Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:121

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
H 120/2017
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord op Helmin Wiels. Het Hof acht, evenals het Gerecht in eerste aanleg, bewezen dat de verdachte zich aan het medeplegen van de moord schuldig heeft gemaakt. Zijn betrokkenheid kan daarbij worden geduid als die van een ‘moordmakelaar’. Het Hof is – unaniem – van oordeel dat niet kan worden volstaan met de door het Gerecht in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf van 25 jaar. Naar het oordeel van het Hof is de maximale tijdelijke gevangenisstraf, 30 jaar, passend en geboden. Daarop moet verdachtes eerdere, inmiddels onherroepelijk geworden veroordeling voor drugssmokkel en witwassen (gevangenisstraf van 4 jaar) in mindering worden gebracht. De verdachte wordt daarom veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26 jaar. Eerste aanleg: ECLI:NL:OGEAC:2017:61

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H 120/2017

Parketnummer: 500.00972/13

Uitspraak: 13 juli 2018 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 11 mei 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam van de verdachte],

geboren op [een geboortedatum in het jaar] 1971 in Curaçao,

wonende in Curaçao,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Middelburg in Nederland.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het primair (impliciet primair) ten laste gelegde medeplegen van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureurs-generaal,
mrs. M.L.A. Angela en G.H. Rip, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. Vaders, naar voren is gebracht.

De procureurs-generaal hebben gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair (impliciet primair) ten laste gelegde medeplegen van moord bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het Hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het Hof het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 mei 2013 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, Helmin Magno Wiels van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en aldaar, opzettelijk, en/of na kalm beraad en rustig overleg, met gebruikmaking van een vuurwapen, meerdere kogels op (het lichaam van) en/of in de richting van (het lichaam van) voornoemde Wiels afgevuurd, tengevolge waarvan die Wiels meerdere verwondingen en/of letsels heeft bekomen en die Wiels aan die letsels en/of verwondingen is overleden;

subsidiair dat:

medeverdachte [A] en/of medeverdachte [B] en/of één of meer anderen op of omstreeks 5 mei 2013 te Curaçao, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade Helmin Magno Wiels van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben voornoemde [A] en/of [B] en/of één of meer anderen opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg met gebruikmaking van een vuurwapen, meerdere kogels op (het lichaam van) en/of in de richting van (het lichaam van) voornoemde Wiels afgevuurd, tengevolge waarvan die Wiels meerdere verwondingen en/of letsels heeft bekomen en die Wiels aan die letsels en/of verwondingen is overleden,

welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode 1 april 2013 tot en met 5 mei 2013 te Curaçao opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen door

  • -

    die [A] en/of één of meer anderen te vragen en/of op te dragen om Wiels te vermoorden en/of

  • -

    die [A] en/of één of meer anderen als vergoeding voor de moord op Wiels 100.000 gulden, althans een aanzienlijk geldbedrag, in het vooruitzicht te stellen en/of te betalen voor het (mede)plegen van de moord op Wiels en/of

  • -

    tezamen en in vereniging met [C] die [A] en/of één of meer anderen een vuurwapen en/of kleding en/of handschoenen te overhandigen en/of

  • -

    die [A] en/of één of meer anderen instructies te geven over de moord op Wiels.

Vooropstelling ten aanzien van de bewijswaardering

Het Hof ziet in deze uitzonderlijke zaak aanleiding om voorafgaande aan de vaststelling van de feiten en omstandigheden het een en ander voorop te stellen. De verdachte wordt in de kern verweten dat hij bij de moord op Helmin Wiels – een moord die de gemoederen in en buiten Curaçao in sterke mate heeft beziggehouden – een rol als ‘moordmakelaar’ heeft gehad: in de visie van het openbaar ministerie en de visie van het Gerecht vormde hij een belangrijke schakel tussen de uitvoerders en de opdrachtgever(s) van de moord.

De bijzonderheid doet zich voor dat het onderzoek naar de schutter van de moord (het deelonderzoek ‘Marie Pampun’) vóór de inhoudelijke behandeling van deze zaak in eerste aanleg al volledig was afgerond. Op 5 juli 2016 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [A], die als schutter was aangemerkt, verworpen en is zijn veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf onherroepelijk geworden (ECLI:NL:HR:2016:1361). Daarmee is in rechte ook komen vast te staan dat [B] de tweede uitvoerder van de moord was. Zijn rol was het besturen van de (vlucht)auto. Hij heeft zich voor dat handelen niet in de rechtszaal kunnen verantwoorden, omdat hij op of omstreeks 17 mei 2013 – nog voordat hij enige verklaring heeft kunnen afleggen – van het leven is beroofd.

Het onderzoek heeft verder uitgewezen dat deze [A] en [B] zijn aangezocht door [C]. Ook hij kan zich niet meer voor zijn daden verantwoorden in de rechtszaal. Hij is op 6 september 2013, tijdens zijn detentie in het cellencomplex Barber, door verhanging om het leven gekomen. De conclusie van het onderzoek daarnaar was dat sprake was van zelfmoord.

Met deze achtergrond laat het zich raden dat het onderzoek naar de (schakel tot de) opdrachtgever(s) geen eenvoudige opgave is geweest. Twee van de drie hoofdrolspelers, die op dit punt mogelijk van waarde hadden kunnen zijn, zijn niet meer in leven. Daar komt bij dat de derde hoofdrolspeler, [A], kennelijk berekenend en op onderdelen aanmerkelijk inconsistent heeft verklaard. De raadsvrouw van de verdachte heeft die inconsistenties bij pleidooi op duidelijke wijze naar voren gebracht. Mede in aanmerking genomen dat het gepresenteerde bewijs verder voornamelijk van indirecte aard is, was op voorhand duidelijk dat de taak van het Hof om de feiten en omstandigheden waaronder deze moord heeft plaatsgevonden vast te stellen – wellicht nog meer dan in andere zaken –, bijzondere zorgvuldigheid zou vereisen. Het Hof heeft om die reden ambtshalve beslist dat [A] als getuige ter terechtzitting moest worden gehoord. Dat getuigenverhoor, waarin andermaal inconsistenties te bespeuren waren, is op een geluidsband vastgelegd en vervolgens woordelijk uitgewerkt ten behoeve van een zo optimaal mogelijke analyse. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de door deze getuige afgelegde verklaringen alsook bij de weging en waardering van alle overige bewijsmiddelen in het dossier heeft het Hof alle denkbare scenario’s de revue laten passeren. Uiteindelijk heeft die analyse niet geleid tot het door de raadsvrouw beoogde gevolg, zoals hierna in de bewijsoverwegingen nader uiteen zal worden gezet, maar wel tot een andere selectie en waardering van de bewijsmiddelen dan door het Gerecht gebezigd.

Bewezenverklaring

Het Hof komt, evenals het Gerecht, tot een bewezenverklaring van het primair, impliciet primair, ten laste gelegde medeplegen van moord. Het Hof acht - op grond van de hierna vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dat feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 5 mei 2013 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, Helmin Magno Wiels van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en aldaar, opzettelijk, en/of na kalm beraad en rustig overleg, met gebruikmaking van een vuurwapen, meerdere kogels op (het lichaam van) en/of in de richting van (het lichaam van) voornoemde Wiels afgevuurd, tengevolge waarvan die Wiels meerdere verwondingen en/of letsels heeft bekomen en die Wiels aan die letsels en/of verwondingen is overleden.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit vonnis wordt verwezen, stelt het Hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verkorte aanduiding en zakelijke weergave

In verklaringen en gesprekken wordt een aantal personen met grote regelmaat aangeduid bij hun bijnamen. Daarom wordt ter verduidelijking daarvan vooraf vermeld dat het om de volgende personen gaat:

Naam

Bijnaam

[naam van de verdachte]

[bijnaam verdachte]

[A]

[bijnaam A]

[C] (†)

[bijnaam C]

[B] (†)

[bijnaam B]

[D]

[bijnaam D]2

Omwille van de leesbaarheid is de inhoud van de bewijsmiddelen zakelijk weergegeven, met dien verstande dat zo dicht mogelijk bij de letterlijke tekst ervan is aangesloten. Dat geldt ook voor de verklaring die [A] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd en die woordelijk is uitgewerkt.

Schietpartij op Helmin Magno Wiels bij de pier van Marie Pampoen

1.Op zondag 5 mei 2013 heeft, tussen 16:57 en 16:59 uur, in Curaçao ter hoogte van de pier van Marie Pampoen een schietpartij met dodelijke afloop plaatsgevonden. De dood van het slachtoffer werd door dr. A.H.E. Maduro en dr. M.C. Moses geconstateerd.3

2. De volgende dag werd het lijk ter identificatie getoond aan [nabestaande 1] en [nabestaande 2]. Zij herkenden het aan hen getoonde lijk als dat van hun partner respectievelijk broer, in leven genaamd Helmin Magno Wiels.4

3. Bij de sectie op het lichaam van Helmin Wiels werden – verspreid over de romp, de rechterarm en het rechterbeen – in totaal tien bij leven opgelopen schotkanalen aangetroffen, waarbij het schotkanaal aan de arm aansluitend kon worden gemaakt aan de schotkanalen aan de voorzijde van het lichaam. Het gaat daarom mogelijk om negen of tien schoten. Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door uitgebreide orgaanschade (aan onder meer het hart en het ruggenmerg) ten gevolge van de schotkanalen.5

Bekennende verklaring van de schutter

4. A] heeft bekend de schutter te zijn geweest. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige onder meer het volgende verklaard: “Ik heb Helmin Wiels doodgeschoten. Ik was toen in gezelschap van [bijnaam B]. We zijn in een auto naar Marie Pampoen gereden. [Bijnaam B] zat achter het stuur en ik was passagier. Toen we bij Marie Pampoen aankwamen, stopte [bijnaam B] de auto naast een pick-up. Ik ben uitgestapt, deed mijn capuchon omhoog en schoot drie keer. Wiels keek mij in mijn ogen, deed een paar stappen in mijn richting en toen viel hij. Ik schoot weer.”6

5. Al bij zijn eerste bekentenis ten overstaan van de politie heeft [A] verklaard dat hij de opdracht had gekregen van [C] en dat die op zijn beurt door de verdachte was ingeschakeld. Tijdens zijn verhoor van 10 maart 2014 heeft [A] daarover onder meer het volgende verklaard: “[C] en [bijnaam verdachte] zijn de opdrachtgevers. [C] werd ook [bijnaam C] genoemd. [Bijnaam verdachte] is degene die de opdracht heeft gekregen. […] [Bijnaam verdachte] heeft [bijnaam C] naar voren geschoven.7

“[Bijnaam verdachte] heeft de opdracht gekregen van de persoon die heeft betaald. [Bijnaam verdachte] heeft op zijn beurt [bijnaam C] benaderd. [Bijnaam C] moest op zijn beurt de soldaten inhuren om de moord op Helmin Wiels te laten uitvoeren. [Bijnaam C] heeft mij in vertrouwen genomen, zodat ik wist dat het serieus was.” 8

Aan de moord voorafgegane besprekingen

6. Aan de moord op Helmin Wiels zijn meerdere besprekingen voorafgegaan. [A] heeft daarover ter terechtzitting in hoger beroep het volgende als getuige verklaard: “Er zijn drie of vier gesprekken geweest met [bijnaam C]. Er hebben gesprekken plaatsgevonden in de garage van [bijnaam C], maar een paar gesprekken hebben ook gewoon buiten op straat bij [adres 1] (het Hof: bij de woning van [bijnaam D] aan [adres 1]) plaatsgevonden. Bij een van die gesprekken zat zijn vriendin in de pick-up.”9

7. Een eerste gesprek heeft in ieder geval vóór 28 april 2013 plaatsgevonden. Dat volgt uit de volgende verklaring van [bijnaam D]: “Voor de moord op Wiels heeft [A] mij gezegd dat [bijnaam C] een klusje voor hem had. Dat was in april 2013, één of twee weken voor de moord op Wiels (in aanmerking genomen dat [bijnaam C] volgens een zich in het dossier bevindend overzicht op 27 april 2013 naar Sint Maarten is gevlogen10, begrijpt het Hof: vóór 28 april 2013).”11

8. Voorafgaand aan de bespreking die een aantal dagen voor de moord in de garage heeft plaatsgevonden, was de verdachte aanwezig. [A] heeft daarover ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige het volgende verklaard:

[Bijnaam B] was in de garage bij [bijnaam C] en [bijnaam verdachte] stond bij de deur van de garage. [Bijnaam verdachte] zei tegen [bijnaam C]: ‘Praat met hen’. [Bijnaam verdachte] is toen weggegaan. Dat was een aantal dagen voor de moord. [Bijnaam C] vroeg toen aan mij of ik iets wilde eten. [Bijnaam B] is toen weggegaan. Ik ben gebleven en [bijnaam C] heeft mij in details uitgelegd dat ik Wiels moest omleggen. Ik vroeg toen aan [bijnaam C] hoe hij aan het geld kwam. Hij antwoordde dat het geld van [de verdachte] kwam. [Bijnaam C] zei dat [bijnaam verdachte] het geld zou geven.”12

9. Op de dag van de moord, 5 mei 2013, heeft eveneens een bespreking in de garage plaatsgevonden. Over de aanloop naar die bespreking heeft [A] het volgende verklaard: “Mijn vrouw [vrouw van A], mijn kinderen en ik zijn op 5 mei 2013, omstreeks 14:00 uur te Koraal Specht aangekomen. Ik werd door mijn vrouw afgezet bij het huis van [bijnaam D]. Ongeveer een kwartiertje nadat mijn vrouw weg was, begon ik een heleboel ping-berichten binnen te krijgen van [bijnaam C]. Ik wachtte even en kreeg toen een ping van [bijnaam C] waarin hij mij vroeg: ‘Ben je al in de getto?’ Ik heb toen geantwoord van ja. Ongeveer zeven à tien minuten later kwam [bijnaam C] in zijn witte pick-up aanrijden.”13

“[Bijnaam C] vroeg via de ping of ik even naar hem kon toekomen. Hij zei dat ik zonder vuurwapen moest komen.” 14

10. E] heeft dat laatste bevestigd. Hij heeft over dat moment het volgende verklaard: “Op 5 mei 2013 speelden [bijnaam A], [bijnaam D] en ik domino op straat, tegenover het huis van [bijnaam D]. [Bijnaam B] speelde geen domino. Hij was wel aanwezig.”15

“[Bijnaam C] reed voorbij op [adres 2]. [Bijnaam C] reed mijn huis enkele meters voorbij en stopte. Dus niet ver weg. [Bijnaam A] kreeg een ping-bericht. [Bijnaam A] stond op en liep toen naar [bijnaam C] toe. Ze praatten met elkaar. [Bijnaam C] reed weg en [bijnaam A] liep richting het huis van [bijnaam C].” 16

11. A] heeft over de daaropvolgende ontmoeting met [bijnaam C] het volgende verklaard: “Ik heb mijn vuurwapen even afgezet en ben naar [bijnaam C] toegelopen. Hij heeft toen vragen gesteld als ‘ben je bereid om te eten?’ Ik vroeg aan hem wat voor garantie hij mij kon geven. Toen heeft hij duidelijk tegen mij gezegd dat [bijnaam verdachte] erachter staat. [Bijnaam verdachte] is de garantie. Hij heeft geen enkele andere naam genoemd. Hij zei: ‘[Bijnaam verdachte] is de garantie dat je je geld krijgt, want die man is serieus en hij staat erachter.’ Ik was toen alleen met [bijnaam C].”17

“Mij wordt gevraagd hoe [bijnaam C] de opdracht in de garage heeft geformuleerd. Hij heeft gezegd dat ‘Wiels d’r af moet’. Als ik wilde eten, dan moest het die dag af. Maandagochtend mocht hij niet meer in leven zijn.” 18

12. A] heeft verklaard dat hij, terwijl [bijnaam C] bij Marie Pampoen zou gaan kijken, naar [bijnaam D] is gegaan om vervolgens samen met hem naar [E] en [bijnaam B] te gaan:

“[Bijnaam C] zei tegen mij ‘maak je klaar’. Ik ga bij Marie Pampoen kijken. [Bijnaam B] is de auto aan het klaar maken bij [voornaam E] (het Hof: [E]) thuis. [Bijnaam C] reed toen weg. Ik ben toen terug naar [bijnaam D] gelopen. [Bijnaam D] vroeg mij wat [bijnaam C] is komen doen. Ik antwoordde dat er iets te eten was. [Bijnaam D] vroeg aan mij ‘met welke auto ga je?’ Ik antwoordde ‘met die van [bijnaam B]’.

[Bijnaam D] en ik liepen vervolgens naar het huis van [E]. Daar aangekomen zag ik dat [bijnaam B] de goudkleurige Picanto op de stoep van het erf van [E] had geparkeerd.” 19

13. Bijnaam D] heeft bevestigd dat [A] na zijn ontmoeting met [bijnaam C] naar hem is gekomen en dat hij een opdracht had om iemand dood te schieten. [Bijnaam D] heeft daarover het volgende verklaard: “Nadat [A] vanuit de woning van [bijnaam C] was gekomen, zei [A] dat hij iemand moest gaan doodschieten. Tevens zei [A] tegen mij dat hij met [bijnaam B] als zijn chauffeur zou gaan. [Bijnaam C] had besloten dat [bijnaam B] met hem moest gaan.”20

14. De analyse van de historische printgegevens van de telefoonnummers van [bijnaam C] bevestigt dat hij is weggegaan en zich kort voor de moord, op twee afzonderlijke momenten, in de omgeving van Marie Pampoen heeft bevonden. Die analyse houdt onder meer het volgende in: “De historische printgegevens van de mobiele telefoonnummers van [C], [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2], zijn aan mij ter beschikking gesteld.

De mobiele telefoonnummers bevonden zich op 5 mei 2013 tussen 14:36 uur en 14:51 uur in de wijk Koraal Specht. Tussen 14:54 uur en 16:20 uur hebben zij zich verplaatst vanaf de wijk Koraal Specht richting het bassistation de Grote Berg, gelegen aan de Weg naar Westpunt. Gezien de snelheid van de verplaatsing moet dit met een auto c.q. motor hebben plaatsgevonden. Tussen 16:20 uur en 16:40 uur verplaatsten de mobiele telefoonnummers zich vanaf het basisstation De Grote Berg richting Marie Pampoen. Tussen 16:41 uur en 16:48 uur bevonden zij zich in de wijk Koraal Specht. Tussen 16:48 uur en 16:52 uur bevonden zij zich kort in de omgeving van Marie Pampoen. Tussen 16:53 en 17:17 uur bevonden zij zich in de wijk Koraal Specht.” 21

15. Bijnaam C] is, na de omgeving van Marie Pampoen te hebben bezichtigd, teruggekomen in Koraal Specht en heeft [A] toen van de situatie aldaar op de hoogte gesteld. Dat blijkt uit de volgende verklaring van [A]:

“Nadat [bijnaam C] was weggegaan, kwam hij in zijn witte pick-up aanrijden. Op dat moment waren wij nog steeds bij het huis van [E]. [Bijnaam C] bleef in zijn pick-up zitten. Ik ging vervolgens bij [bijnaam C] in zijn pick-up zitten.

Voordat [bijnaam C] (het Hof: opnieuw) wegreed, zei hij nog tegen mij ‘jullie moeten zo gaan, want de man staat bier te drinken te Marie Pampoen’. [Bijnaam C] vertelde mij hoe Helmin Wiels aangekleed was. Hierna is [bijnaam C] weggereden. Ik ben toen naar het huis van [E] teruggelopen.

Hierna stapten wij, [bijnaam B] en ik, in de auto en reden vervolgens richting Marie Pampoen.” 22

De betaling na de moord

16. De volgende dag is [A] betaald door [bijnaam C]. [A] heeft daarover ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige het volgende verklaard: “U vraagt hoe de betaling na de moord heeft plaatsgevonden. De volgende dag ging ik naar [bijnaam C].

[bijnaam C] heeft me cash 100 duizend gulden gegeven. Het geld zat in een zwarte sporttas. Ik had die sporttas eerder gezien.” 23

17. A] heeft daarover in hoger beroep het volgende verklaard: “De betaling was bij [bijnaam C] thuis. Het geld zat in een zwarte tas, die ik eerder had gezien. Ik had die tas één of twee weken voor de moord gezien (in aanmerking genomen dat [bijnaam C] volgens een zich in het dossier bevindend overzicht op 27 april 2013 naar Sint Maarten is gevlogen24, begrijpt het Hof: vóór 28 april 2013).”25

18. A] heeft tijdens zijn verhoor van 10 maart 2014 als volgt omschreven wat hij toen zag: “Ik zag [bijnaam C] aankomen rijden in zijn witte pick-up. Ik zag dat [bijnaam verdachte] nog in de pick-up als bijrijder zat. Kort hierna zag ik [bijnaam C] zijn pick-up uitstappen. Ik zag dat hij een zwarte sporttas in zijn handen had. Hiermee ging hij zijn huis binnen. Hierna zag ik [bijnaam C] weer naar buiten komen zonder de sporttas. [Bijnaam verdachte] bleef in de pick-up zitten. Hierna zijn ze naar het huis van [bijnaam verdachte] gereden.”26

19.A] had voorafgaand aan de betaling al van [bijnaam C] gehoord dat in de sporttas bankbiljetten zaten. Dat volgt uit de volgende verklaring van [A]: “Ik heb van [bijnaam C] vernomen dat de sporttas half gevuld was met Antilliaanse bankbiljetten en de andere helft met Amerikaanse dollars.”27

20.A] voelde zich later ‘onderbetaald’. Hij heeft hierover het volgende verklaard: “Er was geen bedrag genoemd, maar toen het gebeurd was kwamen er wel bedragen ter sprake. Kijk met die hele betaling. Achteraf bleek dat er meer geld was dan wat ik heb gekregen en dat hoorde ik later van de gasten die bij mij in de wijk wonen, die vertelden mij dat en toen bleek ook dat dat waar is, dat er veel meer geld was.”28

Contacten met (een van) de opdrachtgever(s)

21. Uit informatie van een anonieme informant komt naar voren dat de opdracht om Helmin Wiels te vermoorden, door de toenmalige minister van Financiën van Curaçao, [F], aan [bijnaam C] is voorgelegd en dat [bijnaam C] daarvoor later met de verdachte is teruggekomen. De anonieme informant heeft dat aan het voormalige hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao verteld, die daarover op zijn beurt het volgende heeft verklaard:

“De heer Wiels is vermoord op een zondag. Twee of drie dagen daarna kreeg ik een telefoontje van een informant van de Veiligheidsdienst. Hij wilde een ontmoeting met mij. Tijdens die ontmoeting vertelde hij mij dat hij had gezien hoe de overvaller van het Renaissance Hotel met de buit bij [F] kwam. Volgens mij gaat het om de tweede overval op het Renaissance Hotel. Van de informant begreep ik dat de buit, horloges en andere spullen behelsde. [F] had geen interesse in de buit, maar gaf aan wel een andere taak voor hem te hebben. Hij vroeg of hij iemand ‘koud’ kon maken voor hem. Hij zei daarbij dat het ging om Helmin Wiels. De auto met daarin de overvaller was geblindeerd. Achterin zat [bijnaam C]. De informant kon dat zien ondanks geblindeerde ramen, namelijk als je van dichtbij kijkt. Voorin zat de chauffeur achter het stuur. De chauffeur was een van de overvallers. [F] stond buiten de auto. Toen de auto met chauffeur en [bijnaam C] erin vertrok, bleef [F] achter. Diezelfde nacht kwam de auto met [bijnaam C] terug. In de auto zat toen ook [de verdachte]. Ze kwamen terug bij [F] voor het aanbod om Helmin Wiels te vermoorden.

De informant was op dat moment in de buurt van [F]. Hij heeft het hele proces van dichtbij waargenomen en gehoord. Zo heeft hij dus gezien en waargenomen dat die overvaller zich bij [F] kwam melden met de bedoeling om de buit aan te bieden. De informant heeft mij verteld dat hij heeft gezien en gehoord dat [F] aan die overvaller het verzoek heeft gedaan om Wiels te vermoorden en dat de overvaller aangaf niet geïnteresseerd te zijn en vervolgens weg reed. De informant was vervolgens in de buurt van [F] toen de auto met [bijnaam C] en [de verdachte] terugkwam. Hij heeft deze mensen in de auto gezien. [Bijnaam C] en [de verdachte] zaten op dat moment voor in de auto. [De verdachte] heeft [F] aangesproken met de volgende tekst: “Ma tende ku bo tin un trabou mi a bin tume” (vertaling Hof: “Ik heb gehoord dat je een werk hebt. Ik kom het aannemen”). De informant vertelde dat [F] hem op dat moment aankeek, waaruit hij begreep dat hij moest gaan. Van het vervolg weet hij dus niets meer. Deze ontmoetingen hebben ’s nachts plaatsgevonden in de omgeving van de woning van [F] aan [adres 3].” 29

22. De verdachte is vervolgens met [F] in onderhandeling getreden. Dat volgt uit de volgende verklaringen van de getuige [G]: “In maart 2013 heb ik in de garage van [bijnaam C] in Koraal Specht horen zeggen dat [bijnaam verdachte] en [F] aan het onderhandelen waren over de moord op Wiels.”30

“De waarheid is dat [F] in onderhandeling was met [bijnaam verdachte] over het bedrag dat zou worden betaald voor de moord op Wiels. Dat gesprek vond plaats bij [bijnaam C] in de garage. Daarbij waren aanwezig: [bijnaam C], [H], twee mannen die ik niet ken en ik. [Bijnaam B] kwam later en [bijnaam verdachte] ook.

Ik was er zelf bij tijdens dat gesprek in de garage van [bijnaam C]. Ik wist dus hoe het gegaan was.” 31

23. De verdachte en [F] hebben elkaar in de dagen voorafgaand aan de moord sms-berichten gestuurd. De verdachte heeft tussendoor ook telefonisch contact gehad met [bijnaam C]. Het gaat onder meer om de volgende contacten:

Datum

Tijdstip

Verzender

Ontvanger

Vertaling inhoud bericht

30 april 2013

15:28 uur

[de verdachte]

[F]

Wanneer kan ik je zien, zodat ik kan beginnen met werken? Ruman (vertaling Hof: broer, in de betekenis van: maat), ik heb reeds mijn uniformen

15:42 uur

[F]

[de verdachte]

Kom bij me thuis, zodat ik ze kan zien

16:01 uur

[de verdachte]

[F]

Ja, ik ben er

16:18 uur

[de verdachte]

[C]

Gesprek

4 mei 2013

10:53 uur

[F]

[de verdachte]

Hij heeft mij laten weten om iets te zeggen. Wanneer kun je langskomen zodat ik het jou kan zeggen?

10:54 uur

[de verdachte]

[F]

12:00 uur is goed

10:55 uur

[F]

[de verdachte]

Nu komt het beter uit. Ik ben thuis.

10:56 uur

[de verdachte]

[F]

Ik kom, ok

20:32 uur

[de verdachte]

[C]

Gesprek van 34 seconden

20:35 uur

[de verdachte]

[C]

Gesprek/contact van 10 seconden

5 mei 2013

00:03 uur

[de verdachte]

[C]

Gesprek van 37 seconden32

Bewijsoverwegingen

Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden opgemaakt dat het bewijs voor verdachtes betrokkenheid hoofdzakelijk op vier pijlers steunt: de verklaringen van [A], de verklaring van de getuige [I, voormalig hoofd Veiligheidsdienst], de verklaringen van de getuige [G] en de onderschepte sms-berichten tussen de verdachte en de toenmalige minister van Financiën [F].

Het Hof heeft daarmee ten opzichte van het vonnis in eerste aanleg een pijler toegevoegd aan het bewijs (de verklaringen van de getuige [G]) en heeft een andere pijler, de verklaringen van de bedreigde getuige B5, terzijde gesteld. De reden voor het laatste is dat in die verklaringen op detailniveau een andere feitelijke toedracht wordt beschreven. De kern van de verklaringen is weliswaar belastend voor de verdachte en valt te rijmen met de gebezigde bewijsmiddelen, maar door de nadere invulling daarvan acht het Hof de verklaringen onvoldoende betrouwbaar. Daarbij heeft het Hof ook betrokken dat ten aanzien van onderdelen van de verklaringen eigen waarneming of ondervinding niet goed van conclusies zijn te onderscheiden.

Om vergelijkbare redenen heeft het Hof ook een mogelijk andere pijler voor het bewijs buiten beschouwing gelaten; dat zijn de verklaringen van de bedreigde getuige C3.

De raadsvrouw heeft zich in haar pleidooi, dat strekte tot een algehele vrijspraak, onder meer gekeerd tegen de hiervoor genoemde bewijspijlers. Zij heeft – kort gezegd – aangevoerd dat (i). de voor de verdachte belastende verklaringen van [A], [I] en [G] onvoldoende betrouwbaar zijn en dat de sms-berichten onjuist zijn geïnterpreteerd, dat (ii). het gebruik van de verklaringen van [A] en [I] bovendien in strijd is met artikel 6 EVRM en dat (iii). het resterende bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte nauw en bewust met (een) ander(en) heeft samengewerkt aan de moord op Wiels.

Het Hof overweegt in reactie op dit verweer als volgt.

(i). De betrouwbaarheid van de verklaringen

In de vooropstelling van het Hof ten aanzien van de bewijswaardering is al aan de orde gesteld dat de verklaringen van [A] op onderdelen aanmerkelijk inconsistent zijn. De vraag die zich opdringt, is hoe de verklaringen met inachtneming hiervan gewaardeerd moeten worden. Het Hof heeft tijdens de beraadslaging in raadkamer uitgebreid bij die vraag stilgestaan en is tot de volgende beschouwing gekomen.

Onherroepelijke veroordeling [A]

Een belangrijk vertrekpunt is dat [A] onherroepelijk is veroordeeld voor het medeplegen van de moord op Helmin Wiels. Met die veroordeling is in rechte komen vast te staan dat hij de fatale schoten heeft gelost en dat hij intensief heeft samengewerkt met [bijnaam B] en [bijnaam C]. [A] beschikt dan ook over daderkennis en is bovendien van deze drie daders de enige persoon die nog in leven is.

De meeste verklaringen die [A] heeft afgelegd, dateren van vóór het onherroepelijk worden van zijn veroordeling. Met betrekking tot de inconsistenties in die verklaringen kan tot op zekere hoogte een verklaring worden gevonden in de wens zijn eigen rol waar mogelijk nog af te zwakken, zoals hij in de zaak tegen de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige heeft verklaard. In dat licht kan worden geplaatst dat hij eerst heeft verklaard dat hij niet eerder dan op de dag van de moord op straat was benaderd (in plaats van zijn deelname aan meerdere besprekingen, onder andere in de garage van [bijnaam C]) en dat hem daarvoor niet meer dan NAf 60.000,-- was betaald (in plaats van NAf 100.000,--).33

Objectieve aanknopingspunten

Voor een eerste selectie en waardering van de verschillende verklaringen is aansluiting gezocht bij objectieve aanknopingspunten, zoals de beschikbare zendmastgegevens en de onderschepte gesprekken/berichten.

Verklaringen van [A] aan zijn geliefden

Vervolgens heeft het Hof bezien in hoeverre de verklaringen van [A] verankering vinden in hetgeen hij volgens zijn echtgenote, [vrouw van A], en zijn toenmalige ‘by-side’ [by-side van A] aan hen heeft toevertrouwd.

[Vrouw van A] heeft op 11 februari 2014 (acht maanden na de moord) onder meer het volgende tegenover de politie verklaard: “[A] heeft mij verteld dat hij zich op 5 mei 2013 bij de woning van [bijnaam D] bevond, dat hij een ping kreeg van [bijnaam C] waarbij [bijnaam C] hem verzocht had om bij hem thuis te komen, dat hij naar de woning van [bijnaam C] liep, dat [bijnaam C] hem in zijn garage vroeg of hij bereid was om Wiels op dat moment dood te gaan schieten, dat [bijnaam verdachte] geld had gekregen en dat [bijnaam verdachte] verder geld aan [bijnaam C] had gegeven om de schutter en de chauffeur te betalen, dat hij toen bereid was om de moord te gaan plegen.

[A] vertelde mij dat hij de woning van [bijnaam C] met iedereen daarin zou verbranden, indien hij niet door [bijnaam C] betaald wordt.” 34

[By-side van A] had eerder, namelijk op 5 september 2013 (vier maanden na de moord), al het volgende verklaard: “Ik ben op 7 mei 2013 vanuit Venezuela teruggekomen in Curaçao. In de avonduren begon ik pingen (het Hof: ping-berichten) te krijgen van [bijnaam A]. Hij pingde dat hij mij nodig had. Gedurende middernacht, dus 8 mei 2013, kreeg ik nog steeds pingen van [bijnaam A]. Hij verzocht mij om bij hem te komen op de plaats waar wij de gewoonte hebben elkaar te ontmoeten. Daar begon [bijnaam A] mij het volgende te vertellen:

  • -

    dat hij boos is, daar [C] hem niet voldoende geld had betaald;

  • -

    dat [C] hem honderdduizend gulden heeft betaald voor de moord op de president;

  • -

    dat hij later gehoord had dat er vijfhonderdduizend guldens bestemd was voor de schutter van de president;

  • -

    dat hij hierdoor van plan was om in de woning van [C] te breken of de woning van [C] in brand te steken of [C] te vermoorden;

  • -

    dat hij in opdracht van [C] en [bijnaam verdachte] de president had geliquideerd;

  • -

    dat [C] en [bijnaam verdachte] gebleven waren met de rest van zijn geld, dus vierhonderdduizend gulden;

  • -

    dat op de dag dat de president doodgeschoten werd, [C] alvorens het gebeurde verschillende keren heen en weer was gereden in zijn witte [pick-up] op de weg voor de pier van Marie Pampoen;

  • -

    dat [C] zodoende de president aan het controleren was;

  • -

    dat [C] hem op een gegeven moment de volgende woorden pingde: “Awo awo, tin trabow pabo” (vrije vertaling: “Nu nu, er is werk voor jou”) en dat hij bij de woning van [C] moest komen;

  • -

    dat [C] hem verteld had waar de president bij de pier stond;

  • -

    dat [bijnaam B] als chauffeur optrad en hij als medepassagier;

  • -

    dat zij bij de president waren aangekomen;

  • -

    dat de president op dat moment een fles Heineken in zijn hand had;

  • -

    dat hij veel schoten op de president had gelost” 35

Zij hebben verder allebei verklaard dat [A] op 5 mei 2013 niet alleen [bijnaam C], maar ook de verdachte in de garage van [bijnaam C] heeft ontmoet. Volgens [A] zelf heeft deze ontmoeting met de verdachte op een eerder moment plaatsgevonden. De raadsvrouw meent dat dit verschil en de andere verschillen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [A]. Het Hof heeft kritisch naar de verschillen gekeken, maar is tot het oordeel gekomen dat deze van ondergeschikte aard zijn. De verklaringen komen op wezenlijke onderdelen overeen en vinden, zoals hierna nog zal blijken, steun in andere bewijsmiddelen. Het is bepaald niet onvoorstelbaar dat [vrouw van A] en [by-side van A] bepaalde gebeurtenissen verkeerd in de tijd hebben geplaatst of daaraan een vertekende herinnering hebben, nu de verklaringen pas maanden daarna zijn afgelegd. Ook valt niet uit te sluiten dat [A] hen een verkorte versie van die gebeurtenissen heeft gegeven die op detailniveau wellicht minder juist is, wat overigens in dat geval onverlet laat dat [A] dit soort zaken met hen besprak. Verklaringen die [vrouw van A] en [by-side van A] over vergelijkbare zaken hebben afgelegd, bleken achteraf gezien juist te zijn. Het Hof wijst in dat verband op de verklaringen die zij hebben afgelegd over de moorden die [A] heeft gepleegd op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].36 Daar komt nog bij dat [vrouw van A] met de verklaringen over de moord op Wiels niet alleen de verdachte en haar eigen echtgenoot heeft belast, maar bijvoorbeeld ook de plaats heeft genoemd waar [bijnaam B] het gebruikte vuurwapen heeft gedumpt: in het Waaigat ter hoogte van het monument ter herdenking van de Tweede Wereldoorlog.37 Zij blijkt daarover naar waarheid te hebben verklaard: het vuurwapen is daar aangetroffen.38

Naar het oordeel van het Hof is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de verklaringen van [vrouw van A] en [by-side van A] zijn beïnvloed door contacten met derden dan wel door afspraken met het openbaar ministerie. Er is geen enkel concreet aanknopingspunt om aan te nemen dat zij de verklaringen hebben afgelegd in ruil voor het ontlopen van strafvervolging en/of financiële steun van het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie heeft weliswaar financiële bijstand verleend, maar de reden daarvan was erin gelegen dat hun veiligheid ernstig in het geding kwam doordat zij deze verklaringen hebben afgelegd en dat die veiligheid in Curaçao onvoldoende was te waarborgen. Het openbaar ministerie was daarom genoodzaakt hen ergens anders onder te brengen en heeft daarover ook verantwoording afgelegd.39 Het openbaar ministerie heeft [vrouw van A] naderhand, in het kader van een voortgezette zorgplicht, nog enkele keren een financiële bijdrage gegeven. Ook daarover heeft het openbaar ministerie verantwoording afgelegd.40 Aan [by-side van A] is geen financiële bijdrage meer gedaan.41

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het Hof ook anderszins geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [vrouw van A] en [by-side van A].

Afgeluisterd gesprek tussen [A] en [vrouw van A]

Het Hof voelt zich verder gesterkt in de selectie en waardering van de verklaringen van [A] door de inhoud van een afgeluisterd gesprek dat hij op 1 oktober 2015 met [vrouw van A] heeft gevoerd in de Penitentiaire Inrichting in Zoetermeer. Dat gesprek houdt onder meer het volgende in:

Gespreksdeelnemer

Uitgesproken tekst

[A]

Neen, kijk… misschien willen ze van mij weten wie heeft betaald (zachte toon)

[vrouw van A]

Maar je weet het niet

[A]

Nee, ik weet het niet… mocht ik het weten dan zou ik dat niet zeggen want jullie lopen daar buiten gevaar

[vrouw van A]

Ik denk niet dat dat het is… volgens mij willen ze weten waarom je [bijnaam verdachte] hebt laten lopen.

[A]

Want mami, je weet heel goed, nooit van mijn leven was ik niet een stijl van liegen, nooit. Omdat ik niets wist, daarom zeg ik jou, blijf rustig, hij/zij zegt ook om rustig te blijven. Als zij nu bij komen, (klopt op tafel) zeg ik hun dat wat ik mij kan herinneren, is dat [bijnaam verdachte] [bijnaam C] geld heeft gegeven en dinges en dit en dat.

[vrouw van A]

Maar kijk waarom moet je je zorgen maken, want hij is degeen waarop ze druk moeten uitoefenen, en hij moet praten.

[A]

Daarom zeg ik jou, de vorige keer had je dingen gezegd dat ik dingen voor hem verborg, toen zei ik tegen jou om dat niet te zeggen, omdat die dingen…

[vrouw van A]

Ik bedoelde het niet zo… (wordt in de rede gevallen)

[A]

Maar zo had je mij uitgelegd en ik zei om niet onnadenkend, onvoorzichtig, in het wilde weg, lukraak te spreken.

[vrouw van A]

Maar jij… hoe dan ook, je moet je mond houden, je moet dan niet spreken over dat van jou, je moet alleen van die man spreken.

[A]

Dat is wat ik ga doen, daarom zeg ik je blijf rustig.

[vrouw van A]

Ach papi, weet je ik wil… uhmm dat deze mensen [bijnaam verdachte] opsluiten en dat dit afgelopen is, dat deze zaak gesloten wordt… (niet te verstaan) alles vertellen over [bijnaam verdachte].

[A]

Ja… dit begint mij zelf ook te vermoeien joh.

[A]

Maar luister ma, vorige keer toen ik mijn verklaring had ingetrokken, heb ik tegen de man gezegd, een gedeelte is gelogen, een gedeelte is de waarheid. Ik heb hem ook gezegd dat gedeelte van [bijnaam verdachte], dat is de waarheid. Toen ik hun zei dat ik [bijnaam verdachte] had gezien…

[vrouw van A]

Wat de justitie ook doet, ze hebben jou nodig. Zonder jou kunnen ze niets doen. […] Dit ding gaat makkelijk worden [bijnaam verdachte] gaat zeker bekennen/vertellen.

[A]

Ma, ik zit erop te wachten. Maar van mijn mond. Ik weet van niets. Ik weet wat [bijnaam C] mij verteld heeft van [bijnaam verdachte] en hetgeen ik van [bijnaam verdachte] heb gezien. Van andere personen weet ik niet.42

Anders dan de raadsvrouw meent, is dit gesprek maar op één geloofwaardige manier uit te leggen. Daarvoor moet in aanmerking worden genomen dat [A] in aanloop naar de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg al zijn bekennende verklaringen heeft ingetrokken en zijn betrokkenheid vervolgens tot en met de inhoudelijke behandeling in hoger beroep heeft ontkend. Dit gesprek heeft plaatsgevonden nadat hij door het Hof was veroordeeld. Uit dit gesprek kan worden afgeleid dat hij kan verklaren over de rol van de verdachte, maar niet over die van de achterliggende opdrachtgever(s). Dat past bij de indruk van het Hof dat [A] over die opdrachtgever(s) heeft gespeculeerd: tegenover de politie noemde hij de naam [naam 1], tegenover [vrouw van A] de naam van [naam 2]. Wat voor de beoordeling van deze zaak van belang is, is dat [A] in het gesprek te kennen geeft dat hij over de rol van de verdachte naar waarheid heeft verklaard. Dat hij ter terechtzitting in hoger beroep op een vraag van de raadsvrouw heeft verklaard dat hij in het gesprek ook heeft gelogen, doet daaraan naar het oordeel van het Hof niet af. Die verklaring lijkt te zijn beïnvloed door de wijze waarop de communicatie tussen de raadsvrouw en de getuige plaatsvond. [A] wist bij de vraagstellingen van de raadsvrouw duidelijk zijn emoties niet te beheersen. Het Hof houdt vast aan de verklaring die hij op vragen van de voorzitter heeft afgelegd, toen hij zijn emoties nog beter wist te beheersen: “Het kan zijn dat ik dit heb gezegd tijdens dat gesprek, want ik praat regelmatig over deze man. Mij wordt gevraagd wat de bedoeling van dit gesprek was. Er was geen bedoeling. Hij heeft toch betaald. Hij heeft [bijnaam C] dat geld gegeven. Kijk, soms krijg ik bezoek en op een gegeven moment begin ik over deze man te praten.”43

Er is ook een andere reden waarom het niet aannemelijk is dat [A] tijdens het gesprek (bewust) onwaarheden heeft verteld aan zijn echtgenote. [A] heeft precies gedaan wat hij in het gesprek al aankondigde: tijdens de daaropvolgende verhoren liet hij weten alleen over de rol van de verdachte te willen spreken en niet over zijn eigen rol.44

Ander steunbewijs voor het (door)geven van het geld door de verdachte

De verklaring van [A] dat de verdachte het geld aan [bijnaam C] heeft (door)gegeven, wordt niet alleen ondersteund door de hiervoor besproken verklaringen van [vrouw van A] en [by-side van A], maar ook door ping-gesprekken tussen [by-side van A] en [zus van C] (de zus van [bijnaam C]) en de verklaringen die [zus van C] daarover heeft afgelegd.

De ping-gesprekken gaan over een voornemen om het geld dat [A] naar zijn idee nog had moeten krijgen, te stelen uit de woning van [bijnaam C]. Het eerste ping-gesprek dateert van 8 mei 2013 en houdt het volgende in:

Gespreksdeelnemer

Uitgesproken tekst

[By-side van A]

[Zus van C], ik ben klaar om vandaag te springen.

[By-side van A]

Hoe zeker ben je ervan dat het geld daarin ligt? Misschien heeft hij het geld ergens anders bewaard?

[Zus van C]

Nee, kind ze zijn daarin.

[By-side van A]

Ben je zeker?

[Zus van C]

Er moet geld daarin zijn.

[Zus van C]

Ben je klaar voor die ding?

[By-side van A]

Zeker zeker.

[By-side van A]

De ding moet vandaag gebeuren.

[By-side van A]

[A] doet het.

[Zus van C]

[C] is net langs naar huis gereden. 45

[Zus van C] heeft hierover het volgende verklaard: “Ik herken dit gesprek. Het is een ping-gesprek tussen [by-side van A] en mij. Dat gesprek gaat over geld dat in het huis van [C] was. Het gaat over het geld dat [bijnaam A] zei dat hij niet gekregen had voor het plegen van de moord op Wiels.

Op de dag dat [bijnaam A] en [by-side van A] op het veld naast de woning van [bijnaam D] aan het praten waren, hoorde ik [bijnaam A] over geld dat [C] hem schuldig was. Ik heb begrepen dat [bijnaam A] [C] dood wilde maken.” 46

In een tweede ping-gesprek, dat op 9 mei 2013 is gevoerd, komt onder meer het volgende naar voren:

Gespreksdeelnemer

Uitgesproken tekst

[Zus van C]

[Bijnaam verdachte] is net uit de garage gekomen.

[Zus van C]

Nu nu

[Zus van C]

Laten we kijken of [bijnaam C] ook uit de garage komt.

[Zus van C]

Ping

[Zus van C]

Sta op

[Zus van C]

Acht jullie slapen op de dingen

[By-side van A]

Dus waar is [bijnaam verdachte]

[Zus van C]

Hij is net van zijn garage gekomen

[Zus van C]

Het is half 2, de andere moet bijna zeker ook uitgaan

[By-side van A]

Blijf attent

[By-side van A]

De dingen moeten er wel goed gebeuren”47

[Zus van C] heeft het volgende over dit gesprek verklaard: “[By-side van A] heeft mij verteld dat [bijnaam A] haar had verteld dat [C] met 200 of 400 duizend was gebleven die voor hem was bestemd voor het plegen van de moord op Wiels. Tevens dat [C] het geld met [bijnaam verdachte] zou hebben verdeeld of zou gaan verdelen.”48

De raadsvrouw heeft terecht aangehaald dat [zus van C] bij dezelfde gelegenheid heeft verklaard dat zij niet zeker wist of het geld in de woning van [bijnaam C] lag, maar – los van de vraag hoe overtuigend dat is gelet op de inhoud van de berichten – neemt dat de steun voor de verklaringen van [A] niet weg. Daaruit kan immers worden afgeleid dat [A] vrij kort na de moord aan [by-side van A] heeft verteld over het geld in de woning van [bijnaam C], dat naar zijn idee voor hem bestemd was en tussen [bijnaam C] en de verdachte zou worden verdeeld.

Vriendschap en bestendige samenwerking tussen de verdachte en [bijnaam C]

Het beeld dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt, wordt verder versterkt door de vriendschap en de samenwerking tussen de verdachte en [bijnaam C], met name omdat de verdachte dat beeld zo krachtig heeft geprobeerd te bestrijden.

De bewijsmiddelen laten er geen misverstand over bestaan: de verdachte was bijzonder goed bevriend met [bijnaam C] en heeft met hem ook intensief samengewerkt bij de handel in drugs. Het Hof wijst ter illustratie daarvan op de volgende verklaringen:

- [ [Bijnaam D]: “[Bijnaam verdachte] en [bijnaam C] waren goede maatjes van elkaar. Ik zag ze regelmatig samen.”49

- [ [E]: “Bijnaam C] was heel goed met [bijnaam verdachte]. Dankzij [bijnaam verdachte] is [bijnaam C] zo groot geworden. Ik zie hen constant samen. [Bijnaam verdachte] was vaak bij [Bijnaam C] thuis. [Bijnaam verdachte] geeft opdrachten aan [bijnaam C]. [Bijnaam C] geeft opdrachten aan [bijnaam B]. [Bijnaam A] die kan opdrachten geven aan [bijnaam D].”50

- [ [K]: “[Bijnaam C] en [bijnaam verdachte] waren hele goede vrienden. Ze deden alles samen en waren altijd samen. Zelfs de vrouw van [bijnaam C], genaamd [vriendin van C], was boos hierover. [Bijnaam C] en [bijnaam verdachte] waren net als een echtpaar.”51 “[Bijnaam verdachte] staat aan het hoofd van de ploeg, dus hij geeft orders. [Bijnaam C] was de lijfwacht van [bijnaam verdachte].”52

- [ [J], een kennis van de verdachte en [bijnaam C] uit de bouw: “[Bijnaam C] was net zo als een zoon voor [bijnaam verdachte]. Ze waren altijd samen.”53

- De zus van [bijnaam C], [zus van C]: “Een vriend die bij [bijnaam C] over de vloer kwam was [bijnaam verdachte].”54 “[C] en [bijnaam verdachte] zagen elkaar soms dagelijks. [C] was erg goed bevriend met [bijnaam verdachte]. [Bijnaam verdachte] was triest bij de begrafenis van [C] en heeft ook gehuild. [bijnaam verdachte] heeft ook geholpen met het optillen van de doodskist van [C].”55

- De toenmalige vriendin van [bijnaam C], [vriendin van C]: “[C] en [bijnaam verdachte] waren regelmatig bij elkaar. [Bijnaam verdachte] en [C] waren erg ‘close’. [C] ging het meest met [bijnaam verdachte] om. [C] en [bijnaam verdachte] deden samen in drugs. [C] en [bijnaam verdachte] dealden samen in de drugs. Dit deden [C] en [bijnaam verdachte] dagelijks.”56

Daar komt nog bij dat de criminele samenwerking tussen de verdachte en [bijnaam C] daags voor de start van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep in rechte is komen vast te staan. Zijn eerdere veroordeling voor drugshandel en witwassen is toen immers onherroepelijk geworden (HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:844). Uit die veroordeling volgt dat de verdachte zowel in maart 2013 als begin augustus 2013 in een nauwe en bewuste samenwerking met onder meer [bijnaam C] drugs heeft uitgevoerd.

Het wekt daarom bevreemding dat de verdachte bij herhaling heeft verklaard dat hij [bijnaam C] slechts oppervlakkig kende van de bouw, dat hij hem buiten het werk om niet zag en dat ze ook niet bij elkaar thuis kwamen. Aan deze herhaalde verklaring kan, gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen en de onherroepelijke veroordeling, geen geloof worden gehecht. Dat wordt nog eens onderstreept door het feit dat de broer van [bijnaam C], [broer van C], via een ping-bericht heeft geïnstrueerd om tegenover de politie te verklaren dat [bijnaam C] de verdachte alleen van de bouw kende. Zijn broer heeft over dat bericht verklaard dat [bijnaam C] de verdachte buiten schot wilde houden en dat hij zeker weet dat zij zeer goed bevriend met elkaar waren.57

De contacten tussen de verdachte en [F]

Tegen deze achtergrond moeten de contacten die de verdachte met [F] heeft gehad, worden begrepen. Anders dan de raadsvrouw acht het Hof het gezien die achtergrond op voorhand niet onaannemelijk (laat staan “hoogstonwaarschijnlijk”) dat [bijnaam C], zoals volgt uit de door de getuige [I] overgebrachte verklaring, als eerste van [F] het aanbod heeft gekregen om Wiels van het leven te beroven en dat hij daarvoor later samen met de verdachte is teruggekomen.

In hetgeen de raadsvrouw overigens tegen de verklaring van de getuige [I] heeft ingebracht, ziet het Hof evenmin aanleiding om aan de betrouwbaarheid ervan te twijfelen.

Het Hof acht, evenals het Gerecht, van belang dat de getuige op het moment dat de anonieme informant hem benaderde, het (voormalige) hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao was. Er mag daarom van worden uitgegaan dat hij over de kennis en vaardigheden beschikt om een inschatting te maken van de betrouwbaarheid van de aangeleverde informatie; dat heeft hij ook gedaan. Hij kende deze persoon als informant van de Veiligheidsdienst. De informant had een code, wat betekent dat hij de screening op betrouwbaarheid had doorstaan. [I] heeft de informant op een geheime locatie, een safe house, gesproken. Omdat [I] was geschorst en hem de toegang tot de Veiligheidsdienst was ontzegd, kon hij geen gespreksverslag maken van de ontmoeting. Daarom heeft hij de informant aangeraden om naar de Veiligheidsdienst c.q. het Recherche Samenwerkingsteam (RST) te gaan. De informant weigerde die raad op te volgen; hij vertrouwde andere personen van de Veiligheidsdienst niet meer en het RST had hem naar eigen zeggen niet goed behandeld. [I] heeft toen besloten zelf naar het RST te gaan om de informatie te delen. Dat is volgens hem op gedetailleerde wijze gebeurd en daarvan is door het RST verslag opgemaakt.58 Nadat het openbaar ministerie hem de toezegging had gedaan dat hij niet zal worden vervolgd voor het eventueel schenden van zijn geheimhoudingsplicht, was hij ook bereid tegenover de rechter-commissaris een verklaring af te leggen. Dat heeft hij op gedetailleerde wijze gedaan, waarbij hij ook de redenen van wetenschap te kennen heeft gegeven.

De raadsvrouw moet worden nagegeven dat discrepanties bestaan tussen de verklaringen van de getuige [I] en de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Het Hof betreurt het dat de interne gespreksverslagen van de gesprekken tussen de getuige [I] en [verbalisant 1] – kennelijk overeenkomstig een standaardprocedure – zijn vernietigd. Dat laat onverlet dat de kern van de door de getuige [I] overgebrachte verklaring wel is opgetekend door [verbalisant 1]. Bovendien is de getuige [I] andermaal gehoord door de rechter-commissaris en heeft hij antwoord gegeven op vragen van de verdediging. De raadsvrouw heeft gesuggereerd dat de omstandigheid dat [I] is ontslagen door de regering Schotte, mogelijk zijn verklaringen heeft beïnvloed, omdat [F] van die regering deel uitmaakte. Het Hof ziet daarvoor geen concrete aanwijzingen en stelt ook vast dat de verdediging hem daarover geen vragen heeft gesteld. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, moet de suggestie daarom naar het oordeel van het Hof van de hand worden gewezen. De door de anonieme getuige beschreven gang van zaken mag opmerkelijk worden gevonden, maar dat vormt op zichzelf nog geen reden die terzijde te schuiven. Dat geldt te meer nu daarnaar uitgebreid onderzoek is gedaan en voor de door deze getuige beschreven gang van zaken belangrijke steun in andere bewijsmiddelen is gevonden.

Die steun ziet op de aanleiding van het aanbod om Wiels te vermoorden. Volgens het verslag van de anonieme informant had [bijnaam C] de buit van een overval op het Renaissance Hotel – een buit die onder meer uit horloges bestond – aan [F] proberen te slijten. Volgens de informant heeft [F] dat aanbod afgeslagen om [bijnaam C] vervolgens het aanbod te doen om Wiels te vermoorden. Tijdens het onderzoek is de broer van [bijnaam C] opnieuw als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat [bijnaam C] in de maand januari van 2012 samen met zijn ploeg een overval op een juwelier in Aruba had gepleegd en dat de politie de samenstelling van die ploeg aan de hand van de vluchtlijst kan vaststellen.59 Onderzoek in het Bordermanagement Systeem wees uit dat [bijnaam C] op 27 januari 2012 vanaf Curaçao naar Aruba is gereisd en op 29 januari 2012 weer is teruggereisd naar Curaçao.

Uit dat onderzoek bleek voorts dat [bijnaam C] samen met [L] (bijgenaamd [bijnaam L]), [M] (bekend als [bijnaam M]) en [N] heeft gereisd. Zij zaten op dezelfde heen- en terugvlucht en checkten bijna gelijktijdig in.60 Op 28 januari 2012 heeft een overval plaatsgevonden op [naam juwelier 1] in de Renaissance Mall op Aruba, waarbij in totaal 42 Rolex horloges werden gestolen ter waarde van $ 416.000,--.61 Op de vluchtroute van de overvallers is onder meer een helm aangetroffen. Uit dactyloscopisch onderzoek is naar voren gekomen dat een spoor aan de binnenzijde van het vizier een zeer grote mate van overeenkomst vertoont met de kenmerken van voornoemde [M].62

Volgens de getuige [I] – het is niet helemaal duidelijk of dit een herinnering aan het gesprek met de anonieme informant is of een naar aanleiding daarvan getrokken conclusie – ging het om de tweede overval op het Renaissance Hotel. In dat verband is van belang dat uit het onderzoek van het openbaar ministerie ook kan worden opgemaakt dat [bijnaam C] in januari 2011 een overval heeft gepleegd op de juwelier [juwelier 2] in de Renaissance Mall in Curaçao. De getuige [G] heeft verklaard dat [bijnaam C] hem heeft verteld dat hij, [bijnaam C], die overval heeft georganiseerd, dat ene [bijnaam L] en [bijnaam M] de overval hebben gepleegd en dat zij met een scooter zijn gevlucht. [G] heeft verder verklaard de buit te hebben gezien. Dat waren horloges, kettingen, armbanden en ringen.63 Ten aanzien van de overval is verder vastgesteld dat dezelfde modus operandi is gebruikt als bij de overval op de juwelier in Aruba.64

Opvallend in dit verband is dat de getuige [O], werknemer van [bedrijf van F], heeft verklaard dat [F] een gestolen horloge van de verdachte heeft gekocht.65

De door de getuige [I] overgebrachte verklaring vindt voorts bevestiging in de verklaringen van de getuige [G]. Volgens die verklaringen was de verdachte in maart 2013 nog in onderhandeling met [F]. Dat heeft de getuige [G] gehoord in de garage met [bijnaam C] tijdens een ontmoeting waarbij [bijnaam C], [bijnaam B], [H], de verdachte en twee hem onbekende mannen aanwezig waren. [H] heeft dat weliswaar met kracht ontkend, maar het Hof acht de verklaring van de getuige [G] desalniettemin betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daarbij betrekt het Hof dat hij de naam van [H] in zijn verklaring niet had hoeven noemen – [bijnaam C] en [bijnaam B] konden het niet navertellen en de andere twee mannen waren onbekend –, terwijl ook deze verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Het Hof wijst daarbij op de verklaringen van de getuigen [P] en [Q], die volgens een oud-collega (de getuige [O]) loopjongens van [F] waren en daarom veel meer van hem afwisten.66 Zij werkten indertijd ook bij [bedrijf van F] en zagen dat de verdachte daar voor de moord regelmatig alleen kwam, en soms samen met een andere persoon, om [F] te ontmoeten.67 Het wekt verbazing dat de verdachte alleen al dit regelmatige bezoek aan het kantoor van [F] tegenspreekt. Het wekt nog meer verbazing dat [Q] in opdracht van [F] “voor het geval dat” een rapport over de verdachte moest opmaken, waarin stond dat hij een aantal keren langs was geweest in verband met een sollicitatie, terwijl dat niet de gebruikelijke gang van zaken was.68 Daar komt nog bij dat de verdachte volgens [Q] en [P] zowel kort voor als na de moord meerdere keren is weggegaan met een gevulde envelop. Daarover heeft [Q] tegenover de politie het volgende verklaard: “Ongeveer één à anderhalve maand voor de moord op Wiels heb ik gezien dat [bijnaam verdachte] op bezoek kwam en wegging met een gevulde envelop. Dit ging als volgt. [F] gaf mij altijd laat in de middag de opdracht geld te halen bij de banken. Ik kreeg van [F] de opdracht om naar de Banco di Caribe te gaan en daar een cheque tegen contant geld te wisselen. Ik kreeg het geld bij de bank mee in een enveloppe. Ik moest die avond overwerken. Ik heb dat geld op het kantoor van [bedrijf van F] uit de enveloppe gehaald en in een bruine enveloppe gestopt. Deze enveloppen liggen in het kantoor van [bedrijf van F]. Normaal gesproken wordt er bij [bedrijf van F] met witte enveloppen gewerkt, maar ik stopte het geld in een bruine enveloppe en zette de enveloppe onder het bureau van [F]. Ik had daar een bedoeling bij.

In de maanden maart en april (het Hof: van 2013) kwam hij elke werkdag op het kantoor en dan tweemaal per dag en hij bleef ook langer dan eerder. Zeker in april zag ik dat [de verdachte] wegging met enveloppen. Dat waren blanco witte enveloppen.

Deze keer verliet [de verdachte] het kantoor van [F] met een bruine enveloppe onder zijn rechterarm. Het was voor 100% dezelfde enveloppe die ik bij [F] onder het bureau had gezet. De enveloppe was gekreukeld aan de onderzijde. Dat had ik gedaan, zodat ik de enveloppe kon herkennen wanneer hij door [de verdachte] meegenomen werd.” 69

Deze verklaring acht het Hof overtuigend. De raadsvrouw heeft daartegen ingebracht dat de getuige tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris de vraag of hij “ooit met eigen ogen heeft gezien dat [F] aan de verdachte geld overhandigde” met “nee” heeft beantwoord. Dat doet echter niet af aan de hiervoor aangehaalde verklaring, nu hij zichzelf daarin niet in het kantoor van [F] heeft geplaatst en de daadwerkelijke overdracht om die reden niet heeft kunnen zien. In de verklaring die de getuige [P] naar aanleiding van soortgelijke vragen bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, komt dat goed tot uitdrukking: “Ik heb één keer waargenomen dat [bijnaam verdachte] geld in zijn broekzak had. Ik heb meerdere keren waargenomen dat hij met een gevulde envelop bij [F] wegging.

Nee, ik heb de inhoud van de enveloppe niet bekeken voordat [bijnaam verdachte] [de verdachte] [bedrijf van F] verliet. Ik heb wel (het Hof begrijpt: een keer) gezien dat het dezelfde enveloppe was die ik bij de bank had gevuld met geld en die ik bij [F] had ingeleverd.

Aan de manier waarop de enveloppe was gevuld, kon ik zien dat het eerder door mij was gevuld. Ik heb een bijzondere manier om een enveloppe met geld te vullen, met aan de rand van de enveloppe bij de vouw een openstaand randje waardoor het pakket geld in de enveloppe zichtbaar wordt.” 70

De getuigen [P] en [Q] hebben ook verklaard over de broer van de verdachte, [broer van verdachte]. Volgens [P] is hij twee keer langs geweest, nadat de verdachte gedetineerd is geraakt.71 [Q] heeft op 1 mei 2014 over die bezoeken het volgende verklaard: “Ongeveer anderhalve maand geleden is de [broer van verdachte] op kantoor gekomen. Aan zijn gezicht kon je zien dat hij boos was. De broer lijkt veel op [bijnaam verdachte]. De broer gaf aan dat ze moest doorgeven aan [F] dat [achternaam verdachte en broer van verdachte] langs was geweest. [F] had gezegd dat hij geen [achternaam verdachte en broer van verdachte] kent. De eerste keer was de broer in de ochtend gekomen. Later kwam de broer van [de verdachte] in de middag weer terug. De broer van [de verdachte] gaf aan dat als [F] hem zou zien, dat hij hem zeker zou herkennen. [F] begon zich vreemd te gedragen. Hij ging heel voorzichtig kijken wie er stond. Op een gegeven moment zei [F] ons de man binnen te laten als hij ons een seintje gaf, maar hij liet uiteindelijk de broer van [de verdachte] zelf binnen en ze gingen een kantoor binnen, schuin tegenover de wc’s. Even later kwam [F] naar buiten en ging zijn eigen kantoor binnen. Het was duidelijk te zien dat hij zijn eigen kantoor verliet en dat zijn rechterbroekzak een hele bult had, dus vol zat. [F] had een stukje van zijn hand erin gestoken, maar ik kon toch zien dat er geld, bruine briefjes van 100 NAf in zijn broekzak zat.

[F] ging terug het kantoor in waar de broer van [de verdachte] was gebleven. Na niet al te lange tijd verliet de broer het kantoor en het pand. Ik heb bewust op de broekzak gelet.

U vraagt mij of de broer van [de verdachte] voor ons heeft gewerkt. Nee, de naam [achternaam verdachte en broer van verdachte] komt bij ons niet voor.” 72

Deze verklaring vindt steun in een e-mailbericht dat door [R], een collega van [P] en [Q], is verstuurd naar aanleiding van het bezoek van de broer van de verdachte. Daaruit volgt dat het bezoek op 11 februari 2014 plaatsvond.73 Uit afgeluisterde telefoongesprekken volgt dat de verdachte bij dat bezoek een geldbedrag heeft ontvangen.74

Zeker in het licht van al het voorgaande schreeuwen de sms-berichten die de verdachte met [F] heeft gewisseld, om een aannemelijke verklaring. Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat de verdachte die verklaring niet heeft gegeven. De verdachte heeft verklaard dat hij werk heeft gezocht voor zijn broer, maar dat valt zonder nadere uitleg lastig te rijmen met de omstandigheid dat zijn broer pas begin september 2013 vanuit Nederland naar Curaçao is verhuisd.75

Het wordt bepaald niet beter te begrijpen door het in een proces-verbaal van bevindingen neergelegde vermoeden dat de broer van de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor is geïnstrueerd en daarna heeft verklaard dat hij [bedrijf van F] heeft bezocht om werk voor zichzelf te zoeken.76 Het Hof had de verdachte daarover vragen willen stellen.

Het Hof had de verdachte ook vragen willen stellen over zijn verklaring dat het sms-bericht over de uniformen betrekking heeft op uniformen voor een baseballteam van een vriend. Hij zou die uniformen op de computer hebben gezien en aan [F] hebben willen laten zien om te kijken of hij die zou willen sponsoren. Het is namelijk opvallend dat [F] zelf, daarnaar herhaaldelijk gevraagd, geen enkele herinnering aan deze uniformen heeft. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen verklaring willen afleggen. Onder al die omstandigheden kan geen geloof worden gehecht aan de verklaring die de verdachte voor de sms-berichten heeft gegeven. Het Hof houdt het er daarom voor, gelijk het Gerecht, dat de genoemde “uniformen” zien op de mensen die voor de moord op Wiels waren ingeschakeld. Dat past ook geheel in de tijdslijn die uit de bewijsmiddelen valt te destilleren: na een voorstel van [bijnaam C] aan [F] over de buit van een overval op een juwelier in de Renaissance Mall, het tegenvoorstel aan [bijnaam C] en later aan de verdachte om Helmin Wiels van het leven te beroven en het aannemen van die opdracht door de verdachte (verklaring van [I]), volgt de onderhandeling tussen de verdachte en [F] in maart 2013 (verklaring van [G]), het aanzoeken van de schutter en de chauffeur in april 2013 (verklaringen van [A] en [ D]) en de daaropvolgende bevestiging aan [F] op 30 april 2013 dat de uitvoerders zijn geregeld.

Pogingen tot afpersing van de verdachte door NLS

Deze conclusie wordt kracht bijgezet door pogingen die zijn ondernomen om de verdachte af te persen. Voor een goed begrip daarvan is van belang te weten dat in de wijk Koraal Specht een criminele groepering bestaat onder de naam “No Limit Soldiers”, afgekort NLS, en dat daarbinnen op enig moment een tweedeling is ontstaan. Door onder meer een politiek conflict heeft een groep, onder aanvoering van de verdachte en [bijnaam C], zich afgesplitst en zich “New York Yankees” genoemd.77

Uit diverse verklaringen volgt dat de NLS kwaad was op de verdachte, omdat hij de moord op Helmin Wiels had georganiseerd en daarvoor NLS “soldaten” had gebruikt. [A] was lid van de NLS. De NLS werd daardoor in verband gebracht met de moord op Wiels.78

[S] en [K] zijn bij de verdachte geweest om daar namens de NLS een forse ‘schadevergoeding’ op te eisen.79

De verdachte heeft deze pogingen tot afpersing ontkend, maar die ontkenning is weinig overtuigend. De verklaringen vinden namelijk bevestiging in een afgeluisterd gesprek dat de verdachte met zijn vader heeft gevoerd, een vertrouwelijk opgenomen gesprek tussen [K] en zijn vriendin en ping-gesprekken tussen [K] en zijn halfbroer.80

Geen serieuze alternatieve scenario’s

De verdediging heeft zelf geen alternatief scenario naar voren gebracht. Het Hof heeft zich daarom ambtshalve voor de vraag gesteld welke omstandigheden nog afbreuk zouden kunnen doen aan de overtuiging die uit de bewijsmiddelen is verkregen. De samenwerking tussen de verdachte en [bijnaam C] op het gebied van drugshandel is een in het oog springende omstandigheid die wellicht door sommigen als verklaring zou kunnen worden gezien voor de contacten tussen de verdachte en [bijnaam C], en voor verdachtes aanwezigheid voorafgaand aan een bespreking van het moordplan in de garage van [bijnaam C]. Die omstandigheid verklaart evenwel niet de contacten tussen de verdachte en [F]. Naar het oordeel van het Hof kan die omstandigheid daarom geen afbreuk doen aan de bewezen verklaarde toedracht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn evenmin andere serieuze alternatieve scenario’s aannemelijk zijn geworden.

(ii). De bruikbaarheid van de verklaringen

De raadsvrouw heeft ook andere argumenten aangedragen waarom verklaringen van [A], [I] en [by-side van A] niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Zo is naar haar oordeel het gebruik van de verklaringen van [A] en [I] in strijd met het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6 EVRM, omdat die verklaringen betrekking hebben op hetgeen zij van anderen hebben gehoord en de verdediging op geen enkel moment in de gelegenheid is geweest om de bronnen van die getuigen te ondervragen c.q. te toetsen. Verder meent zij ten aanzien van één verklaring van [A], namelijk die van 10 maart 2014, dat door de wijze waarop die aan het papier is toevertrouwd, de inhoud ervan niet meer op waarde kan worden geschat. Ten aanzien van de verklaring van [by-side van A] heeft zij tot slot nog aangevoerd dat het aan het openbaar ministerie te wijten is, dat de verdediging haar niet meer heeft kunnen horen.

Verklaringen van [A]

Met betrekking tot de verklaringen van [A] wordt vooropgesteld dat deze, anders dan de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, ook zien op hetgeen hij zelf heeft waargenomen en ondervonden. Dat neemt niet weg dat een groot deel van de verklaringen ziet op hetgeen hij van [bijnaam C] heeft gehoord en de verdediging heeft [bijnaam C] daarover zelf niet kunnen bevragen, omdat hij zelfmoord heeft gepleegd.

Van een schending van het ondervragingsrecht is in het algemeen sprake, indien een behoorlijke en effectieve gelegenheid tot het ondervragen van de getuige heeft ontbroken, terwijl de verklaring van die getuige beslissend is geweest voor de bewezenverklaring en er geen afdoende compensatie heeft plaatsgevonden voor het ontbreken van het ondervragingsrecht.

Het Hof overweegt in dat verband dat de verklaringen van [A] onmiskenbaar een belangrijke plaats innemen in de bewijsvoering. De verklaringen zijn naar het oordeel van het Hof evenwel niet op zichzelf staand en beslissend. Zoals hiervoor overwogen, vindt de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezen verklaarde in (meer dan) voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen. Reeds daarom is voor bewijsuitsluiting geen aanleiding. Daarnaast is het ontbreken van de ondervragingsmogelijkheid ruimschoots gecompenseerd. De verdediging heeft [A] immers daarover zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep kunnen ondervragen. Bovendien is dat laatste getuigenverhoor op een geluidsband opgenomen en woordelijk uitgewerkt.

Met betrekking tot de door [A] op 10 maart 2014 afgelegde verklaring overweegt het Hof als volgt. Anders dan de raadsvrouw meent, is de conclusie niet gerechtvaardigd dat de inhoud van de verklaring geweld is aangedaan door die in afzonderlijke processen-verbaal te verwerken. Het openbaar ministerie heeft daarvoor verantwoording afgelegd. De reden dat de verklaring in vier afzonderlijke processen-verbaal is verwerkt, is dat daarmee de mogelijkheid wordt behouden om per onderwerp te bezien wat het juiste moment is om de verklaring in het onderzoek te brengen. Dat is een gerechtvaardigd belang van het openbaar ministerie dat bovendien geen afbreuk doet aan de inhoud van de verklaring. Bewijsuitsluiting van deze verklaring is dan ook niet aan de orde.

Verklaring van [I]

In relatie tot de verklaring van [I] heeft het Gerecht met juistheid vooropgesteld dat een verklaring van een getuige waarin verslag wordt gedaan van hetgeen een niet nader te traceren persoon hem heeft verteld, niet kan worden aangemerkt als een verklaring als bedoeld in artikel 385, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (HR 14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8925). Dat laat onverlet dat die verklaring daarmee wel gelijkenis vertoont, nu in beide gevallen sprake is van een onverifieerbaar element. Het Gerecht heeft dat onderkend door vast te stellen dat de verklaring in belangrijke mate wordt ondersteund door de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Het Hof verenigt zich daarmee en verwijst daarvoor naar hetgeen in het kader van de betrouwbaarheid is overwogen.

Ingeval de getuige [I] procedureregels en/of zijn geheimhoudingsplicht zou hebben geschonden die in relatie stonden tot zijn functie als hoofd van de Veiligheidsdienst hoeven daar evenmin consequenties aan te worden verbonden, aangezien die regels en/of plicht de verdachte niet regarderen. Dat geldt in het bijzonder nu de getuige [I] niet verbonden is aan het openbaar ministerie en ook niet door het openbaar ministerie is aangestuurd bij het vergaren van de informatie.

Anders dan de raadsvrouw is het Hof voorts met de procureurs-generaal van oordeel dat de kans op dubbeltelling, dat de informant van [I] in deze zaak eveneens een verklaring als getuige heeft afgelegd, zo klein is dat daaraan als hoogstonwaarschijnlijk kan worden voorbijgegaan. In het dossier bevindt zich immers geen gelijksoortige verklaring als die van de getuige [I].

Verklaring van [by-side van A]

Met betrekking tot de verklaring van [by-side van A] overweegt het Hof nog als volgt. Het openbaar ministerie heeft sinds haar vertrek naar het buitenland geen (rechtstreeks) contact meer kunnen krijgen met de getuige. De inspanningen om haar woon- of verblijfadres te achterhalen, hebben niets opgeleverd. De verdediging heeft haar daarom niet kunnen ondervragen. Anders dan de raadsvrouw kennelijk meent, is er geen aanleiding te veronderstellen dat het openbaar ministerie het ondervragingsrecht moedwillig heeft gefrustreerd. Evenmin is gebleken dat het niet kunnen uitoefenen van dat recht te wijten is aan onzorgvuldig handelen van het openbaar ministerie. Vastgesteld moet worden dat de getuige niet kan worden getraceerd; er bestaat aldus een goede reden voor het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid. Haar verklaring is niet van beslissende betekenis en vindt in voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen, zodat aan het gebruik daarvan niets in de weg staat.

(iii). Nauwe en bewuste samenwerking

De raadsvrouw heeft verder nog aangevoerd dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [A], [C] en [B] bij de moord op Helmin Wiels.

Uit de door het Hof gehanteerde bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte de opdracht voor de moord op Wiels van [F] heeft aangenomen, dat hij vervolgens met [F] en [C] heeft onderhandeld over de verdere uitvoering van de moord en het bedrag dat daarvoor betaald moest worden, dat hij daarvoor vervolgens via [C] een schutter ([A]) en een chauffeur ([B]) heeft aangezocht, en dat hij het geld dat voor hen bestemd was aan [C] heeft (door)gegeven. De materiële en intellectuele bijdrage van de verdachte aan het geheel is daarmee ontegenzeggelijk aanzienlijk en dus ook van voldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen.

Het verweer wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:262 juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op Helmin Magno Wiels.

Het Gerecht heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren.

De procureurs-generaal hebben gevorderd dat de verdachte tot een hogere straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren, zal worden veroordeeld.

Het Hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Een moord wordt algemeen beschouwd als een van de ernstigst denkbare delicten, aangezien het opzettelijk en met voorbedachten raden benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is.

De verdachte heeft aan deze moord een beslissende bijdrage gehad. De verdachte heeft na onderhandeling, met enkel oog voor financieel gewin, weloverwogen een opdracht aangenomen om een volksvertegenwoordiger uit de weg te ruimen. De verdachte heeft daarbij een leidende rol op de achtergrond ingenomen en anderen het vuile werk laten opknappen, met de kennelijke bedoeling zo zelf uit beeld te blijven. De ingeschakelde huurmoordenaar, [A], heeft zijn opdracht op meedogenloze wijze uitgevoerd. Op klaarlichte dag werd Helmin Wiels bij de Pier van Marie Pampoen, waar hij met kennissen een biertje aan het drinken was, volledig verrast door het kogelvuur dat op hem werd geopend. Hem werd geen kans gelaten om aan de aanval te ontkomen. De verdachte en zijn mededaders hebben daarmee onpeilbaar leed toegebracht aan de familieleden en de vrienden van het slachtoffer en Curaçao in rouw gedompeld. Daar komt bij dat Helmin Wiels de leider was van een politieke partij, die op dat moment een significant deel van de bevolking vertegenwoordigde. In het algemeen, binnen Curaçao, maar ook daarbuiten, heeft de aanslag de rechtsorde zeer ernstig geschokt.

De verdachte heeft ervoor gekozen de verantwoordelijkheid voor zijn handelen niet op zich te nemen en heeft evenmin laten blijken spijt of berouw te hebben. Die proceshouding maakt het verwerkingsproces voor de nabestaanden des te moeilijker. Het Hof rekent ook dat de verdachte aan. De door de raadsvrouw aangevoerde persoonlijke omstandigheden kunnen dan ook nauwelijks gewicht in de schaal leggen.

Het Hof is – unaniem – van oordeel dat niet met een andere of lichtere straf kan worden volstaan dan met de maximale tijdelijke gevangenisstraf: 30 jaar. Daarop moet verdachtes eerdere, inmiddels onherroepelijk geworden, veroordeling voor drugssmokkel en witwassen in mindering worden gebracht. Dat betekent dat het Hof de verdachte, conform de eis van het openbaar ministerie, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62 en 1:138 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg en doet opnieuw recht;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair (impliciet primair) ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. T.E. van der Spoel, M.C.B. Hubben en D. Radder, leden van het Hof, bijgestaan door mrs. A.P. Verhaegh en T.M.A.D. de Lanoy, (zittings)griffiers, en op 13 juli 2018 uitgesproken in tegenwoordigheid van deze griffiers ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met de Penitentiaire Inrichting Middelburg in Nederland.

mr. D. Radder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die zijn opgenomen in het einddossier van het Korps Politie Curaçao genaamd Magnus, dat onder meer bestaat uit de zaaksdossiers Marie Pampun en Maximus.

2 Proces-verbaal uitleg personen en achtergrondinformatie d.d. 9 juni 2016, pagina B-0007 van zaaksdossier Maximus.

3 Proces-verbaal van doodsconstatering d.d. 6 mei 2013, pagina 1349 van zaaksdossier Marie Pampun; proces-verbaal analyse historische printgegevens d.d. 29 juli 2013, pagina 933 en 956 van zaaksdossier Marie Pampun. Opmerking verdient dat het relaasproces-verbaal vermeldt dat de schietpartij “omstreeks 16:50 uur” heeft plaatsgevonden en dat een ander proces-verbaal vermeldt dat “omstreeks 16:54 uur” melding is gedaan van de schietpartij op het Curaçaose alarmnummer 991, maar het Hof houdt het er – gezien de analyse van de historische printgegevens van het telefoonnummer van [A] – op dat de schietpartij tussen 16:57 en 16:59 uur heeft plaatsgevonden.

4 Proces-verbaal van lijkherkenning H.M. Wiels d.d. 6 mei 2013, pagina 867 van zaaksdossier Marie Pampun.

5 Verslag van een deskundige d.d. 23 mei 2013, te weten het rapport van de deskundige P.M.I. van Driessche van het Nederlands Forensische Instituut, pagina 1885 tot en met 1887 van zaaksdossier Marie Pampun.

6 Verklaring van de getuige [A] d.d. 19 april 2017, pagina 2 van het proces-verbaal dat van de op 19 en 21 april 2017 gehouden terechtzitting is opgemaakt.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A] d.d. 19 maart 2014, pagina V.0002 van zaaksdossier Maximus.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A] d.d. 11 maart 2014, pagina V-0023 van zaaksdossier Maximus.

9 Verklaring van de getuige [A] d.d. 6 juni 2018, zoals die eventueel later - indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld - in het proces-verbaal van de op 6, 7, 8 en 22 juni 2018 gehouden terechtzitting zal worden weergegeven.

10 Proces-verbaal van bevindingen gegevensverstrekking [reisbureau] d.d. 7 maart 2014 met bijlage, pagina 320 van zaaksdossier Marie Pampun.

11 Proces-verbaal verhoor verdachte [D] d.d. 2 oktober 2013, pagina V-0046 en V-0047 van zaaksdossier Maximus.

12 Verklaring van de getuige [A] d.d. 19 april 2017, pagina 2 van het proces-verbaal dat van de op 19 en 21 april 2017 gehouden terechtzitting is opgemaakt.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A] d.d. 11 maart 2014, pagina V-0014 van zaaksdossier Maximus.

14 Verklaring van de getuige [A] d.d. 6 juni 2018, zoals die eventueel later - indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld - in het proces-verbaal van de op 6, 7, 8 en 22 juni 2018 gehouden terechtzitting zal worden weergegeven.

15 Proces-verbaal van verdachtenverhoor [E][E] d.d. 29 oktober 2013, pagina V-0081 van zaaksdossier Maximus.

16 Proces-verbaal van verdachtenverhoor [E][E] d.d. 18 november 2013, pagina V-0137 van zaaksdossier Maximus.

17 Verklaring van de getuige [A] d.d. 6 juni 2018, zoals die eventueel later - indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld - in het proces-verbaal van de op 6, 7, 8 en 22 juni 2018 gehouden terechtzitting zal worden weergegeven.

18 Verklaring van de getuige [A] d.d. 6 juni 2018, zoals die eventueel later - indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld - in het proces-verbaal van de op 6, 7, 8 en 22 juni 2018 gehouden terechtzitting zal worden weergegeven.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A] d.d. 11 maart 2014, pagina V-0015 en V-0016 van zaaksdossier Maximus.

20 Proces-verbaal verhoor verdachte [D] d.d. 28 maart 2014, pagina V-0061 van zaaksdossier Maximus.

21 Proces-verbaal analyse historische printgegevens d.d. 29 juli 2013, pagina 933, 944 tot en met 949 en 951 van zaaksdossier Marie Pampun.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A] d.d. 11 maart 2014, pagina V-0017 en V-0018 van zaaksdossier Maximus.

23 Verklaring van de getuige [A] d.d. 19 april 2017, pagina 2 en 3 van het proces-verbaal dat van de op 19 en 21 april 2017 gehouden terechtzitting is opgemaakt.

24 Proces-verbaal van bevindingen gegevensverstrekking [reisbureau] d.d. 7 maart 2014 met bijlage, pagina 320 van zaaksdossier Marie Pampun.

25 Verklaring van de getuige [A] d.d. 6 juni 2018, zoals die eventueel later - indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld - in het proces-verbaal van de op 6, 7, 8 en 22 juni 2018 gehouden terechtzitting zal worden weergegeven.

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A] d.d. 19 maart 2014, pagina V-0009 en V-0010 van zaaksdossier Maximus.

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A] d.d. 19 maart 2014, pagina V-0010 van zaaksdossier Maximus.

28 Verklaring van de getuige [A] d.d. 6 juni 2018, zoals die eventueel later - indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld - in het proces-verbaal van de op 6, 7, 8 en 22 juni 2018 gehouden terechtzitting zal worden weergegeven.

29 Proces-verbaal van verhoor van getuige, opgemaakt door rechter-commissaris mr. S.M. Christiaan, d.d. 31 maart 2017, pagina G-0420 van zaaksdossier Maximus (2e aanvulling)

30 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 oktober 2017, pagina G-0433 van zaaksdossier Maximus (3e aanvulling).

31 Proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 5 maart 2018, opgemaakt door rechter-commissaris mr. S.M. Christiaan.

32 Proces-verbaal van bevindingen telefonische contacten [de verdachte]-[F]-[C] d.d. 12 januari 2016, pagina B-0595 tot en met B-0598 van zaaksdossier Maximus.

33 In dit verband verdient opmerking dat [A] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft verklaard dat hij meer dan NAf 200.000,-- betaald heeft gekregen. Het Hof twijfelt, gelet op het verloop van dat verhoor en de inhoud van de stukken, aan de juistheid daarvan, maar is van oordeel dat die juistheid in het midden kan blijven. Daarbij betrekt het Hof dat de hoeveelheid van het aan [A] betaalde geld, het bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte niet rechtstreeks raakt en dat het genoemde bedrag in ieder geval het vastgestelde bedrag van NAf 100.000,-- omvat.

34 Proces-verbaal van verhoor getuige [vrouw van A] d.d. 11 februari 2014, pagina G-0041 en G-0046 van zaaksdossier Maximus.

35 Proces-verbaal van verhoor getuige [by-side van A] d.d. 5 september 2013, pagina G-0018 en G-0019 van zaaksdossier Maximus.

36 Geschrift, te weten het door het Hof bevestigde vonnis van het Gerecht in eerste aanleg in de zaak tegen [A], d.d. 29 augustus 2014, pagina B-0031 en B-0032 (bewijsmiddel 17), B-0033 (bewijsmiddel 22) en B-0034 en B-0035 (bewijsmiddel 31).

37 Proces-verbaal van verhoor verdachte [vrouw van A] d.d. 10 februari 2014, pagina 177 en 178 van zaaksdossier Marie Pampun; proces-verbaal bevinding plaatsaanwijzing d.d. 24 februari 2014, pagina 316 van zaaksdossier Marie Pampun.

38 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2014, pagina 1428 en 1429 van zaaksdossier Marie Pampun; geschrift, te weten een rapport, d.d. 19 juni 2014, pagina 1430 en 1431 van zaaksdossier Marie Pampun; proces-verbaal van bevindingen betreffende vergelijking van vuurwapen afgebeeld op foto met [A] en dochter en het vuurwapen dat in de wateren van Waaigat werd aangetroffen en in beslag genomen d.d. 1 juli 2014, pagina 1432 tot en met 1435 van zaaksdossier Marie Pampun; verslag van een deskundige d.d. 4 juli 2014, te weten het rapport van de deskundige P.J.M. Pauw-Vugts van het Nederlands Forensische Instituut, pagina 1664 tot en met 1671 van zaaksdossier Marie Pampun.

39 Proces-verbaal gemaakte kosten in het kader van de veiligheid van de getuigen en/of de verdachten in het onderzoek Magnus d.d. 17 juli 2014, pagina 1820 en 1821 van zaaksdossier Marie Pampun.

40 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2015, pagina B-1044 en B-1045 van zaaksdossier Maximus; proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2015, pagina B-1047 en B-1048 van zaaksdossier Maximus; proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 december 2015, pagina B-1050 en B-1051 van zaaksdossier Maximus; proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 mei 2016, pagina B-1053 en B-1054 van zaaksdossier Maximus; geschrift, te weten een brief van de officier van justitie, d.d. 5 oktober 2015, pagina B-1055 en B-1056 van zaaksdossier Maximus; geschrift, te weten een brief van het vestigingshoofd van het RST, d.d. 9 oktober 2015, pagina B-1057 en B-1058 van zaaksdossier Maximus.

41 Proces-verbaal van bevindingen [by-side van A] d.d. 31 mei 2018.

42 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 januari 2016, pagina B-0088 tot en met B-0091 van zaaksdossier Maximus.

43 Verklaring van de getuige [A] d.d. 6 juni 2018, zoals die eventueel later - indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld - in het proces-verbaal van de op 6, 7, 8 en 22 juni 2018 gehouden terechtzitting zal worden weergegeven.

44 Proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 12 oktober 2015, pagina G-0006 en G-0007 van het zaaksdossier Maximus; proces-verbaal van verhoor getuige [A] d.d. 12 oktober 2015, pagina G-0010 en G-0011 van zaaksdossier Maximus.

45 Proces-verbaal bevinding d.d. 21 mei 2014, pagina 1197 van het zaaksdossier Marie Pampun.

46 Proces-verbaal verhoor getuige [zus van C] d.d. 25 juni 2014, pagina G-0160 en G-0161 van het zaaksdossier Maximus.

47 Proces-verbaal bevinding d.d. 21 mei 2014, pagina 1999 en 1200 van het zaaksdossier Marie Pampun.

48 Proces-verbaal verhoor getuige [zus van C] d.d. 25 juni 2014, pagina G-0166 en G-0167 van het zaaksdossier Maximus.

49 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D] d.d. 2 oktober 2013, pagina V-0046 van het zaaksdossier Maximus.

50 Proces-verbaal van verdachtenverhoor [E] d.d. 12 november 2013, pagina V-0071 en V-0072 van zaaksdossier Maximus.

51 Proces-verbaal van verdachtenverhoor [K] d.d. 11 juli 2014, pagina V-0149 van zaaksdossier Maximus.

52 Proces-verbaal van verdachtenverhoor [K] d.d. 17 juli 2014, pagina V-0152 van zaaksdossier Maximus.

53 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 februari 2018, pagina G-0574 van zaaksdossier Maximus (4e aanvulling).

54 Proces-verbaal verhoor getuige [zus van C] d.d. 13 december 2013, pagina G-0146 van zaaksdossier Maximus.

55 Proces-verbaal verhoor getuige [zus van C] d.d. 13 december 2013, pagina G-0156 en G-0157 van zaaksdossier Maximus.

56 Proces-verbaal verhoor getuige [vriendin van C] d.d. 15 december 2013, pagina G-0104 en G-0106 van zaaksdossier Maximus.

57 Proces-verbaal van verhoor getuige [broer van C] d.d. 4 oktober 2017, pagina G-0437 van zaaksdossier Maxiums (2e aanvulling).

58 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 31 maart 2017, pagina G-0421 van zaaksdossier Maximus (2e aanvulling); een niet van het onder 1 vermeld politiedossier deel uitmakend proces-verbaal, namelijk een proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 21 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door rechter-commissaris mr. S.M. Christiaan.

59 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 oktober 2017, G-0453 van zaaksdossier Maximus (4e aanvulling).

60 Proces-verbaal 4e aanvulling zaaksdossier Maximus d.d. 9 maart 2014, pagina 23.

61 Proces-verbaal 4e aanvulling zaaksdossier Maximus d.d. 9 maart 2014, pagina 22.

62 Proces-verbaal 4e aanvulling zaaksdossier Maximus d.d. 9 maart 2014, pagina 24.

63 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 juni 2017, pagina G-0534 en G-0535 van zaaksdossier Maximus.

64 Proces-verbaal 4e aanvulling zaaksdossier Maximus d.d. 9 maart 2014, pagina 21 en 22.

65 Proces-verbaal van verhoor d.d. 17 augustus 2016, pagina G-0466 van zaaksdossier Maximus.

66 Proces-verbaal van verhoor d.d. 20 augustus 2016, pagina G-0474 en G-0475 van zaaksdossier Maximus.

67 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 mei 2014, pagina G-0184 van zaaksdossier Maximus; proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 mei 2014, pagina G-0225 van zaaksdossier Maximus.

68 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 mei 2014, pagina G-0183 en G-0184 van zaaksdossier Maximus.

69 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 maart 2016, pagina G-0215 en G-0216 van zaaksdossier Maximus.

70 Proces-verbaal verhoor van getuige d.d. 12 maart 2018, opgemaakt door rechter-commissaris mr. S.M. Christiaan.

71 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 mei 2014, pagina G-0227 van zaaksdossier Maximus.

72 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 mei 2014, pagina G-0186 en G-0187 van zaaksdossier Maximus.

73 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 maart 2017 met bijlage, pagina B-1156 tot en met B-1158 van zaaksdossier Maximus (2e aanvulling).

74 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2015, pagina B-0501 van zaaksdossier Maximus.

75 Proces-verbaal van verhoor d.d. 20 september 2013, pagina V-0441 van zaaksdossier Maximus.

76 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2015, pagina B-0502 van zaaksdossier Maximus.

77 Proces-verbaal uitleg personen en achtergrondinformatie d.d. 9 juni 2016, pagina B-0006 van zaaksdossier Maximus.

78 Proces-verbaal uitleg personen en achtergrondinformatie d.d. 9 juni 2016, pagina B-0009 van zaaksdossier Maximus; proces-verbaal van verhoor getuige [vrouw van A] d.d. 6 maart 2014, pagina G-0070 van zaaksdossier Maximus; proces-verbaal verhoor [T] d.d. 6 februari 2014, pagina B-0197 van zaaksdossier Maximus; proces-verbaal verhoor getuige [S], pagina G-0385 en G-0388 tot en met G-0392 van zaaksdossier Maximus (1e aanvulling).

79 Proces-verbaal getuige verhoor [vriendin van K] d.d. 25 januari 2017, pagina G-0412 van zaaksdossier Maximus (1e aanvulling); proces-verbaal verhoor getuige [S], pagina G-0385 en G-0388 tot en met G-0392 van zaaksdossier Maximus (1e aanvulling).

80 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2014 met bijlagen, pagina B-0123, B-0124, B-0130, B-0133, B-0136 en B-0137 van zaaksdossier Maximus; proces-verbaal relevante pin-gesprekken d.d. 17 november 2015, met bijlagen, pagina B-0142 en B-0209 van zaaksdossier Maximus; proces-verbaal uitwerken ovc d.d. 27 augustus 2016, pagina B-1134 en B-1135 van zaaksdossier Maximus (1e aanvulling); proces-verbaal uitwerken ovc d.d. 10 september 2016, pagina B-1138 en B-1139 van zaaksdossier Maximus (1e aanvulling); proces-verbaal uitwerken ovc d.d. 22 augustus 2016, pagina B-1148 van zaaksdossier Maximus (1e aanvulling).