Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:138

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
AUA201703594 en AUA2017H00271 - KG 217/17 - Ghis 83436 – H 132/17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

weigeren toegang tot casino door eigenaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN 2018 VONNIS NO.

Registratienrs. AUA201703594 en AUA2017H00271

KG 217/17 - Ghis 83436 – H 132/17

Uitspraak: 22 mei 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Vonnis in kort geding in de zaak van:

de naamloze vennootschap ARUBA HOTEL ENTERPRISES N.V.,

gevestigd in Aruba,

hierna te noemen: AHE,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellante,

gemachtigde: mr. R. Wix,

tegen

de naamloze vennootschap WRS INTERNATIONAL N.V.,

gevestigd in Aruba,

hierna te noemen: WRS,

oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. W.G.T.M. Kloes en J.L. Peterson.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met KG nummer 217 van 2017 in kort geding gewezen en op 8 maart 2017 uitgesproken vonnis. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2.

AHE is door op 9 maart 2017 een akte van hoger beroep in te dienen in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. Bij brief d.d. 10 maart 2017 heeft AHE om een spoedige behandeling gevraagd. In een op 14 maart 2017 ingekomen memorie van grieven heeft AHE twee grieven voorgedragen en toegelicht en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van WRS alsnog zal afwijzen, met veroordeling van WRS in de kosten van beide instanties.

1.3.

Blijkens de stempel op de akte van hoger beroep heeft AHE het begrootte griffierecht betaald op 9 april 2017 en blijkens de kwitantie op 13 april 2017.

1.4.

WRS heeft in een memorie van antwoord het hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van AHE in de kosten van het beroep uitvoerbaar bij voorraad.

1.5.

Op 17 oktober 2017, de voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, hebben de gemachtigden van partijen pleitaantekeningen, met over en weer bekende producties, ingediend.

1.6.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De ontvankelijkheid

AHE is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kan daarin worden ontvangen.

3 Griffierecht

Het verschuldigde griffierecht is in dit kort geding te laat betaald (artikel 270 lid 5 jo artikel 271 jo artikel 235 Rv), maar het Hof zal daaraan, nu aan AHE desondanks gelegenheid is gegeven tot een verdere inhoudelijke behandeling (het dienen van pleidooi), geen consequenties verbinden, gelet op HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:284.

4 Beoordeling

4.1.

WRS huurt van AHE ruimte, waarin WRS een casino exploiteert. De vraag in dit kort geding is of AHE de toegang tot het casino kan ontzeggen aan de in de pokerwereld bekende pokerspeler Russell Wert Hamilton (hierna: Russ Hamilton), die via zijn onderneming Hamilton Casino Consultants Inc. door WRS is gecontracteerd om als consultant diensten te verlenen binnen het casino en die regelmatig poker speelt in het casino. Het GEA heeft deze vraag ontkennend beantwoord en het door WRS ter zake gevorderde veroordeling aan AHE gegeven, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

4.2.

Naar het voorlopig oordeel van het GEA (rov. 4.2), de Haviltex-maatstaf toepassende, valt Russ Hamilton, die nimmer strafrechtelijk is vervolgd of veroordeeld, niet onder het bereik van artikel 9.2 van de huurovereenkomst (‘having a criminal felony record or having been convicted of a crime of moral turpitude’).

4.3.

Voorts valt Russ Hamilton volgens het GEA (rov. 4.3) niet onder de term ‘employees’ in artikel 10.6 van de huurovereenkomst. Evenmin – en met de uitleg van dit artikel 10.6 samenhangend – wordt volgens het GEA het door WRS, via Hamilton Casino Consultants Inc., contracteren van Russ Hamilton getroffen door het verbod in artikel 8 lid 1 van de casinovergunning van AHE, luidende: ‘Niemand mag in de in artikel 7 bedoelde lokaliteiten te werk worden gesteld zonder een door het Bestuurscollege daartoe verleende schriftelijke vergunning.’

4.4.

Volgens het GEA (rov. 4.4) is een reëel risico dat AHE haar casinovergunning verliest in dit kort geding niet aannemelijk geworden.

4.5.

Hiertegen richt zich het appel van AHE tevergeefs. Het Hof sluit zich aan bij de voorshands gegeven oordelen van het GEA en maakt deze tot de zijne. Het voegt daaraan nog het volgende toe.

4.6

AHE noemt onder i), ii) en iv) van haar memorie van grieven als uitlegfactoren een aantal argumenten die op zichzelf voor partijen reden zouden kunnen zijn geweest om een bepaling van de door AHE bepleite ruime strekking op te nemen. Die argumenten laten echter onverlet dat in artikel 9.2 zoals het luidt, anders dan AHE onder iii) kennelijk bedoelt te betogen, expliciet een beperking is opgenomen, die inhoudt dat illegale of immorele antecedenten alleen relevant zijn voor zover deze tot een veroordeling hebben geleid. Dit is een beperking die leidt tot een zekere objectivering van het criterium en die daarmee goede zin heeft, zeker in de huidige tijd waarin reputaties op internet tamelijk eenvoudig gemaakt en gebroken kunnen geworden. Indien AHE, vanwege de door haar genoemde factoren, een ruimere beoordelingsvrijheid had gewenst, om zo alle personen van een minder dan onberispelijke reputatie uit haar hotel(casino) te kunnen weren, dan had zij dit expliciet met WRS moeten overeenkomen. AHE mocht redelijkerwijs niet verwachten dat het huidige beding, in weerwil van de tekst, deze ruimere strekking heeft en dat WRS dat zo heeft moeten begrijpen.

4.7

Aan AHE kan worden toegegeven dat verdedigbaar is dat waar in artikel 8 lid 1 van de casinovergunning sprake is van “te werk […] gesteld” daarmee niet uitsluitend het werken als werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst wordt bedoeld, zodat ook de activiteiten van Hamilton ten behoeve van WRS binnen de reikwijdte van het artikel vallen. Het is daarentegen ook geen uitgemaakte zaak (dat de bodemrechter in die zin zal oordelen). Waar het uiteindelijk om gaat is echter dat niet AHE, maar de Minister (althans het Land) de toezichthoudende instantie is die bepaalt of, de strekking van de relevante voorschriften in aanmerking genomen, sprake is van een overtreding van het toestemmingsvereiste. Enige concrete aanwijzing dat de Minister zich op dat standpunt zal stellen, of dat de vergunning van AHE anderszins gevaar loopt, is gesteld noch gebleken. Vanzelfsprekend heeft AHR er belang bij gevrijwaard te blijven van ieder risico dat de Minister handhavend zal optreden, maar dat belang legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het zwaarwegende belang van WRS dat Hamilton, overeenkomstig onder meer artikel 17.2 van de huurovereenkomst, het casino vrijelijk kan betreden. WRS heeft, door AHE onvoldoende weersproken, gesteld dat Hamilton als gerenommeerd speler, door zijn adviezen, maar vooral ook door de aantrekkende werking van zijn aanwezigheid aan de pokertafel, een belangrijke bijdrage levert aan de bedrijfsvoering en de omzet van WRS. Gelet op die positieve effecten van de aanwezigheid van Hamilton is vooralsnog ook onvoldoende aannemelijk geworden dat AHE wezenlijke reputatieschade heeft te duchten. Ook het meewegen van dat belang leidt daarom niet tot een andere uitkomst.

4.8

Het bestreden vonnis moet worden bevestigd en AHE dient de kosten van het hoger beroep te dragen.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt het bestreden vonnis en veroordeelt AHE in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van WRS gevallen en tot op heden begroot op Afl. 6.000 aan gemachtigdensalaris en Afl. 211,90 aan verschotten.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Hof, en - door mr. Meijer ondertekend - ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018 in Aruba uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.