Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:188

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-11-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
SXM201600529 - SXM2016H00029
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

legaat van in Nederlandse deel gelezen huis aan niet-erfgenaam; voorziening in afwachting van oordeel Franse bodemrechter over de vraag of de erfgenamen het huis ter uitvoering van legaat moeten leveren of niet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie Erfrecht 2018/452
Jurisprudentie Erfrecht 2021/452
JERF Actueel 2018/452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:

Registratienummers: KG 56/16 - ghis 81376 - H 359/16

SXM201600529 - SXM2016H00029

Uitspraak: 16 november 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in kort geding in de zaak van:

1. [APPELLANTES sub 1],

2. [APPELLANTES sub 2],

3. [APPELLANTES sub 3],

wonende in het Franse deel van Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie,

thans appellantes,

gemachtigde: mr. B. Brooks,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

met gekozen domicilie in Sint Maarten,

oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G. Snow.

De partijen worden hierna [appellantes] c.s. en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1

het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 17 november 2017, waarbij het de zaak heeft verwezen naar de rol voor gelijktijdig te nemen akte.

1.2

Op de rol van 2 februari 2018 hebben partijen ieder een akte genomen waaraan producties zij gehecht.

1.3

Vervolgens hebben zij ieder een antwoordakte genomen.

1.4

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Zoals in het tussenvonnis (rov. 2.1) is overwogen wordt in hoger beroep het volgende tot uitgangspunt genomen.

2.1.1

Op 26 mei 2014 is [naam erflater] (hierna: de erflater) overleden in Havana, Cuba. De erflater was als notaris verbonden aan een notariskantoor op het Franse deel van Sint Maarten. Hij was gehuwd en had vier dochters, onder wie [appellantes] c.s. [geïntimeerde] was gedurende lange tijd de levensgezellin van de erflater.

2.1.2

Op 24 maart 2014 heeft de erflater een Franstalig handgeschreven testament opgemaakt, waarin onder meer is vermeld dat hij zijn huis te

[adres] Hill in Sint Maarten (hierna: de villa) legateert aan [geïntimeerde].

2.1.3

Op 24 november 2015 heeft D. Prat, notaris te Beauville, Frankrijk, een "attestation" uitgebracht, waarin onder meer is vermeld:

"Il a été établi une déclaration de succession par [[naam]], agissant en qualitè d'héritière. Ladite déclaration déposée au Service Fiscaux.

De ce document, il résulte que: le legs effectué par [erflater], au profit de [[geïntimeerde]], et portant notamment sur une maison d'habitation [adres] Hill, partie Hollandaise de Saint Martin ne peut pas s'exercer, et doit être réduit."

2.1.4

Op een formulier getiteld "déclaration de succession" betreffende de erflater heeft de Belastingdienst van het Franse deel van Sint Maarten een stempel geplaatst met de datum 25 november 2015 en een aantekening aangebracht dat op 14 december 2015 € 186.749 aan "droits" is ontvangen.

Dit is betaald door [appellantes] c.s.

2.1.5

Op 18 december 2015 heeft notaris Prat een tweede "attestation" uitgebracht, waarin opnieuw wordt verwezen naar een "déclaration de succession" en waarin onder meer is vermeld:

"De ce document, il résulte que l'ensemble des legs effectués par [erflater] ne peuvent être réalisés. La quotité disponible étant épuisée."

2.1.6

Bij notariële akte van 12 februari 2016, gepasseerd door M.F. Mingo, notaris in het Nederlandse deel van Sint Maarten, en ingeschreven op

19 februari 2016, is de woning overgedragen aan [appellantes] c.s. en aan de vierde dochter van de erflater, elk voor 1/4 gedeelte. De akte verwijst naar een "attestation of inheritance" van 11 september 2015, uitgebracht door het notariskantoor waaraan de erflater verbonden was.

2.1.7

In maart 2016 hebben [appellantes] c.s. de villa in bezit genomen. In de villa (op de benedenverdieping) bevindt zich een appartement. Na maart 2016 is [geïntimeerde] (op enigerlei wijze) gebruik blijven maken van het appartement.

2.1.8

Bij exploot van 18 april 2016 heeft [geïntimeerde] (onder meer) [appellantes] c.s. voor de rechter te Basse Terre gedagvaard en met een beroep op het testament van 24 maart 2014 (onder meer) gevorderd dat bevolen wordt dat de villa aan haar wordt overgedragen.

2.2

In dit kort geding heeft [geïntimeerde], verkort weergegeven, een bevel gevorderd dat [appellantes] c.s. de villa ontruimen en niet zullen terugkeren voordat in de procedure voor de Franse rechter is beslist over de verdeling van de nalatenschap van de erflater. In reconventie hebben [appellantes] c.s. een bevel gevorderd, verkort weergegeven, dat [geïntimeerde] het appartement ontruimt.

Het GEA heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en die van [appellantes] c.s. afgewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht.

2.3

In het tussenvonnis heeft het Hof (in rov. 2.3) overwogen dat het kennis wenst te nemen van de volgende stukken:

a. de volledige "attestation of inheritance" van 11 september 2015, waarnaar verwezen wordt in de akte van 12 februari 2016 van M.F. Mingo en, voor zover dat niet hetzelfde stuk is, de volledige "déclaration de succession" waarnaar verwezen wordt in de "attestations" van notaris Prat;

b. alle gedingstukken die zijn ingediend in de zaak voor de rechter te Basse Terre, inclusief eventuele door die rechter genomen beslissingen (volgens de pleitnotities van [geïntimeerde] werd een uitspraak verwacht in maart 2017).

2.4

Bij haar akte van 2 februari 2018 heeft [geïntimeerde], zonder nadere toelichting, de attestation van notaris Prat van 11 september 2015, alsook die van 18 december 2015 overgelegd, evenals de ook van Prat afkomstige "déclaration de succession" van 24 november 2015. Voorts heeft [geïntimeerde], ingevolge het verzoek onder 2.3 b, overgelegd een uitspraak van de Tribunal de Grande Instance de Basse-Terre (hierna: de Tribunal) van 4 mei 2017 plus een gedingstuk zijdens [geïntimeerde] getiteld "Conclusions responsives et recapitulatives" gedateerd 4 september 2017 dat kennelijk was bestemd voor de (rol)zitting van de Tribunal van 17 september 2017.

2.5

Bij die uitspraak van 4 mei 2017 heeft de Tribunal de zaak heropend om [appellantes] c.s. in staat te stellen alle nuttige documenten met betrekking tot de liquidatie en verdeling van de nalatenschap te produceren, zoals een inventaris, vereffeningstaat en een verdelingsakte, en een debat daarover mogelijk te maken. Daartoe heeft de Tribunal onder meer overwogen dat de "déclaration de succession" van 24 november 2015 slechts een fiscaal doel heeft en dat notaris Prat blijkens de door haar gebruikte bewoordingen niet zelf de afwezigheid van een beschikbaar quotiënt heeft vastgesteld, zodat deze verklaring niet voldoende is om - kort gezegd - de samenstelling van de nalatenschap vast te stellen, zoals nodig is om op de door [geïntimeerde] ingestelde vordering tot levering van het legaat te beslissen. De Tribunal heeft de zaak verwezen naar de zitting van 6 juli 2017 met bevel aan [appellantes] c.s. om de genoemde stukken vóór die datum in te dienen.

2.6

In haar in rov. 2.4 genoemde gedingstuk concludeert [geïntimeerde] kort samengevat dat ook de door [appellantes] c.s. ingediende nadere stukken niet voldoen en verzoekt zij de Tribunal om vast te stellen dat [geïntimeerde] ingevolge het testament van erflater de villa en een som van US$ 200.000,00 heeft ontvangen en te bepalen dat deze goederen aan [geïntimeerde] worden geleverd.

2.7

Bij hun akte van 2 februari 2018 hebben [appellantes] c.s. onder meer een concept overgelegd van een stuk getiteld “Delivrance de legs par les héritiers de Mr [naam erflater] [appellantes] à Mme [geïntimeerde]”, opgesteld door de notaris Ricour-Brunier, te Gustavia, St Barths. In dit stuk wordt, onder verwijzing naar het saldo van de nalatenschap, geconcludeerd dat afgifte van het legaat (dat naast de villa ook nog een ring, enkele schilderijen en een bedrag in contanten omvat en een waarde vertegenwoordigt van € 1.187.868,00) gelet op de legitieme portie van [appellantes] c.s. niet mogelijk is en dat [geïntimeerde] de keuze heeft tussen levering van de zaken tegen betaling van een bedrag van
€ 1.101.821,00 of ontvangst van de netto waarde van het legaat ad € 86.046,00. [appellantes] c.s. merken naar aanleiding van dat stuk op dat zij niet verwachten dat [geïntimeerde] de vereiste inbreng (nog te vermeerderen met de aan de villa verbonden kosten) zal kunnen opbrengen en dat dat dus geen afgifte van de gelegateerde villa zal plaatsvinden.

2.8

In hun antwoordakte hebben [appellantes] c.s. daaraan nog toegevoegd dat de inventarisatie van de nalatenschap inmiddels is afgerond en tezamen met het concept “Delivrance” van notaris Ricour-Brunier bij de Tribunal is ingediend, waarna de zaak op de rol van 12 april 2018 is geplaatst voor een reactie zijdens [geïntimeerde]. Volgens [appellantes] c.s. is een reactie echter uitgebleven en hebben zij de Tribunal verzocht om uitspraak te doen.

2.9

In de antwoordakte van [geïntimeerde] is niet meer vermeld dan dat anders dan [appellantes] c.s. suggereren het nog helemaal niet duidelijk is wat uiteindelijk zal geschieden in deze zaak en dat er bijvoorbeeld ook nog geen (eind)vonnis is gewezen in de procedure die te Basse-Terre wordt gevoerd met betrekking tot de nalatenschap.

2.10

Op basis van die (nadere) informatie beslist het Hof thans als volgt.

2.11

Uit de nader overgelegde stukken blijkt dat dat de rechter te Basse-Terre zich bevoegd acht om over de zaak te oordelen en van oordeel is dat Frans recht van toepassing is op de verdeling van de nalatenschap of in elk geval de afgifte en inkorting van het legaat van [geïntimeerde].

2.12

Gelet op de thans in dit kort geding beschikbare stukken is voorshands niet aannemelijk dat de villa aan [geïntimeerde] zal worden toegewezen. Bij die inschatting weegt zwaar dat [geïntimeerde] geen enkele inhoudelijke reactie heeft gegeven op het conceptstuk van de notaris Ricour-Brunier, zoals zij dat eerder wel had gedaan bij de verklaringen van notaris Prat. Het Hof zal er derhalve in dit kort geding van hebben uit te gaan dat dit stuk, in elke geval in grote lijnen, een accurate beschrijving geeft van de omvang van de nalatenschap en van de gevolgen die de boedelomvang heeft voor het legaat aan [geïntimeerde]. Voorts zal het er bij gebrek aan enig weerwoord, voor moeten gehouden dat niet valt te verwachten dat [geïntimeerde] de villa tegen inbreng van de overwaarde zal weten te verwerven. Tot slot heeft, wat betreft het verloop van de procedure te Basse-Terre te gelden dat [geïntimeerde] weliswaar niet heeft kunnen reageren op wat [appellantes] c.s. daaromtrent in hun tweede akte hebben aangevoerd (zodat in zoverre niet kan worden uitgegaan van de juistheid van hun betoog), maar dat zij harerzijds geen enkele informatie over het verdere verloop heeft gegeven. Zij heeft bijvoorbeeld niet gesteld dat [appellantes] c.s., anders dan zij hebben aangekondigd onder 6 van hun eerste akte, het concept van Ricour-Brunier niet op de zitting van 1 maart 2018 in het geding hebben gebracht. Ook overigens heeft [geïntimeerde] niets gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de Tribunal de ingediende stukken heeft geweigerd of ontoereikend heeft bevonden of anderszins een beslissing heeft gegeven die de mogelijkheid tot toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] openhoudt.

2.13

Bij die stand van zaken, en in aanmerking genomen dat zoals ook de Tribunal heeft overwogen ingevolge artikel 1014 Code Civil de legataris na zijn verzoek tot afgifte de zaak niet zelf in bezit mag nemen noch de vruchten mag opeisen, acht Hof het het meest aangewezen dat de villa in afwachting van de beslissing van de rechter te Basse-Terre weer in de macht van [appellantes] c.s. als erfgenamen komt. Dat [geïntimeerde] de villa of het appartement dringend nodig heeft voor haar eigen woonbehoefte is onvoldoende gebleken en een eventuele aanspraak op (misgelopen) vruchten kan [geïntimeerde] tegenover de boedel proberen geldend maken in het (vooralsnog onaannemelijke) geval zij toch de rechthebbende op de villa zou worden. Dit betekent dat de vordering in conventie alsnog moet worden afgewezen en dat de vordering in reconventie zal worden gehonoreerd.

2.14

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd om op zojuist genoemde wijze te beslissen. In eerste aanleg zal [geïntimeerde] in zowel conventie als in reconventie in de kosten worden veroordeeld, waarbij de kosten in laatstgenoemde procedure wegens de overlap met de conventie zullen worden bepaald op nihil. Ook in hoger beroep zal [geïntimeerde] in de kosten worden verwezen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 17 juni 2016, zoals aangevuld bij vonnis van 14 juli 2016, en doet opnieuw recht:

in conventie:

wijst de vordering van [geïntimeerde]s alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in conventie, aan de zijde van [appellantes] c.s. gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NAf 2.500,00 voor salaris van de gemachtigde;

in reconventie:

beveelt [geïntimeerde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de villa en het appartement aan de [adres], met alle daar harerzijds aanwezig goederen en personen, te ontruimen en, met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [appellantes] c.s. te stellen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie, begroot op nihil;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [appellantes] c.s. gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op NAf 900,00 aan verschotten en NAf 6.000,00 voor salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 16 november 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.