Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:155

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-01-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
H 26/2017
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontucht met minderjarige tijdens haar 13e tot 15e levensjaar. 1. Minderjarige vond een vervolging van de verdachte niet wenselijk, maar dat staat daaraan niet in de weg. Het klachtvereiste is met de invoering van het huidige Wetboek van Strafrecht afgeschaft. 2. Geen (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door het Gerecht in eerste aanleg opgelegd en door de procureur-generaal gevorderd. Gelet op de specifieke omstandigheden van het geval een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H 26/2017

Parketnummer: 100.00020/17

Uitspraak: 4 januari 2018 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 26 april 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam van de verdachte],

geboren op [een datum in het jaar] 1968 in de Dominicaanse Republiek,

wonende in Sint Maarten, [adres],

volgens eigen opgave verblijvende aan [adres].

Hoger beroep

Het gerecht in eerste aanleg heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een contactverbod.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. J. Spaans, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. G. Hatzmann, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. De procureur-generaal heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarde gevorderd.

De raadsman heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en subsidiair dat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. In meer subsidiaire zin heeft hij een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de redengeving waarop dit berust, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de bijbehorende strafmotivering; in verband daarmee zullen ook de toepasselijke wettelijke voorschriften worden vervangen. Voorts zal het hof ingaan op de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de vervolging van de verdachte niet opportuun is, omdat tussen de verdachte en de minderjarige [A] een liefdesrelatie is ontstaan waaruit ook een kind is geboren. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verdachte [A] van haar alcohol- en drugsproblemen heeft afgeholpen. Volgens de raadsman is de vervolging van de verdachte noch in het belang van [A] noch in dat van hun kind. [A] wil ook niet dat de verdachte wordt vervolgd. Die wens had moeten worden gerespecteerd, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt

De aanleiding voor het politieonderzoek is een aangifte van ontucht door de voogd van [A], mw. [B]. [A] was ten tijde van de aangifte maar net 15 jaar oud en vier of vijf maanden zwanger door seksueel contact met een man (naar later is gebleken: de verdachte), die op dat moment 48 jaar oud was. Die omstandigheden leveren een stevige verdenking op van overtreding van artikel 2:200, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De politie heeft [A] – overeenkomstig het tweede lid van dat artikel – in de gelegenheid gesteld haar mening te geven over de wenselijkheid van een vervolging voor dat feit. Nadat zij in eerste instantie niets wilde verklaren, verklaarde zij een aantal maanden later dat ‘zij niet wil dat iets met [de verdachte] (hof: [de verdachte]) zou gebeuren’ en dat ‘[de verdachte] voor haar en de baby zorgt’. Daaruit kan worden opgemaakt dat [A] een vervolging van de verdachte niet wenselijk vond. Daargelaten dat zij de redenen daarvoor niet duidelijk naar voren heeft gebracht – daaraan zou bijvoorbeeld ook een financieel motief ten grondslag kunnen liggen –, merkt het hof op dat instemming van de minderjarige geen vereiste is voor vervolging. De wetgever heeft weloverwogen het klachtvereiste, dat in artikel 251 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen voorkwam, afgeschaft. In plaats daarvan is een hoorrecht ingevoerd. Het gaat erom dat de minderjarige wordt gehoord over de wenselijkheid van de vervolging en aan dat vereiste is voldaan.

Het hof is met het gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal van oordeel dat er geen sprake is van een geval waarin geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn. Dat [A] kennelijk (mede) door verdachtes toedoen is gestopt met het gebruik van alcohol en verdovende middelen maakt dat niet anders. Dat klemt temeer nu [A] met haar zwangerschap aanvankelijk helemaal niet gelukkig was; zij wilde blijkens de verklaring van haar moeder eerst niet accepteren dat zij zwanger was en verklaarde zelf dat zij niet meer naar school ging omdat zij zich schaamde voor haar groeiende buik.

Het verweer wordt verworpen.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de vaste jurisprudentie rigide is en dat deze daarom zou moeten worden bijgesteld. In zijn visie is van ontucht geen sprake, omdat [A] nu eenmaal op oudere mannen valt en met de verdachte oprecht gelukkig is.

Dit verweer kan evenmin slagen. Het hof houdt vast aan de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Het gaat, zoals het gerecht in eerste aanleg terecht heeft overwogen, om de maatstaf of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard (vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4794). In deze zaak is dat onmiskenbaar niet het geval.

Oplegging van straffen

Bewezen is verklaard dat de verdachte zich in de periode van maart 2015 tot en met januari 2017 meerdere keren schuldig heeft gemaakt aan ontuchtige handelingen met een dertien- tot vijftienjarig meisje, waarbij die handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde neemt het hof het volgende in aanmerking. De verdachte heeft [A] op dertienjarige leeftijd ’s nachts op straat ontmoet en nog diezelfde nacht seks met haar gehad. Haar kennelijke instemming daarmee is niet relevant. Gelet op het leeftijdsverschil, de verdachte was destijds bijna 47 jaar, is het evident dat van een gelijkwaardige relatie geen sprake kon zijn geweest. De verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door lustgevoelens en is daarmee voorbij gegaan aan de – aan de strafbepaling ten grondslag liggende – gedachte van de wetgever dat jeugdigen onder de zestien jaar in hun persoonlijke en seksuele ontwikkeling dienen te worden beschermd.

De verdachte heeft vervolgens een affectieve en seksuele relatie met [A] opgebouwd, waaruit ook een kind is geboren. Ook nadat de verdachte haar werkelijke leeftijd te weten kwam, heeft hij de seksuele relatie met [A] laten voortduren. Verdachtes handelen heeft ertoe geleid dat [A] op vijftienjarige leeftijd moeder is geworden. Zodoende is haar verder een onbekommerde jeugd ontnomen. Het hof rekent dat de verdachte aan.

Het gedrag van de verdachte rechtvaardigt in beginsel een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof zal daartoe echter niet overgaan. Dat komt door de volgende omstandigheden. De verdachte, die niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, heeft de zorg voor zijn kind op geen enkel moment verwaarloosd, zelfs niet na het contactverbod dat door het gerecht in eerste aanleg was opgelegd. De verdachte heeft de relatie met [A] vanwege dat verbod beëindigd, maar is blijven voorzien in de zorg voor hun kind en tot op zekere hoogte ook voor [A]. De orkaan Irma heeft zowel aan de woning van de verdachte, als aan die van (de moeder van) [A] grote schade aangericht. De verdachte heeft een andere woning kunnen betrekken; het kind woont op dit moment bij hem zodat hij de primaire zorgdrager is. Het kind is dus behalve financieel ook overigens afhankelijk van de verdachte. Het hof weegt verder mee dat uit psychologisch onderzoek is gebleken dat de verdachte niet alleen weinig intelligent is, maar ook enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. Het hof neemt deze conclusie over en komt op grond daarvan tot het oordeel dat de feiten hem slechts in die verminderde mate kunnen worden toegerekend. De psycholoog schat de kans op recidive bij de verdachte gemiddeld, maar acht speciale behandeling of begeleiding niet nodig. De reclassering ziet geen gevaar voor recidive en adviseert een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met een werkstraf.

Het hof is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat in het geval van de verdachte kan worden volstaan met de combinatie van de maximale werkstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 1:11, 1:19, 1:20, 1:45, 1:46, 1:62, 1:136 en 2:200 Sr, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis van het gerecht in eerste aanleg ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. F.V.L.M. Wannyn, S.A. Carmelia en D. Radder, leden van het hof, bijgestaan door mr. A.P. Verhaegh, (zittings)griffier, en vervolgens op 4 januari 2018 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Sint Maarten.

uitspraakgriffier: