelen en/of flessen en/of pakken drank (in de bijlage bij de aangifte opgesomd) en/of het plafond van [naam bedrijf], in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeeldepartij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij in voornoemde minimarket het lichaam van [slachtoffer] overgoten met een brandbare vloeistof en/of vervolgens die vloeistof aangestoken cq. tot ontbranding gebracht/laten komen, waardoor brand op [slachtoffer] en overige personen ontstond, waardoor voornoemde goederen door die brand zijn geraakt.

Bewezenverklaring

Het Hof acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

1.

dat hij in of omstreeks de periode van 3 juni 2017 tot en met 27 juli 2017 te Curaçao, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, op 3 juni 2017 het lichaam van die [slachtoffer] overgoten met een brandbare vloeistof en/of vervolgens die vloeistof tot ontbranding gebracht/laten komen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op of omstreeks 27 juli 2017 is overleden;.

2.

dat hij op of omstreeks 3 juni 2017 te Curaçao aan een of meer personen, te weten [minderjarige 1] (7 jaar) en/of [minderjarige 2] (5 jaar), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten 2e graads brandverwondingen aan het hoofd en/of het (rechter)oor en/of de hals (van [minderjarige 1]) en/of (1e/2e graads) brandverwondingen aan het (linker)been/de (linker)voet (van [minderjarige 2]), althans letsel toe heeft gebracht,

immers heeft hij opzettelijk (en met voorbedachten raad) het lichaam van [slachtoffer] overgoten met een brandbare vloeistof en/of vervolgens die vloeistof aangestoken cq. c.q. tot ontbranding gebracht/laten komen,

terwijl die [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] zich vlakbij [slachtoffer] bevond(en), hetgeen voor hem,

verdachte, zichtbaar/kenbaar was,

waardoor die (lichaamsdelen van die) [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] eveneens in brand is/zijn geraakt cq. c.q. verbrand is/zijn, waardoor zij/hij voornoemd letsel heeft/hebben bekomen;.

3.

dat hij op of omstreeks 3 juni 2017 te Curaçao, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere levensmiddelen en/of flessen en/of pakken drank (in de bijlage bij de aangifte opgesomd) en/of het plafond van [naam bedrijf], in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeeldepartij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij in voornoemde minimarket het lichaam van [slachtoffer] overgoten met een brandbare vloeistof en/of vervolgens die vloeistof aangestoken cq. c.q. tot ontbranding gebracht/laten komen, waardoor brand op [slachtoffer] en overige personen ontstond, waardoor voornoemde goederen door die brand zijn geraakt.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

1. Het proces-verbaal van aangifte, p. 18-20, opgemaakt en op 3 juni 2017 gesloten en ondertekend door [hoofdagent], hoofdagent van politie bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van de aangeefster [benadeeldepartij 2]:

Heden 3 juni 2017 bevond ik mij samen met mijn twee zonen genaamd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van respectievelijk 7 en 5 jaar oud in de minimarket (Het Hof begrijpt: [naam bedrijf]). De voor mij bekende man, bijgenaamd [slachtoffer](Het Hof begrijpt: [slachtoffer]), kwam een fles Night Train kopen. [slachtoffer] stond naast [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Op dat moment zag ik de voor mij bekende man, bijgenaamd [verdachte] (Het Hof begrijpt: [verdachte], de verdachte), naar binnen lopen. Ik hoorde [verdachte] iets tegen [slachtoffer] zeggen. Direct hierna zag ik dat [verdachte] een vloeistof over het hele lichaam van [slachtoffer] gooide. Ik zag dat [slachtoffer] helemaal in brand stond en ik zag dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook in brand stonden. Ik zag dat [minderjarige 1] verbrandingen aan zijn hoofd, haren en oren had. [minderjarige 2] had een verbranding aan zijn linkerbeen. [slachtoffer], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn naar de polikliniek gebracht voor verdere behandeling.

2. Het proces-verbaal van aangifte, met bijlage, p. 23-26, opgemaakt en op 5 juni 2017 gesloten en ondertekend door [hoofdagent], hoofdagent van politie bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van de aangeefster [benadeeldepartij 2]:

Behalve dat ik zag dat [slachtoffer], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in brand stonden, zag ik dat er ook verschillende goederen in de minimarket verbrand en vernield werden. Ook het plafond werd door de brand beschadigd. Ik heb een lijst gemaakt van de beschadigde goederen.

Opmerking Hof: als bijlage is toegevoegd een lijst waarop onder meer de volgende goederen (door het Hof in het Nederlands vertaald) staan vermeld:

o 5 paletten met eieren;

o Een doos bananen;

o 5 pakken rijst;

o 15 flessen Coca Cola en 15 flessen Sprite;

o 20 broden;

o 10 dozen met juice.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting bij het Gerecht op 13 april 2018, voor zover inhoudende:

Ik heb [slachtoffer] in de ochtend van 3 juni 2017 gezien. Toen ik hem zag, ben ik achter hem aan gegaan en vervolgens heb ik hem met benzine overgoten en met een aansteker in brand gestoken. De benzine zat in een flesje dat ik bij me had. Het flesje met benzine heb ik van huis meegenomen. Ik heb de fles thuis gevuld met benzine. Het flesje zat in eerste instantie in de koelkast. Het was gevuld met water. Ik heb het water weggegooid en het flesje met benzine gevuld. De benzine zat in een jerrycan. Zij hadden ’s nachts stenen naar het huis van mijn moeder gegooid. Die nacht heb ik niks gedaan.

Met betrekking tot feit 1

4. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, d.d. 1 augustus 2017, p. 90-92, voor zover inhoudende als verklaring van de algemene chirurg Dr. J.E.C.J. van Leeuwen:

Geneeskundige hulp verleend aan [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] [geboorteplaats] in Curaçao, wonende te [adres].

A. Omschrijving van het letsel:

Benzine over patiënt gegoten en in brand gestoken.

Uitwendig waargenomen letsel:

55% brandwond 2de/3de graads.

5. Een geschrift, te weten een lijkschouwing/Autopsie Deskundigen verslag nr. 2017010111001002387, Regionaal: Bogota Sectioneel: Bogota, Departement: Hoofdkantoor, d.d. 28 juli 2017, p. 136-140, voor zover inhoudende als verklaring van de patholoog L. Hernandez Rojas:

Naam bij inschrijving: [slachtoffer].

Samenvatting van de feiten:

Op 4 juni 2017 wordt patiënt verplaatst van het St. Elizabeth Hospitaal van Curaçao, naar het Simon Bolivar Ziekenhuis te Bogotá, met 47% brandletsels van het totale lichaamsoppervlak graad II-III in het gelaat, nek, thorax en bovenste ledematen. Met datum van opname in het Simon Bolivar Ziekenhuis op 4 juni 2017 en datum van afrit op 27 juli 2017 bij overlijden.

Analyse en opinie:

1. Uit context van de feiten is tot dit moment bekend dat het een man betreft op wiens lichaam gasoline werd gegooid en vervolgens in brand werd gestoken.

2. Van de bevindingen van de lijkschouwing heeft men dat de 47% brandletsels door vuur, niettegenstaande de medische zorg, een sepsis ontwikkelden, resulterend in een systemische reactie en uiteindelijk het overlijden (het Hof begrijpt deze tekst aldus dat door het brandletsel dat 47% van het lichaamsoppervlakte bedroeg zich, ondanks de medische zorg, een sepsis heeft ontwikkeld die heeft geresulteerd in een systemische reactie en uiteindelijk het overlijden).

Basis oorzaak van de dood: 47% brandletsels door vuur van het totale lichaamsoppervlak.

6. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], p.44-45, opgemaakt, gesloten en ondertekend door [hoofdagent 1], hoofdagent van politie bij het Korps Politie Curaçao, d.d. 4 juni 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [benadeeldepartij 1]:

[slachtoffer] (Het Hof begrijpt: [slachtoffer]) bevond zich op 3 juni 2017 thuis. Wij waren aan het praten. Toen vroeg hij mij of ik mij de man van daar achteren (Het Hof begrijpt: [verdachte]) herinner. Toen ik ja zei, zei [slachtoffer] tegen mij dat die man tegen hem had gezegd dat hij ons allemaal gaat branden.

7. Het proces-verbaal van verhoor getuige, p.75-78, opgemaakt, gesloten en ondertekend door [hoofdagent 2], hoofdagent van politie bij het Korps Politie Curaçao, d.d. 7 oktober 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 2]:

Eén dag voor voormelde gebeurtenis was [slachtoffer] (Het Hof begrijpt: [slachtoffer]) op bezoek bij mij thuis. Hij zag heel erg bezorgd uit. [slachtoffer] vertelde mij dat [verdachte] (Het Hof begrijpt: [verdachte]) thuis bij hem was geweest en hem had bedreigd met hem in de fik te steken.

Met betrekking tot feit 2

8. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, d.d. 3 juni 2017, p. 21, voor zover inhoudende als verklaring van de betrokken arts van de emergency afdeling dr. I. Poulina:

Heden was een andere meneer in brand gestoken. [minderjarige 1] (Het Hof begrijpt [minderjarige 1]) was/liep naast hem en toen heeft hij een 2e graads brandwond opgelopen ter hoogte van het rechteroor.

9. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, d.d. 3 juni 2017, p. 22, voor zover inhoudende als verklaring van de betrokken arts van de emergency afdeling dr. I. Poulina:

Heden is een man bij hun winkel in brand gestoken. [minderjarige 2] (Het Hof begrijpt [minderjarige 2]) was dicht bij hem in de buurt en hij heeft een 1e/2e graads brandwond opgelopen aan zijn linkervoet.

Bewijsoverwegingen

Omtrent de verdachte zijn op 15 september 2017 en 17 januari 2018 rapportages opgemaakt door psychiater F.G.M. Heijtel. Ter terechtzitting van het Hof van 30 augustus 2018 heeft voornoemde deskundige daar een toelichting op gegeven. De conclusie van de deskundige houdt onder meer het volgende in:

Planmatig handelen kan binnen een psychose. Betrokkene was zeer psychotisch maar dat neemt niet weg dat je als je psychotisch bent toch volledig volkomen adequaat kan handelen.

Het Hof komt op grond hiervan tot de conclusie dat, hoewel de verdachte in een psychose verkeerde, hij desondanks in staat moet worden geacht met voorbedachte raad en opzet te hebben gehandeld.

Ten aanzien van feit 1

Voorbedachte raad

Voor voorbedachte raad is noodzakelijk dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Blijkens de verklaring van de verdachte zou een groep mensen, waaronder het slachtoffer, in de nacht voorafgaand aan het incident stenen naar het huis van zijn moeder hebben gegooid. Naar eigen zeggen heeft de verdachte die nacht niets gedaan. Toen de verdachte het slachtoffer in de ochtend van 3 juni 2017 voorbij zag lopen, is hij achter hem aan gegaan. Hij heeft hem vervolgens met benzine, die hij in een flesje bij zich had, overgoten en met een aansteker in brand gestoken. De verdachte had dat flesje vóór het plegen van zijn daad thuis geleegd en vervolgens met benzine gevuld. Aldus heeft hij met het oog op de uitvoering van zijn plan verschillende daarvoor noodzakelijke handelingen gepleegd alvorens tot zijn daad over te gaan. Hier komt nog bij dat verschillende getuigen hebben verklaard dat de verdachte al meerdere keren het slachtoffer had gedreigd hem in brand te zullen steken.

Uit bovengenoemde feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte niet alleen met een vooropgezet plan achter het slachtoffer is aangegaan, maar tevens dat hij sinds het incident met zijn moeder in de nachtelijke uren voldoende gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Gezien de eerder aangehaalde conclusie van de deskundige acht het Hof de omstandigheid dat de verdachte in een psychose verkeerde geen aanleiding om te veronderstellen dat hij vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Van andere contra-indicaties is niet gebleken. Het Hof is derhalve van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Opzet

Naar het oordeel van het Hof heeft de verdachte ook het opzet op de dood van het slachtoffer gehad. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte, te weten het overgieten van iemand met benzine en deze daarna met een aansteker in brand te steken, kan het niet anders dan dat verdachte het opzet op de dood heeft gehad.

Gelet op het vorenstaande acht Hof derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

Ten aanzien van feit 2

De verdachte heeft door het slachtoffer [slachtoffer] in brand te steken op een plek waar het gebruikelijk is dat mensen in- en uitlopen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ook anderen daarbij (ernstig) gewond zouden raken. Door te handelen zoals hij heeft gehandeld, heeft de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de slachtoffers [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:262 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Moord.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:275 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:334 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen/beschadigen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft de procureur-generaal betoogd dat de verdachte deels ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Het bewezenverklaarde kan hem gedeeltelijk worden verweten en daarvoor is de verdachte strafbaar. De procureur-generaal heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte zijn psychose, waarmee hij meer dan bekend was, heeft aangewakkerd door zich aan de medische behandeling te onttrekken en drugs en alcohol te gebruiken, wetende wat het effect hiervan zou zijn. Dit brengt met zich dat verdachtes psychose niet geheel ongecontroleerd is opgekomen en voorzienbaar was voor hem.

Het Hof is van oordeel dat de verdachte niet strafbaar is. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Omtrent de verdachte is op 17 januari 2018 een aanvullend psychiatrisch rapport opgemaakt door psychiater F.G.M. Heijtel, dat, voor zover hier van belang, inhoudt:

In het geval van betrokkene is er sprake van een ernstige psychotische stoornis, schizofrenie. Betrokkene is door zijn behandeling met anti psychotische medicatie in depotprikvorm op de FOBA weer enigszins in de realiteit. Zijn waanideeën zijn nog steeds op de achtergrond aanwezig. Om recidive te voorkomen, is een langdurige gedwongen psychiatrische behandeling met anti psychotische medicatie noodzakelijk. Betrokkene heeft geen ziektebesef en ziekte inzicht en zijn psychotische toestand heeft geleid tot een ernstig delict. Geadviseerd wordt om betrokkene het delict niet toe te rekenen en betrokkene volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. De ernst van de stoornis en de ernst van het delict rechtvaardigen het opleggen van een tbs-maatregel.

In aanvulling op zijn eerdere rapportage heeft de deskundige F.G.M. Heijtel ter terechtzitting van het Hof van 30 augustus 2018, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

Het plegen van het delict door betrokkene komt volledig voort uit zijn psychose. Iemand met een psychose wordt beheerst door waanideeën. Als betrokkene kwaad wordt, nemen die waanideeën enorme vormen aan. Nadat er stenen waren gegooid, had betrokkene continue hallucinaties, waandenkbeelden en was hij de werkelijkheid kwijt. Hij hoorde stemmen en had vreemde gewaarwordingen. Betrokkene was zeer psychotisch, wat niet wegneemt dat je als je psychotisch bent toch volkomen adequaat kunt handelen.

Voor mensen met een psychiatrische aandoening is het heel moeilijk zich te beseffen dat zij hun gedrag moeten veranderen. Met een verslaving is het al helemaal de vraag of het lukt. Bij verslavingen valt hun verantwoording praktisch helemaal weg. Mensen met een psychiatrische ziekte kunnen zich niet aan gezondheidsadviezen houden.

Het is betrokkene alleen verwijtbaar als hij zich aan behandeling onttrekt wanneer hij enig ziektebesef heeft. Betrokkene heeft echter geen ziektebesef en de keuze om zich niet te laten behandelen komt bij betrokkene voort uit zijn ziekte. Ik ben er zeker van dat betrokkene volledig ontoerekeningsvatbaar is.

Het Hof neemt de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de zijne.

Anders dan de procureur-generaal is het Hof, gelet op hetgeen de deskundige naar voren heeft gebracht, van oordeel dat het de verdachte niet verweten kan worden dat hij zich heeft onttrokken aan behandeling en, als dat al zo is, drugs en alcohol heeft gebruikt, waardoor de psychose is aangewakkerd. Het bewezen geachte kan de verdachte wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, te weten ernstige psychotische stoornis, schizofrenie, niet worden toegerekend. Op grond daarvan is de verdachte niet strafbaar en dient hij ter zake van alle bewezen verklaarde feiten te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van maatregel

Het Gerecht heeft ten aanzien hiervan het volgende overwogen:

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] om het leven gebracht door hem in een minimarket in brand te steken. Dit heeft ernstig en onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer.

Als gevolg van het in brand steken van het slachtoffer hebben ook twee onschuldige kinderen die in de buurt van het slachtoffer stonden brandwonden opgelopen. Daaraan zullen zij voor de rest van hun leven littekens overhouden. Voorts werd een aantal goederen in de minimarket door de brand aangetast.

Psychiater F.G.M. Heijtel is van oordeel dat bij verdachte sprake is van een ernstige realiteitsstoornis. Om recidive te voorkomen is een langdurige gedwongen psychiatrische behandeling, met anti psychotische medicatie noodzakelijk. De psychiater adviseert verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te achten.

Zoals eerder aangegeven neemt het Gerecht de conclusies van de psychiater over en is het Gerecht van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat zijn gedragingen ten tijde van de bewezen verklaarde feiten door die ziekelijke stoornis werden beïnvloed. Evenals de psychiater acht het Gerecht het recidiverisico op soortgelijke feiten groot. Dat de verdachte, indien onbehandeld, weer een ernstig misdrijf kan uitvoeren, baart het Gerecht grote zorgen.

Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat gelet op het groot te achten gevaar dat de verdachte wanneer hij niet wordt behandeld zal overgaan tot mogelijke ernstige geweldsdelicten, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen (waaronder de veiligheid van betrokkene zelf) oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en verpleging van overheidswege is vereist. Daarbij heeft het Gerecht in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van zes jaren of meer gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

Het Gerecht overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.

Het Hof sluit zich hierbij aan.

Met betrekking tot de mogelijkheid tot executie van de tbs-maatregel wijst het Hof op artikel 1:84 van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat ter beschikking gestelden kunnen worden verpleegd in een door de Minister van Justitie aangewezen inrichting hier te lande dan wel elders in het Koninkrijk aangewezen inrichting.

Schadevergoeding

Benadeelde partij feit 1

De benadeelde partij [benadeeldepartij 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van NAf 113.903,17. De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van NAf 632,96 en de benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, thans voor het bedrag van NAf 20.698, 96 wegens materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten om het vonnis te executeren. Tevens is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De gestelde materiële schade van NAf 20.698,96, bestaat uit:

a. een bedrag van NAf 350,- inzake ouderlijke bijdrage school voor de minderjarige zoon, genaamd [minderjarige 3], van slachtoffer [slachtoffer] voor het jaar 2017/2018 en 2018/2019;

b. een bedrag van NAf 17.549,- voor “child support” (kinderalimentatie) voor de minderjarige kinderen genaamd [minderjarige 4] en [minderjarige 3] van slachtoffer [slachtoffer];

c. een bedrag van NAf 632,96 kosten El Tributo;

d. een bedrag van NAf 2.167,- aan vliegtickets voor de twee minderjarige kinderen van slachtoffer [slachtoffer], genaamd [minderjarige 4] en [minderjarige 3].

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

De gevorderde materiële schade van de benadeelde partij bestaat uit de kosten van gederfd levensonderhoud, de kosten van lijkbezorging en de reiskosten die in verband daarmee zijn gemaakt. Deze kosten komen op grond van artikel 6:108 lid 1 en lid 2 Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Gelet op de inhoud van het strafdossier, de onderbouwing van de vordering door de benadeelde partij en het verhandelde ter terechtzitting, is voldoende komen vast te staan dat deze schade in zoverre rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Vergoeding van het gevorderde bedrag van NAf 20.698, 96 komt het Hof ook alleszins billijk voor. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

Het Hof zal niet de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging en derhalve niet wordt ‘veroordeeld’ als bedoeld in artikel 1:78 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AO3233).

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Benadeelde partij feit 2

De benadeelde partij [benadeeldepartij 2] (ouder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 22.928,72 (NAf 533,72 aan materiële schade en NAf 22.395,00 aan immateriële schade). De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeeldepartij 2] (ouder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]) als gevolg van verdachtes onder 2 en 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het Hof zal niet de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging en derhalve niet wordt ‘veroordeeld’ als bedoeld in artikel 1:78 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AO3233).

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:81, 1:82, 1:91, 1:92, 2:262, 2:275 en 2:334 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg en doet opnieuw recht;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart de verdachte niet strafbaar;

ontslaat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde van alle rechtsvervolging;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeeldepartij 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 20.698, 96 (zegge: twintig duizend zeshonderdachtennegentig gulden en zesennegentig cent) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juni 2017 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeeldepartij 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeeldepartij 2] (ouder [minderjarige1] en [minderjarige2]) geleden schade toe tot een bedrag van NAf 22.928,72 (zegge: tweeëntwintig duizend negenhonderdachtentwintig gulden en tweeënzeventig cent) (bestaande uit een bedrag van NAf 533,72 (zegge: vijfhonderddrieëndertig gulden en tweeënzeventig cent) aan materiële schade en een bedrag van NAf 22.395,00 (zegge: tweeëntwintig duizend driehonderdvijfennegentig gulden) aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juni 2017 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeeldepartij 2] (ouder [minderjarige1] en [minderjarige2]) gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Radder, M.C.B. Hubben en S.A. Carmelia, leden van het Hof, bijgestaan door mr. L.M. Tjong-A-Tjoe, zittingsgriffier, en op 20 september 2018 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

uitspraakgriffier:

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in de processen-verbaal van het Korps Politie Curaçao, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “[onderzoeksnaam]”.