Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:191

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
12-03-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
P-2013/12775 H 130/2017
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

brandstichting bewijsuitsluiting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H 130/2017

Parketnummer: P-2013/12775

Uitspraak: 12 maart 2018 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 20 april 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres ].

Hoger beroep

Het gerecht in eerste aanleg heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het ten laste gelegde feit veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest naar de maatstaf van 2 uren per dag.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. W.V. Gerretschen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. J.F.M. Zara, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Door en namens de verdachte is vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 maart 2012 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een restaurant, te weten [naam restaurant], gelgen op [adres 1]te [naam buurt], immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid benzine, althans brandbare vloeistof in bedoelde reataurant gegoten en/of (vervolgens) die vloeistof tot ontbranding gebracht en/of laten komen met een aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor onder meer stoelen en/of borden en/of pannen en/of ligbedden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was; (artikel 2:98 sub a jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht).

Bewezenverklaring

Het hof acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 10 maart 2012 in Aruba, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een restaurant, te weten [naam restaurant], gelegen op [adres 1]te [naam buurt], immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid benzine, althans brandbare vloeistof in bedoelde restaurant gegoten en/of (vervolgens) die vloeistof tot ontbranding gebracht en/of laten komen met een aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor onder meer stoelen en/of borden en/of pannen en/of ligbedden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

1. Processen-verbaal, bijlage 1, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 12 maart 2012 gesloten en getekend door [brigadier 1], brigadier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, ingedeeld bij de Districtrecherche Sint Nicolaas, voor zover inhoudende, als verklaringen van de aangeefster [aangeefster], zakelijk weergegeven-:

Eergisteren omstreeks 00:00 uur, werd ik door mijn broer genaamd [broer aangeefster] gebeld. [broer aangeefster] gaf mij te kennen dat onbekenden mijn zaak “[naam restaurant]” in brand hebben gestoken. In verband daarmee ben ik samen met [vriend aangeefster] naar [adres 1] gegaan. Ik zag dat mijn zaak bijna helemaal verbrand was.

2. Een geschrift, te weten een brief met eigen verklaring van [docent] betreffende afwezigheid van [verdachte] d.d. 25 oktober 2012 (bijlage 4 algemeen proces-verbaal), voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Pa medio di e carta aki, ami [DOCENT], naci [geboortedatum], [geboortejaar], bibando na [adres 2] y docente na Ibero American High School desde 2006, ta informa boso cu [verdachte] ex-alumno di mi school tabata ausente pa algun siman (mas o menos 3 siman) den luna di maart. Na su regreso bek na school, mi por a nota cu [verdachte] tabata tin pa algun dia un lenso bisti na su gargan (naar het hof begrijpt: garganta).

3. Een proces-verbaal, Iurisnummer KLR-I-2012058539 (bijlage 6), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 5 december 2012 gesloten en getekend door [brigadier 2], brigadier-rechercheur van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland, afdeling Centrale Recherche, belast met de afhandeling van internationale Rechtshulpverzoeken van het IRC Noordwest en Midden Nederland, voor zover inhoudende, als relaas van die verbalisant, -zakelijk weergegeven-:

Op 29 november 2012 ontving ik een international rechtshulpverzoek afkomstig van de Arubaanse autoriteiten met Kenmerk RHV012/080, gedateerd op 26 november 2012 in verband met een onderzoek betreffende een misdrijf, in dit onderzoek is een getuige genaamd: [getuige 1]. Uit het onderzoek is gebleken dat de getuige kennis draagt van de identiteit van de verdachten van een brandstichting in de maand maart van een horeca-gelegenheid met de naam “[naam restaurant]” gelegen aan “[adres 1]” te Aruba.

[eigenaresse restaurant] is de eigenaresse van “[naam restaurant]”. Zij heeft een dochter genaamd [aangeefster]. [aangeefster] had ruzie met haar nichtje [nicht aangeefster]. [nicht aangeefster] en haar broer [verdachte] hebben toen besloten de zaak van de moeder van [aangeefster] in de brand te steken. Hierbij hebben ze ook mijn broer [broer getuige1] betrokken. Ik heb dit verhaal van [nicht aangeefster] en [verdachte] gehoord. Ik was namelijk bij hen woonachtig. [nicht aangeefster] deed het voorstel aan [verdachte] en [broer getuige1] dat zij 100 florin zouden krijgen als zij “[naam restaurant]” in brand zouden steken. Die bewuste nacht aan het einde van de avond gingen [nicht aangeefster], [verdachte] en [broer getuige1] op pad met een zwarte auto. Ze namen een rode jerrycan met vermoedelijk benzine mee en een rode nitraatbom. Ik zag ze de volgende dag pas weer. Ik zag toen dat een gedeelte van beide oren van mijn broer was verbrand en dat ook zijn wenkbrauwen iets waren verbrand. Zijn wimpers waren helemaal kort. [verdachte] had oppervlakkige brandwonden op zijn hele gezicht en een van zijn ogen was helemaal opgezwollen. Ook had hij kortere wimpers. Mij is toen door alle drie het volgende verhaal verteld. [verdachte] en [broer getuige1] zouden in het restaurant zijn geweest. Zij zouden een deur hebben ingetrapt. Toen hebben ze aan de binnenkant de benzine overal uitgegoten en vervolgens zou [verdachte] de nitraatbom naar binnen hebben gegooid.

4. Een proces-verbaal, proces-verbaalnummer PL300-2015026358-3 (bijage 29), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 5 februari 2014 te 14:00 uur gesloten en getekend door [brigadier 3] (AML12901) en [brigadier 4] (AML16375), brigadiers van Politie Eenheid Amsterdam, voor zover inhoudende, als verklaringen van [broer getuige1], -zakelijk weergegeven-:

Het was 3 jaar geleden. Ik was op Aruba. Ik verbleef bij mijn nicht [nicht aangeefster] en neef [verdachte] en tante [tante getuige1]. Er was een ruzie tussen mijn nicht en mijn andere nicht. Ik stapte met mijn neef en nicht in de auto, een zwarte auto met zwarte glazen. Het was met een rode jerrycan gebeurd. Het was in de avond, late uren in de nacht, 2 uur of 3 uur. [nicht aangeefster] zat achter het stuur. Ik zat achter. [verdachte] zat naast de bestuurder. We gingen naar de benzinepomp, [naam buurt]. De jerrycans hadden ze al in de auto. Mijn nichtje ging de jerrycan vullen. Ze geven mij iets te eten. Ze lieten de jerrycan weer in de achterbak. We waren op het pad vlakbij [naam restaurant]. Ze liepen om het gebouw heen via de kant van de zee. Ik ben uitgestapt en keek. Ik zag dat mijn neef de jerrycan ging gooien. Mijn neef had het opengebroken en gooit het erin. Hij gooide het met de ene hand en stak het met zijn andere hand aan. Mijn nicht stond erachter. Het slot van de deur was verbroken. Het was een houten deur met een klein slot. Ik zag dat de deur open was. Ik zag dat mijn neef de benzine strooide. Ik zag de gaspijpen, of gasflessen. De kleur van de gaspijpen was grijs. Hij stak het aan met een aansteker. Toen hij het aanstak ging het in de brand, mijn neef schreeuwde en mijn nicht ook. Het was een grote vlam. Mijn neef zei dat we moesten rennen. Ik voelde mijn gezicht een beetje branden. Mijn neef voelde ook dat er brand op zijn gezicht kwam. Ik zat in de spiegel te kijken naar de brandwonden. Ik heb behalve de snicker, geen geld ervoor gekregen. Ik heb later die 100 florin gekregen. Mijn rol was om in de auto te stappen. Ik was gekomen toen de deur al open was. Als ik het goed heb, is het met een hamer gebeurd. Ik zag een hamer in de auto. Mijn nicht pakte later een hamer uit de auto, toen wij wegliepen, deze lag naast de bestuurdersstoel in de auto.

[verdachte] had een sjaal voor zijn gezicht voor zijn moeder zodat zij het niet zag. ging ook met de sjaal om zijn hoofd naar school zodat de meester dit niet kon zien.

Bewijs(middel)overwegingen

Naar aanleiding van het betoog van de verdediging en naar aanleiding van het getuigenverhoor ter terechtzitting in hoger beroep overweegt het hof als volgt.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat sprake is van (een) normschending(en) als bedoeld in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering van Aruba(Sv) die tot bewijsuitsluiting zou(den) moeten leiden overweegt het hof als volgt. Van de verdediging mag worden verlangd dat aan de hand van de beoordelingsfactoren genoemd in dit artikel – het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt en de mate van verwijtbaarheid van de degene die de norm schond – duidelijk wordt gemotiveerd waarom een vermeende normschending tot het zwaarste rechtsgevolg dient te leiden. Aan dit vereiste heeft de verdediging niet voldaan. Daarom kunnen al deze verweren worden gepasseerd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de getuige [broer getuige1] ten overstaan van het hof verklaard dat hij voorafgaand aan het afleggen van zijn verklaring op 5 febuari 2014 door zijn tante en nicht is geïnstrueerd over de inhoud daarvan en dat hij in ruil voor die af te leggen verklaring van hen kleren en sigaretten cadeau heeft gekregen. Deze voor de verdachte en de medeverdachte belastende verklaring is niet in overeenstemming met de waarheid, aldus de getuige, die ter terechtzitting heeft verklaard zeker te weten dat de verdachte en de medeverdachte niets te maken hebben met de hen tenlastegelegde brandstichting. Het hof schuift deze laatste verklaring van de getuige als ongeloofwaardig terzijde, nu de getuige na vier jaar tijdens de behandeling in hoger beroep eerst terugkomt op deze verklaring en daarvoor op herhaalde vragen geen aannemelijke verklaring kan geven. Voorts acht het hof de verklaring die hij eerder op 5 februari 2014 heeft afgelegd betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, nu deze verklaring zeer gedetailleerd is en niet alleen steun vindt in de verklaring van [getuige 1] (het op pad gaan met een zwarte auto, het meenemen van een rode jerrycan, het open breken van een deur, de brandwonden in verdachtes gezicht en dat van zijn neef) maar ook in de verklaring van de docent [docent] (het bedekken van de keel van zijn neef met een sjaal).

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 163 juncto artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba (oud). Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Op 15 februari 2014 is een nieuw Wetboek van Strafrecht van Aruba in werking getreden. Het bewezenverklaarde feit dateert van voor die tijd. In verband daarmee overweegt het Hof als volgt. Gelet op de bedreiging met twaalf jaar gevangenisstraf in artikel 163 van het Wetboek van Strafrecht (oud) moet artikel 2:98 van het (huidige) Wetboek van Strafrecht van Aruba worden beschouwd als de voor de verdachte gunstigste bepaling, nu daarin als maximale straf is opgenomen een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaar of een geldboete van de vijfde categorie. Voorts kan ten aanzien van de verdachte volgens het huidige Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht worden toegepast. Om die reden zal het Hof voor de bepaling van de straf laatstgenoemd artikel en de bepalingen betreffende het jeugdstrafrecht toepassen in verband met het bewezenverklaarde feit.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt verder gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich samen met een mededader schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in een restaurant. Dit is een ernstig en gevaarlijk feit. De materiële schade is groot doordat het restaurant volledig is afgebrand. Een feit als het onderhavige is in hoge mate gevaarzettend en brengt gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg, terwijl doorgaans ook grote (financiële) schade wordt veroorzaakt.

Ten voordele van de verdachte weegt mee dat hij niet eerder is veroordeeld terzake van strafbare feiten. Voorts houdt het hof in zijn voordeel rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte en het aanzienlijke tijdsverloop sinds het delict.

Het hof is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat de door de eerste rechter opgelegde straf passend en geboden moet worden geacht en zal de verdachte daar ook toe veroordelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is behalve op de reeds aangehaalde artikelen mede gegrond op de artikelen 1:62, 1:123, 1:138, 1:163, 1:165, 1:169, 1:170, 1:180, 1:181 en 1:182 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis van het gerecht in eerste aanleg en doet opnieuw recht;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de 3 (drie) maanden;

bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per in verzekering doorgebrachte dag, te weten een aftrek van 20 uren taakstraf, subsidiair een aftrek van 10 dagen vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.C.B. Hubben, E.A. Saleh en H.J. Fehmers, leden van het hof, bijgestaan door mr. C. Bernsen, zittingsgriffier, en vervolgens op 12 maart 2018 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het hof in Aruba.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

uitspraakgriffier: