Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:16

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
LARAUA2017H00001
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jurisprudentiewijziging. Het ne bis-beoordelingskader wordt verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

LARAUA2017H00001

Datum uitspraak: 17 januari 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Stichting Middelbaar Onderwijs, gevestigd in Aruba,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 23 januari 2017 in zaak nr. Lar 1719 van 2016, in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Onderwijs, Gezinsbeleid en Volwasseneducatie.

Procesverloop

Bij beschikking van 14 oktober 2014 heeft de minister een verzoek van appellante van 22 oktober 2013 om haar subsidie te verlenen voor de bekostiging van een uit Nederland uitgezonden docent Nederlands voor Colegio Arubano gedurende de periode van 3 januari 2013 tot 1 maart 2013 (hierna: de uitzending), afgewezen.

Bij beschikking van 6 juni 2016 heeft de minister het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2017 heeft het Gerecht het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2017, waar appellante, bijgestaan door mr. E.R. Zeppenfeldt, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.O. Senchi, werkzaam bij Directie Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.

Overwegingen

1.

Het Gerecht heeft onder verwijzing naar zijn uitspraak van 14 maart 2016 in zaak nr. LAR 718/2015 overwogen dat appellante de minister eerder bij brief van 14 juni 2013 heeft verzocht subsidie voor de uitzending te verlenen en deze aanvraag bij beschikking van 14 juli 2013 is afgewezen. Appellante heeft tegen deze afwijzing geen rechtsmiddelen ingesteld. Het verzoek van 22 oktober 2013 is een verzoek om terug te komen van de in rechte onaantastbare beschikking van 14 juli 2013. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Hof (onder meer de uitspraak van 14 december 2012, ECLI:NL:OGHACMB:2012:BY7677) heeft het Gerecht voorts overwogen dat niet kan worden aanvaard dat een op een dergelijk verzoek genomen en in bezwaar gehandhaafde beschikking door de bestuursrechter wordt getoetst als betrof het de eerste beschikking. Slechts indien en voor zover aan het verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbare beschikking nieuwe feiten en veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, dan wel zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de op dit verzoek genomen beschikking, de motivering ervan en de wijze waarop zij tot stand is gekomen, door de bestuursrechter worden getoetst. Het Gerecht heeft overwogen dat appellante aan het verzoek van 22 oktober 2013 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd en de minister terecht geen grond heeft gezien om terug te komen van de in rechte onaantastbare beschikking van 14 juli 2013.

Wijziging ne bis in idem-rechtspraak

2.

Het Hof ziet aanleiding om in aansluiting bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131), de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (zie de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:190) zijn rechtspraak over herhaalde aanvragen en verzoeken om terug te komen van beschikkingen aan te passen. Dit betekent dat de bestuursrechter voortaan elke beschikking op een opvolgende aanvraag waarbij de aanvraag niet wordt ingewilligd, dan wel waarbij een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbare beschikking is afgewezen, toetst in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.

2.1.

Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beschikking in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een beschikking. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.

2.2.

Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een beschikking op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit de oorspronkelijke beschikking op die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of een rechtzoekende nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd.

2.3.

Deze nieuwe jurisprudentie wordt met onmiddellijke ingang toegepast, omdat deze – zeker in twee-partijengeschillen – begunstigend kan zijn voor rechtzoekenden. Zij geldt voor iedere zaak, ongeacht de stand waarin de procedure over een beschikking op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een beschikking zich bevindt. Dit kan er in bepaalde gevallen toe leiden dat een uitspraak van een Gerecht die is gedaan voor deze uitspraak en waarin het Gerecht toepassing heeft gegeven aan de tot aan deze uitspraak vaste jurisprudentie wordt vernietigd. Hiertoe bestaat geen reden als de toepassing van de nieuwe jurisprudentie tot dezelfde uitkomst leidt, namelijk dat de beschikking van het bestuursorgaan waarbij de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een eerdere beschikking is afgewezen, in stand blijft.


Toepassing van de nieuwe rechtspraak op dit geding

3.

Het verzoek is bij beschikking van 14 oktober 2014 op inhoudelijke gronden afgewezen. De afwijzing is bij beschikking van 6 juni 2016 op inhoudelijke gronden gehandhaafd.

4.

Appellante betoogt dat door een senior policy advisor van de minister bij e-mailbericht van 21 oktober 2013 aan haar is bericht dat zij zo snel mogelijk een verzoek moest indienen voor extra subsidie, de minister dit verzoek voor akkoord zou ondertekenen en dan zou worden overgegaan tot betaling. Op 29 oktober 2013 heeft de minister het verzoek van 22 oktober 2013 ondertekend. Voorts volgt uit een e-mailbericht van 18 november 2014 van de senior policy advisor dat de minister de uitzending heeft goedgekeurd. De procedure op grond van de regeling inzake uit- en terugzendingsvoorzieningen ten behoeve van uit Nederland uitgezonden of gedetacheerde leerkrachten, geldig met ingang van het schooljaar 2001/2002 (hierna: de regeling), is niet gevolgd omdat in dit bijzondere geval meer docenten tegelijkertijd arbeidsongeschikt waren en een spoedgeval was ontstaan waarin de regeling niet voorziet en die noopt tot het maken van een uitzondering. De minister heeft hiermee ingestemd en de weigering om de kosten van de uitzending te vergoeden is in strijd met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus appellanten.

4.1.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan concrete, ondubbelzinnige aan dat orgaan toe te rekenen toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Hiervan kan ook sprake zijn indien deze toezeggingen zijn gedaan door een persoon waarvan de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat deze de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1946). Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Uit de e‑mailberichten van de senior policy advisor volgt duidelijk dat niet hij, maar de minister het bevoegde orgaan is om op het verzoek te beslissen. Dat de senior policy advisor aan appellante heeft meegedeeld dat de minister het verzoek intern heeft goedgekeurd, brengt, nu appellante wist dat de minister het bevoegde orgaan is en deze mededeling niet van de minister afkomstig was, niet met zich dat appellante daaraan de rechtens te honoreren verwachting kon ontlenen dat het verzoek zou worden ingewilligd. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is derhalve geen sprake.
Het rechtzekerheidsbeginsel, onder meer inhoudende dat het geldende recht moet worden toegepast, is evenmin geschonden, reeds omdat appellante de regeling niet heeft gevolgd en zij er daarom niet zonder meer van kon uitgaan dat haar verzoek zou worden ingewilligd.
Het betoog faalt

5.

Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Wever, griffier.

w.g. Saleh

voorzitter

w.g. Wever

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2018

Verzonden: 17 januari 2018

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,