Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:120

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
CUR201400491 - CUR2106H00065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onderhandse akte - schuldbekentenis - vernietiging besluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/947
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:

Registratienummers: CUR201400491 - CUR2106H00065

Uitspraak: 3 juli 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ADVOCATENPRAKTIJK R.J. BOS N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. S. Limon,

tegen

de besloten vennootschap

HOUSINGTECH B.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. A.J. de Winter.

Partijen worden hierna Bos en Housingtech genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van hoger beroep van 24 november 2016 is Bos in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van 23 mei 2016 en 17 oktober 2016 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht). Op 4 januari 2017 heeft Bos een memorie van grieven ingediend, waarin zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen, afwijzing van de vorderingen van Housingtech en veroordeling van Housingtech in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.

1.2

Housingtech heeft een memorie van antwoord in het principaal appel ingediend en daarbij tevens incidenteel appel ingesteld tegen het vonnis van

17 oktober 2016. Zij heeft geconcludeerd tot verwerping van de grieven van Bos in het principaal appel en tot gedeeltelijke vernietiging van dat vonnis in het incidentele appel, kosten rechtens en uitvoerbaar bij voorraad.

1.3

Op 21 juli 2017 heeft Bos een memorie van antwoord in het incidenteel appel ingediend, dat strekt tot verwerping van de door Housingtech voorgestelde grief.

1.4

Op 8 mei 2018 hebben partijen pleitnotities ingediend.

1.5

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Housingtech is opgericht door R.J.E.F. [naam] in opdracht van S. [naam 1] ([naam 1]) en [naam 2] ([naam 2]), de Italiaanse ‘ultimate beneficial owners’ (ubo’s). Vanaf (kort na) de oprichting hielden [naam] en [naam 3] ieder 50% van de aandelen in Housingtech. Zij deden dit voor en ten behoeve van de ubo’s krachtens twee zogenoemde ‘nominee agreements’. De nominee agreement van [naam] is aangegaan met [naam 1] en houdt in dat alle rechten verbonden aan de aandelen aan [naam 1] toekomen, dat [naam] uitsluitend handelt als ‘agent and nominee’ voor [naam 1] en dat [naam] op eerste verzoek van [naam 1] de aandelen zal overdragen zonder vergoeding. De tweede ‘nominee agreement’ met dezelfde inhoud is aangegaan tussen [naam 2] en [naam 3]. Bij de oprichting zijn [naam] en [naam 3] tevens benoemd tot directeur van Housingtech. Het statutaire doel van Housingtech is het drijven van handel en im- en export in brede zin.

2.2

In januari 2014 is een conflict ontstaan tussen [naam] enerzijds en [naam 1] en [naam 2] anderzijds. De beide ubo’s beschuldigden [naam] ervan grote geldbedragen te hebben weggesluisd uit Housingtech. [naam] is in dit conflict (aanvankelijk) bijgestaan door Bos. Bij e-mail van 12 februari 2014 heeft de advocaat van [naam 1] aan Bos verzocht dat [naam] vrijwillig defungeert als directeur van Housingtech en de aandelen overdraagt. [naam] heeft aan dat verzoek niet voldaan. In opvolgende e-mailcorrespondentie heeft (mr. R.J. Bos, bestuurder van) Bos zich (mede) gepresenteerd als advocaat van Housingtech.

2.3

Op 8 april 2014 hebben Bos en Housingtech, vertegenwoordigd door [naam], ten overstaan van een notaris verklaard dat Housintech aan Bos schuldig was een bedrag van NAf 14.985,- voor door Bos aan Housingtech verleende diensten en adviezen in de periode januari en februari 2014, conform een factuur van 28 februari 2014. Deze verklaring is vastgelegd in een notariële akte.

2.4

Bij separate brieven van 28 april 2014 heeft de advocaat van [naam 1] aan [naam] en Housingtech bericht dat [naam] binnen drie dagen de aandelen moet overdragen, overige stukken moet afgeven en het inmiddels gelegde beslag moet opheffen. Verder is meegedeeld dat de positie van [naam] als directeur ter discussie staat en dat hij om die reden Housingtech niet mag binden zonder uitdrukkelijke toestemming van [naam 1].

2.5

Op 4 juni 2014 hebben Bos en [naam] ten overstaan van de notaris verklaard dat [naam] aan Bos schuldig was een bedrag van NAf 41.458,80,- voor door Bos aan [naam] verleende diensten, conform facturen van 28 februari 2014, 28 maart 2014 en 2 juni 2014. Deze verklaring is vastgelegd in een notariële akte.

2.6

Op 6 juni 2014 hebben Bos en Housingtech, vertegenwoordigd door [naam], schriftelijk verklaard dat Housingtech voor aan haar verleende diensten en adviezen NAf 26.473,50 verschuldigd was aan Bos, conform declaraties van 28 maart 2014 en 2 juni 2014. Ook deze verklaring is vastgelegd in een notariële akte.

2.7

Bij kortgedingvonnis van het Gerecht van 10 juni 2014, gewezen tussen [naam 1] en [naam], is [naam] bevolen om de door hem gehouden aandelen in Housingtech aan [naam 1] over te dragen, omdat - kort gezegd - hij daartoe verplicht was op grond van de nominee agreement. De aandelenoverdracht heeft vevolgens plaatsgevonden. Op 23 juni 2014 is [naam] ontslagen als bestuurder van Housingtech.

2.8

Bos heeft op 25 juni 2014 executoriaal derdenbeslag laten leggen ten laste van Housingtech onder de MCB bank, die NAf 42.431,98 heeft afgedragen aan de deurwaarder. Housingtech heeft vervolgens op 25 augustus 2014 conservatoir beslag laten leggen onder de deurwaarder ten laste van Bos.

2.9

Bij vonnis van het Gerecht van 1 december 2014, gewezen tussen de ubo’s en Housingtech, is (onder meer) het bestuursbesluit tot het aangaan en ondertekenen van de in 2.3 en 2.6 vermelde notariële aktes op grond art. 2:21 lid 3 BW vernietigd en is voor recht verklaard dat die twee aktes van aanvang af rechtsgeldigheid ontberen. Housingtech is wel verschenen maar heeft geen verweer gevoerd. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

2.10

Bij bodemvonnis van het Gerecht van 25 januari 2016, gewezen tussen Housingtech en [naam], is geoordeeld dat van bewuste benadeling van Housingtech door [naam] sprake lijkt te zijn en dat de vernietiging van het bestuursbesluit tot het aangaan van de schuldbekentenissen ook jegens [naam] geldt. De vordering tot betaling door [naam] van de daaruit mogelijk voortvloeiende schade, namelijk in het geval Housingtech wordt verplicht tot betaling aan Bos voor door hem aan [naam] verleende diensten is echter afgewezen, omdat die schade (nog) niet was geleden. Een aantal andere vorderingen van Housingtech op [naam] zijn wel toegewezen.

2.11

Housingtech heeft in de huidige procedure gevorderd:

- een verklaring voor recht dat Bos de vordering uit hoofde van de in 2.3 en 2.6 bedoelde schuldbekentenissen niet rechtsgeldig heeft kunnen overdragen,
- veroordeling van Bos tot betaling van NAf 42.431,98, vermeerderd met rente en kosten,

- bepaling dat Housingtech zich kan verhalen op hetgeen de deurwaarder ingevolge het beslag van 25 augustus 2014 onder zich houdt,

- veroordeling van Bos in de proceskosten.

2.12

Aan deze vorderingen heeft Housingtech ten grondslag gelegd dat Bos nooit een vordering op Housingtech heeft gehad, dat Housingtech de vorderingen van Bos van meet af aan heeft betwist en dat aan de schuldbekentenissen de grondslag is komen te ontvallen doordat de bestuursbesluiten waarop die zijn gebaseerd zijn vernietigd.

2.13

Het Gerecht heeft Bos veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van
NAf 42.431,98, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het meer of anders gevorderde heeft het Gerecht afgewezen. In het tussenvonnis van 23 mei 2016 heeft het Gerecht geoordeeld dat op grond van het bepaalde in art. 2:22 BW de vernietiging van een bestuursbesluit alleen dan niet tegen een derde, zoals in dit geval Bos, kan worden tegengeworpen, indien hij het gebrek dat aan het besluit kleefde kende noch behoefde te kennen. Het Gerecht heeft Bos in de gelegenheid gesteld feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat hij de gebreken die aan bestuursbesluiten tot het aangaan en ondertekenen van de in 2.3 en 2.6 vermelde notariële aktes kleefden, kende noch behoefde te kennen. Daaraan heeft het Gerecht toegevoegd dat van Bos mag worden verwacht dat hij volledig inzicht geeft in de rechtsverhouding die aan de aktes ten grondslag ligt. In het eindvonnis van 17 oktober 2016 heeft het Gerecht geoordeeld dat Bos in het een noch het ander is geslaagd, dat Bos zich dus niet meer enkel op de aktes kan beroepen ter onderbouwing van zijn vordering en dat, nu hij voor het overige geen informatie heeft verstrekt over zijn rechtsverhouding met Housingtech, de rechtsgrond van zijn vorderingen niet is komen vast te staan.

2.13

Tegen deze oordelen zijn de grieven 1 tot en met 6 gericht. Het vonnis van 1 december 2014 vermeldt als grond voor vernietiging van de bestuursbesluiten tot het aangaan van de schuldbekentenissen alleen art. 2:21 lid 3 BW. Vanwege het feit dat door Housingtech geen verweer was gevoerd heeft het Gerecht voor het overige volstaan met de overweging dat (onder meer) die vordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dit neemt niet weg dat het voor Bos gelet op de voorgeschiedenis van de zaak vanaf eind januari 2014 en op de stellingname van Housingtech in de onderhavige procedure glashelder moet zijn geweest dat de vernietiging van de besluiten erop was gebaseerd dat [naam] het betreffende besluit heeft genomen nadat de ubo’s hadden aangegeven dat [naam] als bestuurder moest vertrekken, dat zij zich verzetten tegen het verlenen van een opdracht door Housingtech voor door Bos aan [naam] te verlenen rechtsbijstand, althans het aanvaarden van een betalingsverplichting ter zake, dat [naam] met zijn aanblijven en het nemen van de besluiten handelde in strijd met de ‘nominee agreements’, dat met die besluiten alleen de belangen van [naam] waren gediend en dat deze nadelig waren voor de vennootschap Housingtech. Dit heeft het Gerecht ook nog eens uitgelegd in 4.3 van het vonnis van 23 mei 2016. Hoewel uit het vonnis van 1 december 2014 niet kan worden afgeleid op welke van de gronden van art. 2:21 lid 3 BW het Gerecht de vernietiging heeft gebaseerd, was voor Bos dus wel duidelijk dat het op zijn weg lag de vermelde feiten en omstandigheden en/of zijn wetenschap daaromtrent te betwisten. Zijn betoog dat hij door het ontbreken van verdere motivering in het vonnis van 1 december 2014 niet wist/weet waartegen hij zich moe(s)t verweren, gaat dus niet op. Daarbij is van belang dat Bos niet heeft gesteld dat en waarom de handelwijze van [naam] überhaupt geen grond voor vernietiging van het bestuursbesluit kon opleveren of dat het vonnis van 1 december 2014 is gebaseerd op een juridische of feitelijke misslag. Daarvan is evenmin gebleken.

2.14

In hoger beroep heeft Bos zijn stellingen over zijn (gebrek aan) wetenschap over de gebreken in de vernietigde besluiten en die over zijn rechtsverhouding met Housingtech niet aangevuld of nader onderbouwd. Evenals het Gerecht is het Hof van oordeel dat Bos onvoldoende heeft gesteld om, indien bewezen, aan te nemen dat hij het gebrek dat aan de bestuursbesluiten kleefde niet kende of behoefde te kennen. Al in de e-mail van 12 februari 2014 (zie 2.2) heeft de advocaat van de ubo’s aan Bos bericht dat [naam] niet kon aanblijven als directeur wegens een (vermeende) verduistering. Bos heeft niet weersproken dat hij, voorafgaand aan de ondertekening van de schuldbekentenissen door [naam] namens Housingtech, wist van het bestaan en de inhoud van de ‘nominee agreements’. Het moet voor hem dus duidelijk zijn geweest dat [naam] met het aangaan van de schuldbekentenis inging tegen de wensen en de belangen van de ubo’s en de vennootschap zelf. Dat dit een grond voor vernietiging van de besluiten kon opleveren, mag bij Bos als advocaat ook bekend worden verondersteld. Dit betekent dat Bos zich voor het bewijs van het bestaan van de door hem gestelde rechtsverhouding tussen hem en Housingtech niet met vrucht op de in 2.3 en 2.6 bedoelde aktes kan beroepen.

2.15

Andere feiten diegrond kunnen vormen voor het bestaan van een overeenkomst van opdracht tussen Housingtech en Bos voor het verlenen van rechtsbijstand aan [naam] heeft Bos in eerste aanleg en in hoger beroep niet naar voren gebracht. Het wordt dan ook als vaststaand aangenomen dat Housingtech niet rechtsgeldig opdracht heeft gegeven aan Bos. Van een betalingsverplichting voorvloeiend uit zo een overeenkomst van opdracht kan dus evenmin sprake zijn.

2.16

De grieven 1 tot en met 6 worden verworpen.

2.17

Grief 7 is gericht tegen het oordeel van het Gerecht dat Housingtech geen belang heeft bij toewijzing van de door haar gevorderde verklaring voor recht dat zij zich kan verhalen op de onder de deurwaarder beslagen gelden. Bos heeft geen belang bij beoordeling van de grief, nu deze alleen is gericht tegen de onderbouwing van de afwijzing van een vordering van Housingtech. De grief wordt dan ook verworpen.

2.18

Grief 8 is gericht tegen de veroordeling van Bos tot betaling van de hoofdsom van NAf 42.431,98. Aangevoerd wordt dat Housingtech dit bedrag niet aan Bos heeft betaald en dat van een verplichting tot (terug)betaling door Bos aan Housingtech dus evenmin sprake kan zijn.

2.19

Ook deze grief wordt verworpen. Op grond van het executoriale beslag dat Bos onder de MCB bank heeft laten leggen ten laste van Housingtech, heeft MCB het genoemde bedrag overgemaakt naar de deurwaarder Ersilia. Het geld heeft dus feitelijk het vermogen van Housingtech verlaten ter voldoening van een vermeende schuld aan Bos. Dat het geld is overgemaakt naar de deurwaarder, die in opdracht van Bos het beslag had gelegd, en niet aan Bos zelf, brengt daarin geen verandering, net zo min als het feit dat het geld door de deurwaarder niet aan Bos is doorbetaald als gevolg van het door Housingtech onder de deurwaarder gelegde conservatoir derdenbeslag ten laste van Bos. Nu uit dit vonnis volgt dat er voor betaling door Housingtech geen rechtsgrond was, dient Bos het ertoe te leiden dat het bedrag aan Housingtech wordt terugbetaald. Dat is de strekking van de veroordeling door het Gerecht en die veroordeling blijft in hoger beroep in stand.

2.20

In het incidentele appel heeft Housingtech aangevoerd dat het Gerecht in het vonnis van 23 mei 2016 in rov. 2.9 ten onrechte heeft vastgesteld dat zij op 22 juli 2014 kennis zou hebben genomen van de (akte van) cessie door Bos aan de Stichting Zoya van de vorderingen op Housingtech uit hoofde van de schuldbekentenissen. Housingtech heeft pas op 2 september 2014 van de cessie kennis genomen, stelt zij.

2.21

Bos heeft zijn stelling dat van de cessie op 22 juli 2014 mededeling is gedaan aan Housingtech in reactie op de betwisting door Housingtech niet nader onderbouwd. Dit brengt mee dat van mededeling aan Housingtech op 22 juli 2014 niet is gebleken, zodat dit ten onrechte als een vaststaand feit is aangemerkt. Het incidentele appel slaagt. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd.

2.22

Bos zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep van Housingtech worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op NAf 272,09 aan betekeningskosten en NAf 6.000,- (3 x maal tarief 5) aan gemachtigdensalaris.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

- vernietigt het bestreden vonnis van 23 mei 2016, voor zover daarin onder 2.9 als vaststaand feit is vastgesteld dat de vorderingen uit hoofde van de schuldbekentenissen op 22 juli 2014 zijn gecedeerd aan de stichting Zoya,

- bevestigt het bestreden vonnis voor het overige,

- veroordeelt Bos in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, begroot op NAf 6.272,09,

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, H.J. Fehmers en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 3 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.