Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:114

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
KG 81062/16 - H 92/17 en CUR201602064 – CUR2016H00094
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçao. Ontslag statutair bestuurder. Redelijke ontslagvergoeding. Voorschot in kort geding. Onvoldoende basis voor toewijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/948
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2018 Vonnis no.:

Registratienummer: KG 81062/16 - H 92/17

CUR201602064 – CUR2016H00094

Uitspraak: 3 juli 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in kort geding in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

thans appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. V.P. Maria,

tegen

de naamloze vennootschap

AXTOR N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

thans geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en L.S. Davelaar.

De partijen worden hierna [appellante] en Axtor genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 21 november 2017 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen.

Op 9 januari 2018 heeft [appellante] een akte uitlating griffierecht ingediend, met producties. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Het nageheven griffierecht is tijdig betaald. Gebleken is dat Axtor op 26 september 2017 geen akte uitlating producties heeft ingediend. De zaak ligt thans gereed voor inhoudelijke beoordeling.

2.2

Het volgende dient tot uitgangspunt.

2.2.1

In 2004 is [appellante] in dienst genomen door een vennootschap. In 2007 heeft die vennootschap de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst overgedragen aan Axtor (die toen anders heette dan nu). Op of omstreeks 1 januari 2008 is [appellante] benoemd tot statutair bestuurster van Axtor.

2.2.2 [

betrokkene 1] is (ook) statutair bestuurster van Axtor.

2.2.3

Notulen d.d. 29 juli 2016 vermelden dat [appellante] met ingang van die datum wordt ontslagen als bestuurster van Axtor.

2.2.4

Op 8 augustus 2016 heeft [betrokkene 1] met [appellante] gesproken over het functioneren van [appellante].

2.2.5

Bij e-mailbericht van 9 augustus 2016 heeft [betrokkene 1] aan [appellante] bericht dat zij voor de duur van twee weken wordt geschorst.

2.2.6

Een "resolution", "executed on" 31 augustus 2016, (hierna: het aandeelhoudersbesluit) vermeldt dat [appellante] met onmiddellijke ingang wordt ontslagen als bestuurster van Axtor.

2.2.7

Op 15 november 2016 heeft [appellante] met verlof van het GEA conservatoire beslagen doen leggen ten laste van Axtor, onder meer op een auto.

2.1

In dit kort geding heeft Axtor opheffing van de beslagen en afgifte van de auto gevorderd.

[appellante] heeft in reconventie primair onder meer doorbetaling van salaris gevorderd op grond van haar stelling dat het aandeelhoudersbesluit nietig is. Subsidiair heeft zij betaling van NAf 687.137,40 of een lager bedrag gevorderd als redelijke vergoeding wegens de beëindiging van de rechtsverhouding, met rente.

Het GEA heeft de vorderingen van Axtor (vrijwel geheel) toegewezen en de vorderingen van [appellante] afgewezen.

In hoger beroep heeft [appellante] haar subsidiaire vordering verminderd tot NAf 206.141,22 of een lager bedrag, met rente. Het hoger beroep strekt tot toewijzing van haar vorderingen (zoals verminderd). De vorderingen van Axtor zijn in hoger beroep dus niet meer aan de orde.

2.2

De primaire vorderingen van [appellante] zijn gebaseerd op haar standpunt dat het aandeelhoudersbesluit nietig is. In rov. 4.6-4.7 van het bestreden vonnis heeft het GEA dat standpunt verworpen. Daartegen heeft [appellante] geen grief gericht. Ook overigens heeft [appellante] bij memorie van grieven onvoldoende duidelijk als haar standpunt te kennen gegeven dat het aandeelhoudersbesluit nietig is. Het Hof zal in dit kort geding dus voorshands uitgaan van de geldigheid ervan. De afwijzing van de primaire vorderingen van [appellante] dient daarom in stand te blijven.

2.3

De subsidiaire vordering gaat uit van de geldigheid van het gegeven ontslag en is gebaseerd op het standpunt dat Axtor een redelijke vergoeding aan [appellante] dient te betalen.

Onder omstandigheden kunnen de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in

art. 2:7 BW meebrengen dat een vennootschap is gehouden bij ontslag van een statutair bestuurder een vergoeding aan de ontslagen bestuurder te betalen, ook als dat niet is overeengekomen. Of die gehoudenheid bestaat en zo ja, hoe hoog die vergoeding dient te zijn, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang beschouwd.

2.4

Een van de relevante omstandigheden is de reden voor het gegeven ontslag. Partijen verschillen daarover van mening. Volgens Axtor is de reden dat [appellante] te weinig omzet voor Axtor genereerde en dat zij weigerde een business plan te maken om daar verbetering in te brengen. Volgens [appellante] is dit een voorgewende reden, en is de werkelijke reden dat [appellante] had aangedrongen op bekendmaking bij de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten van een aandelentransactie uit 2009, waarbij overeengekomen was aandelen in Axtor over te dragen aan diverse kopers, en waarbij niet alleen zowel [betrokkene 1] als [appellante] als belanghebbenden waren betrokken, maar ook [betrokkene 2], de feitelijke beleidsbepaler van Axtor. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] wilden niet dat deze transactie bekend werd, omdat de "tax planning in Brazil" van [betrokkene 2] nog niet gereed was, aldus [appellante].

2.5

In dit kort geding kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat het standpunt van [appellante] over de werkelijke reden voor het ontslag juist is. Daarvoor zou (nadere) bewijslevering nodig zijn. Daar is in dit kort geding geen plaats voor. Daarnaast, zo wordt ten overvloede nog overwogen, kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat, indien [appellante] gelijk heeft wat betreft de werkelijke reden voor het ontslag, die omstandigheid (voldoende) bijdraagt aan het oordeel dat een ontslagvergoeding op zijn plaats is. Rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de aard van de werkzaamheden van Axtor meebracht dat groot gewicht diende te worden gehecht aan de belangen van [betrokkene 2], dat diens "tax planning in Brazil" ertoe geleid heeft en redelijkerwijs ertoe mocht leiden dat de transactie uit 2009 geacht werd geen doorgang te hebben gevonden en dat er op andere wijze rekening zou worden gehouden met de belangen van [appellante] bij die (voorgenomen) transactie. Ook hierover bestaat in dit kort geding onvoldoende duidelijkheid.

2.6

Voornoemde omstandigheden leiden tot zoveel onzekerheid over de toewijsbaarheid van de vordering van [appellante] in een bodemzaak, en over de hoogte van het eventueel toewijsbare bedrag, dat er onvoldoende basis is voor de toewijzing van enig bedrag (als voorschot) in dit kort geding.

2.7

Een belangenafweging leidt niet tot een ander resultaat. Enerzijds is voldoende aannemelijk dat [appellante] spoedeisend belang heeft bij een voorschot, anderzijds is voldoende aannemelijk dat er een niet onaanzienlijk restitutierisico bestaat.

2.8

De grieven behoeven (verder) geen bespreking. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel.

De incidentele grief is in zoverre gegrond dat Axtor wel degelijk heeft betwist dat [appellante] rechtens aanspraak kan maken op een vergoeding. Nu de incidentele grief niet strekt tot het verkrijgen van een ander dictum, is incidenteel appel niet nodig om hierover een oordeel van de appelrechter te verkrijgen. Naar vaste rechtspraak komt dit onnodige incidentele appel Axtor niet op een proceskostenveroordeling te staan.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van Axtor gevallen en tot op heden begroot op NAf 338,91 aan verschotten en NAf 10.500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en is, bij afwezigheid van de voorzitter door mr. Meijer ondertekend, ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 3 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.