Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:133

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
BON201300025 en BON201700367 - BON2017H00030 K 7/13 en EJ 123/17 - Ghis: 84401 - H 53/18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN 2018 BESCHIKKING NR.

Registratienrs.: BON201300025 en BON201700367 - BON2017H00030

K 7/13 en EJ 123/17 - Ghis: 84401 - H 53/18

Uitspraak: 3 juli 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[pleegmoeder]

wonende op Bonaire,

hierna te noemen: de pleegmoeder,

oorspronkelijk verzoekster in de zaak EJ 123/17, en oorspronkelijk belanghebbende in de zaak K 7/13, thans appellante,

gemachtigde: mr. M. Bijkerk

e-mail: abogado.bijkerk@gmail.com,

-tegen-

Jeugdzorg en Gezinsvoogdij Caribisch Nederland,

gevestigd op Bonaire,

hierna te noemen: JGCN,

e-mail: jeanalda.pourier@jeugdzorgcn.com,

oorspronkelijk verweerster in de zaak EJ 123/17, en oorspronkelijk verzoekster in de zaak K 7/13, thans geïntimeerde.

Betreffende de uithuisplaatsing van:

[het kind] geboren op [geboortedatum] 2012 op Bonaire,

hierna te noemen: het kind.

Andere belanghebbenden:

- [ [DE MOEDER],

hierna te noemen: de moeder,

- [ [DE VADER],

hierna te noemen: de vader,

- de Voogdijraad van Bonaire.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Voor het verloop tot dan toe verwijst het Hof naar zijn tussenbeschikking van 27 februari 2018.

1.2.

Het in deze tussenbeschikking door het Hof verzochte advies van de Voogdijraad is uitgebracht op 10 april 2018.

1.3.

Op 17 april 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een videoverbinding tussen de gerechtsgebouwen in Curaçao en Bonaire. De leden van het Hof, de griffier, de pleegmoeder en haar gemachtigde alsmede een zuster van de pleegmoeder zijn tegenwoordig geweest in Curaçao. Verschenen op Bonaire zijn namens JGCN, mevrouw J. Pourier, hoofd, en mevrouw H. Steba, gezinsvoogd, en namens de Voogdijraad mevrouw S. Rooijakker en mevrouw K. Silie. Ook de huidige pleegouders, mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2], zijn op Bonaire verschenen. De huidige pleegouders zijn gehoord. De gemachtigde van de pleegmoeder heeft erop aangedrongen dat de behandeling wordt aangehouden opdat de psycholoog mevrouw drs. D. Copini-Rigaud (zie de tussenbeschikking van het Hof, rov. 4.11) ter zitting wordt gehoord. Het Hof heeft besloten tot aanhouding.

1.4.

Op 29 mei 2018 is de mondelinge behandeling voortgezet, wederom door middel van een videoverbinding tussen de gerechtsgebouwen in Curaçao en Bonaire. De leden van het Hof, de griffier, de pleegmoeder en haar gemachtigde, alsmede de moeder en een zuster van de pleegmoeder zijn tegenwoordig geweest in Curaçao. Verschenen op Bonaire zijn namens JGCN, mevrouw J. Pourier, hoofd, en mevrouw H. Steba, gezinsvoogd, en namens de Voogdijraad mevrouw Th. Alberts en mevrouw S. Rooijakker. De huidige pleegouders, mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2], zijn wederom op Bonaire verschenen. Ditmaal is mevrouw Copini verschenen, vergezeld van haar echtgenoot [naam 3]. Mevrouw Copini is gehoord. De gemachtigde van de pleegmoeder heeft het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen, met producties.

1.5.

Na afloop van de behandeling heeft de voorzitter beschikking bepaald op heden.

2 Beoordeling

2.1.

In de tussenbeschikking heeft het Hof de Voogdijraad gevraagd onderzoek te doen en advies uit te brengen over de vraag of de huidige situatie, waarin het kind uit huis van de pleegmoeder is geplaatst, duidelijk beter is voor het kind.

2.2.

De Voogdijraad heeft uitvoerig onderzoek gedaan en geconcludeerd als volgt (advies, p. 36-38):

De voorgenoemde afwegingen leiden tot de volgende beantwoording van de onderzoeksvraag:

I. Is de huidige situatie, waarin [het kind] uit huis is geplaatst elders dan bij pleegmoeder, duidelijk beter voor [het kind], uit het oogpunt van het belang van het kind, dan terugplaatsing bij de pleegmoeder?

De Voogdijraad CN stelt voorop dat zij de onderzoeksvraag beantwoordt vanuit het perspectief van het kind en dat de belangen van het kind daarin een eerste overweging zijn. De Voogdijraad CN is dus niet voor pleegmoeder [pleegmoeder] of tegen de betrokken instantie of vice versa.

De belangen van [het kind] als kind zijn gericht op haar (holistische) ontwikkeling tot volwassenheid binnen de culturele en sociale maatschappelijke context van de samenleving waarin zij opgroeit. Haar rechten worden geconcretiseerd door het IVRK [noot 3: Het Verdrag inzake de rechten van het kind]. De uitgangspunten van het kinderrechtenverdrag vormen de basis om het welzijn van een kind te beschermen en diens ontwikkeling te waarborgen. Het IVRK uit gaat van stabiliteit en continuïteit in het leven van een kind als basis voor het welzijn en een gezonde ontwikkeling van het kind. Bij het bepalen van het belang van het kind is het dan ook belangrijk om te kijken naar de gevolgen van een besluit voor de toekomst van het kind. Als er sprake is van (een vermoeden van) kind-onveiligheid in de vorm van mishandeling en/of verwaarlozing moeten de risico's voor de veiligheid van het kind niet alleen voor de directe toekomst, maar ook voor de langere termijn worden onderzocht. De meest belangrijke elementen in belang van een kind assessment bij (vermoedens van) mishandeling of verwaarlozing zijn:

1) De individuele kenmerken en eigenschappen van het kind

2) Handhaven van gezinsrelaties en overige relaties

3) Zorg, bescherming en veiligheid van het kind

4) Situatie van kwetsbaarheid

Ten aanzien van punt 1 en 4 blijkt uit het onderzoek dat buiten debat staat dat [het kind] een kind is dat extra zorg nodig heeft, zowel door haar voorgeschiedenis als de stand van haar ontwikkeling (cognitief, sociaal-emotioneel en gedragsmatig). Dit stelt extra hoge eisen aan de kwaliteit van haar opvoedomgeving voor wat betreft sensitief-responsief ouderschap. Ten aanzien van punt 2 geldt dat een scheiding van [het kind] en haar primaire opvoeder, te weten pleegmoeder [pleegmoeder], alleen als laatste redmiddel ingezet mag worden, wanneer [het kind] gevaar loopt tot directe schade of als het om andere redenen noodzakelijk is om haar belangen te waarborgen. Scheiding vindt niet plaats als er minder ingrijpende maatregelen genomen kunnen worden om [het kind] te beschermen. In geval van scheiding moet gewaarborgd worden dat [het kind] contacten en relaties onderhoudt met pleegmoeder en voor [het kind] belangrijke personen uit de familie van pleegmoeder, tenzij dit in strijd is met het belang van [het kind]. Het handhaven van gezinsrelaties betekent voor [het kind] echter ook dat zij het recht heeft om te weten waar zij vandaan komt, en een band en contact te hebben met haar biologische ouders en uitgebreide familie. Uit het onderzoek blijkt in de visie van de Voogdijraad CN dat pleegmoeder [pleegmoeder] op onjuiste en schadelijke wijze invulling heeft gegeven aan (delen van) de opvoeding van [het kind], gezien de in het onderzoek door meerdere partijen concrete benoemde zorgen ten aanzien van de fysieke en emotionele veiligheid van [het kind] in de zorg van pleegmoeder [pleegmoeder]. Tevens is haar het opbouwen van een band met haar biologische ouders onthouden door pleegmoeder [pleegmoeder]. Het uitblijven van dit contact kan (op termijn) een negatief effect kan hebben op de (identiteits)ontwikkeling van [het kind]. JGCN heeft als gezinsvoogdijinstelling de taak te zorgen voor een geschikte en adequate opvang van kinderen die door omstandigheden niet meer thuis kunnen wonen en dient daarbij toezicht te moeten kunnen hebben op de veiligheid, het welzijn en de ontwikkeling van het kind.

JGCN heeft echter geen duidelijk zicht kunnen krijgen op de opvoedingsomgeving/- context bij pleegmoeder [pleegmoeder] door de houding van pleegmoeder ten aanzien van hulpverlening. Er is al langere tijd sprake van een zeer moeizame samenwerkingsrelatie tussen pleegmoeder [pleegmoeder] en JGCN. De visie van pleegmoeder [pleegmoeder] en JGCN over wat in het belang is van [het kind] komen niet altijd overeen en pleegmoeder [pleegmoeder] heeft eigenhandig besluiten over en voor [het kind] genomen die ingingen tegen door JGCN gestelde bodemeisen, die in de visie van de Voogdijraad CN gezien kunnen worden als (indringende) waarschuwing vanuit JGCN naar pleegmoeder [pleegmoeder], en/of waar het juridisch gezien nodig was geweest deze te bespreken met de gezinsvoogdijinstelling en de biologische ouders van [het kind], die haar wettelijke gezagdragers zijn. Pleegmoeder [pleegmoeder] geeft in het raadsonderzoek aan zich bereidwillig te willen opstellen ten aanzien van de samenwerking met en hulpverlening vanuit JGCN, maar zij kan geen zorgpunten aan zichzelf als opvoeder benoemen. Zij heeft geen hulpvraag ten aanzien van het opvoederschap, daar zij aanduidt geen problemen in de opvoeding en verzorging van [het kind] ervaren. Gezien het extra appel dat [het kind] als kwetsbaar kind doet op haar (opvoed)omgeving voor begeleiding en ondersteuning, zoals dat ook blijkt uit de overgang van het reguliere basisonderwijs naar het speciaal onderwijs, verbaast dit de Voogdijraad CN. De houding van pleegmoeder [pleegmoeder] geeft de Voogdijraad CN onvoldoende vertrouwen dat zij bereid en in staat is om open en duidelijk wijze in contact te treden met (pleegzorgwerkers van) JGCN en de gezagdragende ouders van [het kind]. Ten aanzien van punt 3: zorg, bescherming en veiligheid geldt dat dit betrekking heeft op het welzijn van [het kind] in de meest brede zin: het gaat om het welzijn van [het kind] en haar ontwikkelingsmogelijkheden. Dit omvat basale behoeften op materieel, fysiek, educatief en emotioneel gebied, als ook de behoeftes aan genegenheid en veiligheid. Emotionele zorg en veiligheid is een basisbehoefte van [het kind], net als van alle kinderen. Kinderen moeten op jonge leeftijd een gehechtheidsrelatie kunnen opbouwen met een vaste verzorger en deze relatie moet voortduren om het kind een stabiele omgeving te bieden.

[het kind] heeft deze gehechtheidsrelatie met pleegmoeder [pleegmoeder] opgebouwd die haar primaire hechtingsfiguur is, al zijn er zorgen over de veiligheid van deze wederkerige hechtingsrelatie, zoals onder andere blijkt uit het onderzoek van EOZ waarin signalen van hechtingsproblematiek werden gezien. De gehechtheidsrelatie met de huidige pleegouders is daarentegen nog minimaal. Zorg, bescherming en veiligheid heeft echter ook betrekking op het recht van [het kind] op bescherming tegen iedere en alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik. Zoals ten aanzien van punt 2 vermeld was er in de opvoedingssituatie van pleegmoeder [pleegmoeder] sprake van fysieke en emotionele onveiligheid van [het kind]. Voorts is gebleken dat pleegmoeder [pleegmoeder] niet meer aan de algemene voorwaarden van JGCN ten aanzien van pleegouderschap voldoet.

Dit alles in ogenschouw nemende wordt in de weging van bovenstaande elementen door de Voogdijraad CN het grootste gewicht toegekend aan de elementen die (gezamenlijk) het meest bijdragen aan het perspectief op een gunstige ontwikkeling van [het kind] op de korte en lange termijn en aan de beleving van een goede kindertijd in een veilige opvoedomgeving met meest optimale genot van kinderrechten. De situatie die, uit het oogpunt van het belang van [het kind], in de visie van de Voogdijraad CN het meest recht doet aan haar (holistische) ontwikkeling is de huidige situatie waarin [het kind] uit huis is geplaatst elders dan bij pleegmoeder, gezien de evidente en concrete zorgen ten aanzien van emotionele en fysieke veiligheid in de opvoedingssituatie bij pleegmoeder [pleegmoeder]. [het kind] moet als kwetsbaar kind kunnen vertrouwen op de zorg, bescherming en veiligheid van de volwassenen in haar directe omgeving. Dit heeft, in het belang van de ontwikkeling tot volwassenheid, prioriteit ten opzichte van de hechtingsrelatie die [het kind] heeft ontwikkeld jegens pleegmoeder. [het kind] heeft echter wel recht op behoud van een band met pleegmoeder [pleegmoeder] en voor haar belangrijke personen uit de familie van pleegmoeder [pleegmoeder], middels een omgangsregeling.

______________________________________________________________________

13. RAADSBESLUIT

De Voogdijraad CN adviseert het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curacao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, om de huidige situatie waarin [het kind] uit huis is geplaatst elders dan bij pleegmoeder [pleegmoeder], definitief voort te zetten.

2.3.

Het Hof acht hetgeen door de pleegmoeder is aangevoerd onvoldoende zwaarwegend om te twijfelen aan de juistheid van deze bevindingen. Weliswaar staat de mishandeling niet vast, maar er was voldoende aanleiding voor bezorgdheid. Vast staat wel dat het kind extra zorg nodig heeft. Er zijn aanwijzingen dat de pleegmoeder daarin niet voldoende voorzag; in elk geval kon door haar toedoen dit niet goed worden onderzocht. De pleegmoeder nam de door de rechter uitgesproken ondertoezichtstelling van het kind en de taak van de gezinsvoogd onvoldoende serieus. Voorts had de pleegmoeder laatstelijk geen behoorlijke relatie meer met de moeder van het kind, hetgeen in de weg stond aan omgang tussen kind en moeder. Een belangrijke factor is dat de moeder, die het eenhoofdig gezag uitoefent, achter de beëindiging van het verblijf van het kind bij de pleegmoeder staat.

2.4.

Het Hof heeft de huidige pleegouders gehoord en heeft vertrouwen in hun vermogen het kind veiligheid en een goede verzorging en opvoeding te verlenen. Het lijkt de goede kant op te gaan met het kind, al verlangt het terug naar de pleegmoeder.

2.5.

Hetgeen mevrouw Copini ter zitting heeft medegedeeld – zij heeft geen tekenen van mishandeling of verwaarlozing waargenomen – is niet van zodanig gewicht dat het Hof tot en ander oordeel komt. Mevrouw Copini heeft verklaard niet de opvoedingssituatie bij de pleegmoeder te hebben onderzocht.

2.6.

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden bevestigd. Het Hof ziet geen reden voor een kostenveroordeling.

3 Beslissing

Het Hof bevestigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, H.J. Fehmers en F.W.J. Meijer, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2018 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.