Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:131

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
EJ 958/2015 – Ghis 82094
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wijziging gezagsvoorziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende in Aruba,

hierna te noemen: de moeder,

oorspronkelijk verweerster, thans appellante,

gemachtigde: mr. R. Dijkhoff,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Aruba,

hierna te noemen: de vader,

oorspronkelijk verzoeker, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. E.M.J. Cafarzuza,

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 958 van 2015 gegeven en op
10 januari 2017 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.

1.2.

De moeder heeft in een beroepschrift, per fax ingekomen op 7 februari 2017, dus tijdig, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking. Hierin heeft zij het hoger beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van geïntimeerde in prima ingediend in haar geheel af zal wijzen en een omgangsregeling met de vader vast zal stellen.

1.3.

Op 28 november 2017 en 20 februari 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun (waarnemend) gemachtigden, die het woord hebben gevoerd.

1.4.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.

3 Beoordeling

3.1.

Uit de moeder is op [geboortedatum] 2011 in Aruba geboren [minderjarige] (hierna: de minderjarige). De vader heeft de minderjarige aanvankelijk niet als zijn dochter erkend. Daardoor heeft de moeder vanaf de geboorte van rechtswege alleen het gezag over de minderjarige uitgeoefend. Het GEA heeft bij beschikking van 19 februari 2016 aan de vader vervangende toestemming verleend om de minderjarige alsnog te erkennen. Tegen die beslissing is geen hoger beroep ingesteld.

3.2.

Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van het GEA dat de vader voortaan alleen het gezag zal toekomen over de minderjarige en dat de minderjarige hoofdverblijf zal hebben bij de vader, met bepaling van een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige.

3.3.

Het verzoek van de vader, dat ertoe strekt dat hij in plaats van de moeder met het gezag wordt belast, is op grond van artikel 1:253c lid 2 BW slechts toewijsbaar als dit in het belang van het kind wenselijk wordt geacht. Uitgangspunt is dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat alleen een van de ouders met het gezag over hem wordt belast, met name indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind bij gezamenlijk gezag van de ouders klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen (HR 18 maart 2015, LJN AS8525).

3.4.

De Voogdijraad heeft in haar rapport van 16 augustus 2016 het volgende gerapporteerd. Gebleken is dat de moeder de minderjarige geen structuur, routine en regelmaat biedt en geen gevaar ziet noch risico’s in regelmatig wietgebruik voor zichzelf en/of de omgeving van de minderjarige. De minderjarige vertoont daardoor gedragsproblemen op school. De minderjarige is momenteel erg beïnvloed op een negatieve manier over vader door moeder en oma moederszijde. Vader heeft lange tijd geen contact met de minderjarige gehad maar heeft een stabieler leven. Hij werkt, is actief in de zorg en kan het belang van de minderjarige inzien. Moeder heeft door onbereikbaarheid geen drugstest afgelegd, vader wel en is negatief bevonden. Door de houding van moeder raakt vader gespannen en om problemen te vermijden wil hij geen contact met moeder en oma moederszijde. Uit het psychologisch onderzoek kwam naar voren dat er sprake is van psychosociale factoren, beïnvloeding en suggestiviteit welke de betrouwbaarheid van de resultaten aantasten. Verder is er geen betrouwbaar resultaat verkregen omdat de moeder het onderzoek met de minderjarige heeft gestremd. Moeder praat suggestief en praat op het kind in. Er is geen indicatie voor ontucht door vader gebleken uit het psychologisch onderzoek. Er is geen sprake van communicatie tussen de ouders en er valt niet te verwachten dat er binnen afzienbare tijd hierin verandering zal komen. Uit de hierboven beschreven onderzoeksresultaten blijkt dat de minderjarige klem raakt in de communicatie tussen ouders en de negatieve beïnvloeding door moeder en oma moederszijde. Uit de huisbezoeken blijkt dat de thuissituatie bij vader goed is te noemen. De Voogdijraad adviseert op grond van het voorgaande de vader te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarige en de hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen.

3.5.

Het GEA heeft op grond van het rapport van de Voogdijraad, het feit dat de moeder ter terechtzitting er blijk van heeft gegeven de vader niet te vertrouwen en zich zeer negatief over hem heeft uitgelaten, ondanks bevindingen van de psycholoog en de Voogdijraad dat er geen objectieve bezwaren tegen de vader bestaan, en dat de moeder de vader omgang met de minderjarige heeft onthouden, beslist dat het in het belang van de minderjarige is dat de vader het eenhoofdig gezag krijgt over de minderjarige met hoofdverblijfplaats bij hem.

3.6.

Anders dan de moeder meent, heeft het GEA hiermee genoegzaam gemotiveerd waarom in dit geval gezag en hoofdverblijfplaats dienen te worden gewijzigd. Het GEA heeft hierbij grote betekenis toegekend aan de zeer moeizame communicatie tussen de vader en de moeder en het feit dat de moeder gedurende lange tijd omgang tussen de vader en de minderjarige heeft gefrustreerd. Uit het emailbericht van het hoofd van de school dd. 8 november 2016, waaruit blijkt dat de minderjarige elke dag op tijd naar school gaat kan, anders dan de moeder stelt, niet worden afgeleid dat het beter gaat met de minderjarige op het moment dat zij geen omgang heeft met de vader.

3.7.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting van het Hof op 28 november 2017 is aan de orde geweest dat sinds het moment dat de minderjarige bij de vader is gaan wonen in januari 2017, er geen omgang met de moeder is geweest conform de door het GEA bepaalde omgangsregeling. Tijdens de terechtzitting op 20 februari 2018 is door de moeder bevestigd dat de vader zich thans wel aan de omgangsregeling houdt.

3.8.

Dat de moeder op dit moment alles in het werk stelt om haar leven te beteren, hetgeen zij onder meer onderbouwt door te verwijzen naar een op 7 november 2016 afgenomen drugstest die negatief is bevonden op marihuana en cocaïne, is lovenswaardig. Uit het door de moeder ter terechtzitting gestelde blijkt dat de omstandigheden zijn gewijzigd, in die zin dat zij niet meer samenwoont met de vriend die in de drugswereld zit. Nu het drugsgebruik en de omgang met de betreffende vriend, niet de enige reden was voor de beslissing van het GEA, betekent deze wijziging niet zonder meer dat het op dit moment in het belang van de minderjarige wordt geacht om de door het GEA bepaalde gezagsvoorziening en hoofdverblijfplaats van de minderjarige weer te wijzigen.

3.9.

Het geheel overziend is het Hof van oordeel dat, hoewel de moeder haar leven duidelijk heeft gebeterd, er nog altijd een onaanvaardbaar risico bestaat dat de moeder in oude gewoontes vervalt en dat (mede daardoor) de communicatie met de vader weer verslechtert. Het is een zwaarwegend belang van de minderjarige dat zij niet weer in die situatie terecht komt. Dit leidt ertoe dat zowel het verzoek van de moeder om alleen haar met het gezag te belasten als het verzoek om gezamenlijk gezag wordt afgewezen. Hoe langer de moeder erin slaagt de gedragsverandering – zowel het drugsgebruik als de communicatie met de vader - te bestendigen hoe groter de kans dat een eventueel volgende verzoek om gezamenlijk gezag wordt toegewezen. De slotsom is dan ook dat het hoger beroep faalt en de beschikking van het GEA zal worden bevestigd. De proceskosten zullen gelet op de aard van de zaak en de relatie tussen partijen worden gecompenseerd.

4 Beslissing

Het Hof:

bevestigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh en M.C.B. Hubben en H.J. Fehmers, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2018 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.