Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:152

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
Lar 277/2017
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vertrouwensbeginsel. Het uitvoeringsorgaan sociale ziektekostenverzekering heeft eiser jarenlang een pasje ten bewijze van verzekering tegen ziektekosten verstrekt en kan daarom thans niet zeggen dat eiser niet verzekerd is omdat zijn werkgever geen premies heeft betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Landsverordening administratieve rechtspraak

Uitspraak: 17 september 2018

Zaaknummer: Lar 277/2017

Uitspraaknr:

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

[eiser]

wonende op Sint Maarten,

eiser,

gemachtigde: mr. H.S. Kockx

en:

HET UITVOERINGSORGAAN SOCIALE ZIEKTEKOSTENVERZEKERING

verweerder,

gemachtigde: mr. B.G. Hofman.

1 Aanduiding bestreden beschikking

De beschikking van 23 mei 2017 waarin verweerder het bezwaarschrift van eiser van 15 november 2016 ongegrond verklaart.

2 Procesverloop

Bij landsbesluit van 29 september 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een FZOG-garantiekaart afgewezen. Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft op 13 juli 2017 een beroepschrift met bijlagen ingediend. Verweerder heeft op 19 oktober 2017 een verweerschrift ingediend.

Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 2018. Eiser en verweerder zijn bij hun gemachtigde voornoemd verschenen. De mondelinge behandeling is bij die gelegenheid aangehouden, waarbij aan partijen de nieuwe datum en tijd voor behandeling is aangezegd.

Bij emailbericht van 4 april 2018 heeft gemachtigde van eiser een aantal producties in het geding gebracht.

Bij brief van 26 april 2018 heeft gemachtigde namens verweerder antwoord gegeven op het door het Gerecht ter zitting van 27 februari 2018 gestelde vragen.

De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van 20 augustus 2018. Partijen zijn bij hun gemachtigde voornoemd verschenen.

Uitspraak is (nader) bepaald op heden.

3 Feiten en standpunten

3.1

De volgende feiten staan vast.

- eiser heeft tot aan de datum van zijn ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in maart 2008, gewerkt bij de Stichting Voortgezet Onderwijs B.E. (SVOBE).

- eiser is daarna als arbeidscontractant in dienst gebleven bij SVOBE tot 1 augustus 2016.

- eiser heeft een SZV-garantiekaart gehad tot aan 1 augustus 2016.

- eiser heeft op 10 augustus 2016 gevraagd om een garantiekaart Fonds Ziektekosten overheidsgepensioneerden (FZOG). Verweerder heeft op 29 september 2016, ontvangen door eiser op 24 oktober 2016, afwijzend op dat verzoek beslist.

3.2

Blijkens het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op de FZOG-garantiekaart. Verweerder baseert zich op artikel 6 van de Regeling tegemoetkoming ziektekosten overheidsgepensioneerden (hierna: Regeling FZOG). Verweerder stelt vast dat eiser, omdat hij op basis van een arbeidscontract bij de SVOBE was blijven werken, gelijkgestelde is in de zin van de Regeling vergoeding behandeling- en verplegingskosten overheidsdienaren. Daarmee bleef eiser overheidsdienaar in de zin van artikel 1 van de Regeling FZOG. Dit brengt met zich mee dat de werkgever van eiser FZOG-premies had moeten inhouden. Nu de werkgever dat niet heeft gedaan, komt eiser niet voor de garantiekaart in aanmerking. Het kan verweerder niet worden verweten dat de werkgever van eiser geen premies heeft betaald. Anders dan eiser kennelijk veronderstelt, kan niet op elk moment in het Fonds worden ingestapt zodra de premiebetaling weer wordt gestart.

Verweerder volgt niet het advies van de bezwaaradviescommissie om eiser de gelegenheid te geven om alsnog over de periode dat hij arbeidscontractant was de verschuldigde premies af te dragen, omdat verweerder er van uit gaat dat eiser niet tot betaling van dat bedrag in staat zal zijn.

3.3

Eiser kan zich met de beslissing van verweerder niet verenigen. Hij wijst er op dat artikel 6 van de Regeling FZOG geen weigeringsgrond geeft. Zoals uit het zesde lid van artikel 6 van de Regeling FZOG blijkt, is dit artikel bovendien niet op eiser van toepassing: hij was immers nog tot 1 augustus 2016 werknemer. Anders dan verweerder stelt heeft eiser geen afstand gedaan van zijn recht op FZOG. Eiser stelt, onder verwijzing naar artikel 8 van de Regeling FZOG, dat er recht bestaat op een tegemoetkoming in de periode waarin premies zijn afgedragen. Eiser meent daarom –kortweg- dat hij tot het Fonds kan worden toegelaten en premies kan gaan betalen, ook al zijn er in het verleden geen premies afgedragen.

4 Beoordeling

4.1

Het beroepschrift van eiser, gedateerd 13 juli 2017, is ingediend bij het Gerecht op diezelfde datum. Dit blijkt uit het door een griffiemedewerker op het beroepschrift geplaatste en geparafeerde datum. In een brief van het Gerecht van 20 juli 2017 aan verweerder is abusievelijk vermeld dat eiser een beroepschrift heeft ingediend op 17 juli 2017. Het beroep van eiser is ontvankelijk.

4.2

Tussen partijen is in geschil de vraag –kortweg- of eiser, als gewezen overheidsdienaar, toegang heeft tot het Fonds Ziektekosten Overheidsgepensioneerden (FZOG).

4.3

De eerste vraag is of en zo ja, tot wanneer, eiser overheidsdienaar is geweest. Blijkens artikel 1, eerste aanleg en onder d, van de Landsverordening houdende regels met betrekking tot het verlenen van een tegemoetkoming in de ziektekosten aan gepensioneerde overheidsdienaren (hierna: de Regeling), is het lid van het personeel van een uit de openbare kas bekostigde bijzondere school, overheidsdienaar.

4.4

Niet in geschil is dat de scholen die onder SVOBE vallen, uit de openbare kas bekostigde bijzondere scholen zijn. Eiser, die tot aan 1 augustus 2016 bij SVOBE heeft gewerkt, was dus tot die datum lid van het personeel van een uit de openbare kas bekostigde bijzondere school en moet dus tot die datum als overheidsdienaar worden beschouwd. Daarbij is niet relevant of eiser als ambtenaar dan wel als arbeidscontractant aan SVOBE was verbonden. Dat onderscheid wordt immers in genoemd artikelonderdeel niet gemaakt. Vanaf 1 augustus 2016 is eiser gewezen overheidsdienaar als bedoeld in de Regeling.

4.5

In artikel 8 van de Regeling staat beschreven wanneer voor de gewezen overheidsdienaar recht bestaat op tegemoetkoming van ziektekosten. Het komt er op neer dat de gewezen overheidsdienaar in Sint Maarten moet wonen en premie moet hebben betaald uit zijn pensioeninkomen in het tijdvak waarin de te claimen kosten zijn gemaakt. Voorts blijkt uit de artikelen 5 en 6 van de Regeling FZOG dat premies worden ingehouden van het loon respectievelijk van het pensioeninkomen van de overheidsdienaar, respectievelijk van de gewezen overheidsdienaar.

Voor een goed begrip van de Regeling is voorts van belang hetgeen de Memorie van Toelichting (MvT) stelt: “Van het pensioeninkomen zou (…) een buitengewoon hoge premie geheven moeten worden inden de uitgaven verbonden aan de tegemoetkoming in ziektekosten uitsluitend daarvan betaald zouden moeten worden. Het ontwerp gaat er daarom van uit, dat de werknemer in actieve overheidsdienst middels een minimale premie eveneens in deze uitgaven dient bij te dragen en daarmee tegelijkertijd medewerkt aan de vorming van een fonds, waaruit na zijn pensionering ook aan hem (…) een tegemoetkoming in ziektekosten zal worden verleend. De van de pensioeninkomens en de inkomens van de werknemers in actieve dienst geheven premies worden gestort in het “Fonds Ziektekosten Overheidsgepensioneerden” dat wordt ingesteld om de uitgaven verbonden aan de tegemoetkoming in ziektekosten van gepensioneerden te dekken.”

Uit de aangehaalde artikelen van de Regeling FZOG en de toelichting daarop de in de MvT, blijkt dat in het systeem een spaarelement ligt besloten, doordat al van werknemers in actieve dienst premies worden geheven om, samen met de kleinere premie op het pensioeninkomen, een fonds te vullen. Daaruit vloeit voorts dat een (gewezen) overheidsdienaar niet op elk gewenst moment kan instappen, zoals eiser kennelijk veronderstelt. Uitgangspunt is dus dat premies moeten zijn betaald in de periode van actieve dienst, om daarna onder de Regeling FZOG te kunnen vallen. Tussen partijen is niet in geschil dat op het loon van eiser sinds hij arbeidscontractant is geworden, geen premie is ingehouden.

4.6

Het Gerecht stelt vast dat het geschil tussen partijen er op neer komt dat eiser geen toegang heeft gekregen tot de FZOG-regeling omdat voor hem, in de periode maart 2008 – 1 augustus 2016, voorafgaand aan de datum dat hij als “gewezen overheidsdienaar” moet worden aangemerkt, geen premies zijn afgedragen. Om die reden is de deur naar de FZOG-regeling als het ware voor hem gesloten gebleven.

4.7

Verweerder heeft aan eiser niettemin steeds een garantiekaart verstrekt. Toen eiser de pensioengerechtigde leeftijd bereikte is daarin geen verandering gekomen, en zolang eiser op basis van een arbeidscontract bij SVOBE is blijven doorwerken heeft verweerder ook telkens opnieuw een garantverklaring (een SZV-pasje) verstrekt, de laatste jaren van 16 december 2013 tot 31 juli 2014, van 1 augustus 2014 tot 31 juli 2015 en, de laatste, van 6 augustus 2015 tot 31 juli 2016. Voor eiser strekten deze garantiekaarten tot een bewijs van verzekerd zijn voor ziektekosten.

4.8

Verweerder stelt terecht dat het de verantwoordelijkheid is van de werkgever van eiser om premies in te houden op het loon van eiser. Dat neemt niet weg dat verweerder er voor verantwoordelijk kan worden gehouden dat zij jaar na jaar aan eiser een garantiekaart heeft verstrekt. Verweerder draagt daarom ook verantwoordelijkheid voor het bij eiser gewekte vertrouwen dat hij daadwerkelijk verzekerd was. Dit betekent dat verweerder niet de toegang tot de FZOG-regeling heeft kunnen weigeren op de enkele grond dat geen premies zijn betaald. Het als een beroep op het vertrouwensbeginsel opgevatte betoog van eiser slaagt. Het beroep is daarom gegrond en het besluit moet daarom worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.9

Er is aanleiding om verweerder (ten laste van het land Sint Maarten) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze stelt het Gerecht met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op NAf 2.100,-- zijnde 1 punt voor het beroepschrift en twee punten voor de mondelinge behandeling. Voorts zal het Gerecht bepalen dat het land Sint Maarten aan eiser NAf 50,-- dient te betalen als vergoeding van het door hem gestorte griffierecht.

5 De beslissing.

Het Gerecht in eerste aanleg:

  • -

    Verklaart het beroep gegrond

  • -

    Vernietigt het bestreden besluit

  • -

    Bepaalt dat verweerder binnen zes weken na heden een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak

  • -

    Veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten aan eiser een bedrag van NAf 2.100,-- en een bedrag van NAf. 50,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter in het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 17 september 2018.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.