Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:117

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
AR 96/16 - HAR 55/18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sint Maarten. Schorsing tenuitvoerlegging. Afbraak uitbouw appartement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 96/16 - HAR 55/18

Uitspraak: 6 juli 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

op de vordering tot schorsing in de zaak van:

1 [APPELLANTE 1],

2. [APPELLANTE 2],

beiden wonende te New York, Verenigde Staten van Amerika,

oorspronkelijk gedaagden in conventie, eiserssen in reconventie,

thans appellanten,

eiseressen tot schorsing,

gemachtigden: mrs. J. Deelstra en C.F. Klooster,

tegen

1 [GEÏNTIMEERDE 1],

2. [GEÏNTIMEERDE 2],

beiden wonende in Sint Maarten,

oorspronkelijk eisers in conventie, verweerders in reconventie,

thans geïntimeerden,

verweerders tegen de vordering tot schorsing,

gemachtigde: mr. K. Huisman.

De partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 28 mei 2018 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 17 april 2018 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA).

1.2

Bij op 14 juni 2018 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift, met producties, hebben [appellanten] gevorderd, samengevat weergegeven, de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis te schorsen.

1.3

Bij op 22 juni 2018 ingekomen verweerschrift, met producties, hebben [geïntimeerden] geconcludeerd tot afwijzing van de hiervoor in rov. 1.2 bedoelde vordering, met veroordeling van [appellanten] in de kosten.

1.4

Op 27 juni 2018 hebben [appellanten] pleitnotities ingediend.

Op 29 juni 2018 hebben [geïntimeerden] dat gedaan. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1

Bij de beoordeling van een vordering op de voet van art. 272 Rv moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Hierbij is een belangrijk gezichtspunt dat het GEA de vordering toewijsbaar heeft geoordeeld, en dat moet worden voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen wordt gebezigd als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Bij de afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing.

Indien het GEA zijn beslissing tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft gemotiveerd, zal de veroordeelde die schorsing van de tenuitvoerlegging wenst, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door het GEA gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van het GEA hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Indien een dergelijke motivering ontbreekt, geldt die eis niet.

2.2

In voorgaand toetsingskader ligt besloten dat de vordering toegewezen wordt, indien degene die de veroordeling verkreeg, mede gelet op de belangen aan de zijde van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het ten uitvoer te leggen vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de veroordeelde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

2.3

In dit geding heeft het GEA [appellanten] veroordeeld om binnen twee maanden na de dag van uitspraak van het vonnis een uitbouw af te breken en het puin af te voeren. Aan de veroordeling zijn dwangsommen verbonden van NAf 2.000,- per dag, met een maximum van NAf 200.000,-. De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.4

Het GEA heeft zijn beslissing tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet gemotiveerd. Daarom geldt in dit geval niet de eis dat [appellanten] aan hun vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door het GEA gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van het GEA hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

2.5

Voor zover [appellanten] al hebben willen stellen dat het bestreden vonnis klaarblijkelijk op een of meer misslagen berust, hebben zij die stelling onvoldoende gespecificeerd. Ook ambtshalve ziet het Hof geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden vonnis klaarblijkelijk op een of meer misslagen berust.

2.6 [

appellanten] hebben het volgende aangevoerd. Gelet op de constructie van de uitbouw en de staat van het gebouw brengt afbraak van de uitbouw het gevaar mee dat het gebouw zal instorten. De afbraak is duur en onomkeerbaar en zal het woongenot van [appellanten] sterk doen verminderen. [appellanten] hebben dus zwaarwegende belangen bij schorsing van de tenuitvoerlegging.

[geïntimeerden] hebben daartegenover geen belang bij tenuitvoerlegging, omdat zij geen appartementseigenaars zijn, zelden aanwezig zijn in het appartement en geen last hebben van de uitbouw. Bovendien leidt de afbraak ertoe dat [geïntimeerden] het oude dak terugkrijgen. Dat was van hout en het was verrot. Ten slotte lopen [geïntimeerden] het risico dat zij de procedure in hoger beroep zullen verliezen. Dan zullen zij aansprakelijk zijn voor hoge schade, aldus [appellanten]

2.7 [

geïntimeerden] hebben als hun belang bij de tenuitvoerlegging van het vonnis aangevoerd dat de uitbouw wel degelijk hinder voor hen oplevert. Ook voor het overige hebben zij alles bestreden wat [appellanten] over de belangen heeft aangevoerd.

2.8

Bij de thans te maken afweging geldt als uitgangspunt dat [geïntimeerden] het appartementsrecht door vererving hebben verkregen en ook dat de uitbouw hun uitzicht beperkt en licht en lucht onttrekt aan de studio op de begane grond. Dat zijn immers vaststellingen die het GEA aan zijn veroordeling ten grondslag heeft gelegd.

2.9

Niettemin moet de belangenafweging in het voordeel van [appellanten] uitvallen. Het belang bij het voorkomen van een dure en ingrijpende afbraak die later misschien blijkt onverplicht te zijn geweest, weegt zwaarder dan het belang bij onmiddellijke wegneming van de hinder, in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep, ook als het hoger beroep niet zou slagen. De andere over en weer gestelde belangen leggen niet een zo zwaar gewicht in de schaal dat zij de weegschaal de andere kant doen uitslaan. De tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal dus worden geschorst.

2.10

De beslissing over de kosten wordt aangehouden tot het eindvonnis in hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

schorst de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voor de duur van de procedure in hoger beroep;

houdt de beslissing over de kosten aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, H.J. Fehmers en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 6 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.