Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2018:104

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
14-06-2018
Zaaknummer
CUR2017H00001
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het betreft een verzoek tot internationale inlichtingenuitwisseling namens de Staatssecretaris van Financiën van Nederland gericht aan het Ministerie van Financiën - Directie Fiscale Zaken van Curaçao. Het Hof oordeelt dat het in de onderhavige situatie aannemelijk was dat er een concreet heffingsbelang was voor de Nederlandse fiscus. Verder verhindert de omstandigheid dat belanghebbende een offshore-vennootschap is waarvoor afwijkende regelingen gelden niet dat zij ook onder de bepalingen voor inlichtingenverstrekking in het kader van internationale bijstandverlening valt. De StichtingOverheidsBelastingacountantsbureau was bevoegd was tot het doen van een boekenonderzoek bij belanghebbende De conclusie is volgens het Hof dat aan alle voorwaarden voor gegevensuitwisseling is voldaan en de Minister niet onrechtmatig heeft gehandeld. Het Hof komt alsdan niet meer toe aan de vraag of belanghebbende door het optreden van de Minister schade heeft geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

CUR2017H00001

Datum uitspraak: 29 mei 2018

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[ X ] NV,

gevestigd te Curaçao,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (het Gerecht) van 22 november 2016 in zaak BBZ nr. CUR201400396 in het geding tussen:

appellante,

en

de minister van Financiën,

verweerder (hierna ook: de Minister).

1 Procesverloop

1.1.

Bij brief van 4 februari 2014, gericht aan het Ministerie van Financiën - Directie Fiscale Zaken van Curaçao (de Minister), is namens de Staatssecretaris van Financiën van Nederland een verzoek gedaan om inlichtingen, onder verwijzing naar artikel 37 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK).

1.2.

De Minister is op 24 april 2014 overgegaan tot uitwisseling van inlichtingen aan de Nederlandse Belastingdienst.

1.3.

Op 23 augustus 2014 heeft de Minister aan appellante een kennisgeving doen toekomen van de reeds plaatsgevonden uitwisseling van inlichtingen.

1.4.

Op 14 oktober 2014 heeft appellante beroep ingesteld bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken tegen het besluit tot inwilliging van het verzoek. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft op 22 november 2016 (ECLI:NL:OGEAC:2016:161) het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Tegen deze uitspraak is door appellante op 17 januari 2017 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het hoger beroep is op 21 maart 2017 nader gemotiveerd. Verweerder heeft op 1 juni 2017 een verweerschrift ingediend.

1.6.

Op 13 oktober 2017 heeft appellante een nader stuk ingediend dat in afschrift aan verweerder is verstrekt.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2017 te Willemstad, Curaçao. Aldaar zijn namens appellante haar gemachtigde [ A ] verschenen en namens verweerder [ B ] en [ C ]. Op 31 oktober 2017 heeft de Minister het Hof bericht dat hij – zoals ter zitting door het Hof besproken – de nog resterende documentatie, die deel uitmaakt van het inlichtingenuitwisselingsdossier aan gemachtigde van appellante zal overleggen (en als bijlage is dientengevolge een brief van de Inspecteur der Belastingen aan het Ministerie van Financiën, sector fiscale zaken, van 20 april 2014 bijgevoegd). De gemachtigde van appellante heeft vervolgens op 15 november 2017 aan het Hof geschreven dat “Uit het schrijven van het Ministerie volgt dat hiermee het volledige dossier is verstrekt”. Beide partijen hebben het Hof vervolgens toestemming verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen.

2 Feiten

Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt (in de uitspraak van het Gerecht is appellante aangeduid als “belanghebbende” en verweerder als “de Minister”):

“2.1 Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Het inlichtingenverzoek van 4 februari 2014 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Betreft: Inlichtingenuitwisseling inzake [ K ] (NL)

[ X ] NV (Curaçao)

Geachte

Onder verwijzing naar artikel 37 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk zend ik u een verzoek om inlichtingen toe.

Ik zou het op prijs stellen indien u mij de gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk

wilt verstrekken. Ik bevestig dat

1. Ik bereid en in staat ben om in vergelijkbare gevallen dergelijke inlichtingen te

verkrijgen en u te doen toekomen.

2. Alle gebruikelijke onderzoeksmogelijkheden uitgeput zijn en

3. de door u te verstrekken inlichtingen geheim zullen worden gehouden overeenkomstig artikel 37 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk en slechts worden gebruikt voor het doel waarvoor zij worden verstrekt.

In verband met een lopende Rechterlijke procedure zouden we graag de informatie indien mogelijk vóór 01-04-2014 willen ontvangen.

(...)

Betrokken (rechts)persoon in Nederland

Naam: [ K ]

(...)

De informatie wordt verzocht met het oog op de heffing van inkomstenbelasting over de jaren 2006 tot en met 2011. Het fiscale belang ligt in het mogelijk aanwezig zijn van inkomsten/dividenden, die door de heer en mevrouw [ K ]aangegeven moeten worden voor de periode dat zij in Nederland woonden."

Vervolgens worden veertien vragen gesteld over de activiteiten van belanghebbende, haar aandeelhouders, haar belastinggedrag etc.

2.3

De Minister is na ontvangst van het verzoek overgegaan tot het inwinnen van de opgevraagde gegevens.

2.4

Belanghebbende heeft tot 9 april 2014 geen aangiften winstbelasting gedaan en was niet bekend bij de Inspectie der Belastingen te Curaçao. Op of rond die datum heeft de bestuurder van belanghebbende alsnog aangiften winstbelasting ingediend over de jaren 2006 tot en met 2011.

2.5

De Minister heeft op 24 april 2014 het verzoek ingewilligd en inlichtingen met de Nederlandse Belastingdienst uitgewisseld. Het besluit om over te gaan tot inwilliging van het verzoek behoort niet tot de stukken van het geding.

2.6

Op verzoek van de Inspecteur der Belastingen, is door de Stichting Belastingaccountantsbureau (SBAB) een deelonderzoek bij belanghebbende ingesteld over de periode 2006 tot en met 2011. Dit deelonderzoek is aangekondigd op 10 april 2014 en betrof de volgende onderdelen: vastleggen van de bedrijfsactiviteiten, aandeelhoudersregister, grootboekkaarten 2006 tot en met 2011, bankgegevens 2006 tot en met 2011, vervreemdingsvoordelen bij verkoop van aandelen, jaarcijfers 2006

tot en met 2011, ontvangst en uitkeringen van dividenden in de jaren 2006 tot en met 2011. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 22 juli 2014, dat op 25 augustus 2014 is aangeboden aan belanghebbende. In punt 2.4 van het controlerapport is opgenomen dat de heer [ K ] in het bezit is van de certificaten van aandelen van belanghebbende en dat hij tevens de "Ultimate Beneficial Owner" is van belanghebbende. De bijgevoegde bijlage bevat een verklaring van [ K ] dal hij in het bezit is van alle certificaten, vertegenwoordigende het gehele nominale kapitaal van belanghebbende.

2.7

Op 23 augustus 2014 heeft de Minister van Financiën, door tussenkomst van sector Fiscale Zaken, belanghebbende via een schriftelijke kennisgeving meegedeeld dat het verzoek tot inlichtingenuitwisseling is ingewilligd en dat de door belanghebbende verstrekte inlichtingen voorafgaand aan de kennisgeving zijn verstuurd. De tekst van de kennisgeving luidt voor zover van belang, als volgt.

"(... ) Na bestudering van de door mij ontvangen inlichtingen, heb ik besloten om het verzoek tot inlichtingenuitwisseling in te willigen en de door [ X ] NV verstrekte inlichtingen aan de Nederlandse autoriteiten te verstrekken. (. ... ). Gelet op het bepaalde in artikel 62, vijfde lid, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen, heb ik de inlichtingen voorafgaand aan dit besluit verstuurd. Dringende redenen hebben hiertoe aanleiding gegeven. In casu betreft dit het dreigende verstrijken van heffings- of andere termijnen in het land waarvoor de inlichtingen bestemd zijn zoals opgenomen in artikel 11. 1, onder letter c, van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht. (...).

Bijlage

Verzoekende staat: Nederland

Bevoegde autoriteit: Belastingdienst/Oost Central Liaison Office Almelo

Wettelijke basis: artikel 37 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (Stb. 1964, 425)

Belastingplichtige(n): dhr. [ K ]

Omschrijving te verstrekken inlichtingen:

1. Structuurschema d.d. 31 maart 2014;

2. Kopie ingediende aangifte winstbelasting over de jaren 2006, 2007, 2009 en 2010.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij het Gerecht is in hoger beroep in geschil of de Minister de gevraagde inlichtingen mocht uitwisselen. De Minister beantwoordt deze vraag bevestigend terwijl appellante deze vraag ontkennend beantwoordt.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4 Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht heeft het volgende overwogen:

4.1 Formeel

1.1

De Minister heeft gesteld dat het beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet gemotiveerd is. Het Gerecht verwerpt deze stelling omdat belanghebbende in zijn beroepschrift weliswaar spreekt over een pro forma beroep, maar dit beroep wel degelijk een motivering bevat. Het Gerecht acht het beroep ontvankelijk.

4.1.2

Belanghebbende heeft betoogd dat aan haar geen inlichtingen ten behoeve van de belastingheffing van derden gevraagd mogen worden nu op haar de oude offshore bepalingen van artikel 45A tot en met 45E Landsverordening op de winstbelasting 1940 (LWB) van toepassing zijn. Het Gerecht oordeelt hierover als volgt. De Minister heeft niet weersproken dat belanghebbende valt onder het "oude offshoreregime". Het Gerecht zal dit volgen. In dat geval is voor belanghebbende een overgangsregeling van toepassing die er uit bestaat dat de vanaf 2001 vervallen bepalingen van artikel 45A tot en met 45E LWB nog steeds op haar van toepassing zijn. In artikel 45E, lid 4 (oud) LWB is kort gezegd bepaald dat de in artikel 45E, lid 1 (oud) LWB neergelegde verplichting om gegevens aan derden te verstrekken niet geldt voor offshorelichamen

Naar het oordeel van het Gerecht geldt deze uitzonderingsbepaling niet voor de verplichtingen in het kader van de internationale bijstandsverlening. Daarvoor is in de ALL een aparte afdeling (Afdeling 2 van Hoofdstuk VIII) opgenomen en die staat los van de artikelen 45A (oud) tot en met 45E (oud) LWB. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat de bepalingen van artikel 61 en verder ALL integraal op belanghebbende van toepassing zijn.

4.1.3

Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het gehele dossier van de Minister, hetgeen de Minister heeft geweigerd. Naar het oordeel van het Gerecht bestaat er in het belastingrecht geen wettelijke regel die de Minister verplicht tot inzage in het gehele dossier. De Minister dient wel de stukken over te leggen die van belang kunnen zijn voor de procedure. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de Minister aan die verplichting voldaan. Tot de stukken van het geding behoren het (geanonimiseerde)

verzoek en de stukken waaruit blijkt dat er op 24 april 2014 inlichtingen zijn verstrekt aan Nederland. Hij is niet gehouden de aan Nederland verstrekte informatie over te leggen. De Minister heeft daarnaast geloofwaardig verklaard dat er na 24 april 2014 geen informatie meer is uitgewisseld en dat er voor het overige geen bescheiden zijn. Het Gerecht verwerpt het verzoek van belanghebbende.

4.2.

Wettelijk kader

4.2.1

Artikel 37, lid 1 BRK

De landen van het Koninkrijk wisselen zodanige inlichtingen uit als nodig zijn om uitvoering te geven aan deze Rijkswet of aan de wetgeving van elk van de landen met betrekking tot de belastingen waarop deze Rijkswet van toepassing is, voor zover de heffing van die belastingen niet in strijd is met deze Rijkswet.

4.2.2

Artikel 62, lid 1 tot en met 6 ALL.

1. Op verzoek van een bevoegde autoriteit kan de Minister de inlichtingen verstrekken waarom zij vraagt en die voor haar van belang kunnen zijn bij de heffing en invordering van belastingen, bedoeld in artikel 1, eerst lid, of daarmee overeenkomende belastingen.

2. De Minister stelt degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn en die in Curaçao woont of is gevestigd, schriftelijk in kennis van zijn voornemen om tot inwilliging van het verzoek om inlichtingen over te gaan. Bij de kennisgeving geeft de Minister een omschrijving van de te verstrekken inlichtingen en vermeldt hij de bevoegde autoriteit van wie het verzoek afkomstig is.

3. Degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn en die in Curaçao woont of is gevestigd, kan binnen tien dagen na de dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, de Minister gemotiveerd verzoeken om tot een heroverweging te komen van zijn voornemen om tot inwinning van het verzoek om inlichtingen over te gaan.

4. De Minister beslist, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten, niet eerder dan na 15 dagen na de dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, om tot inwilliging van het verzoek over te gaan. Bij zijn besluit houdt de Minister rekening met een eventueel ingediend verzoek tot heroverweging, als bedoeld in het derde lid. Het besluit om tot inwilliging van het verzoek om inlichtingen te verstrekken over te gaan, wordt schriftelijk kenbaar gemaakt aan degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn en die in Curaçao woont of is gevestigd.

5. Indien dringende redenen daartoe aanleiding geven, kan de Minister aan de inwilliging van het verzoek om inlichtingen uitvoering geven, voordat degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn daarvan in kennis is gesteld. Alsdan blijft een kennisgeving, als bedoeld in het tweede lid, achterwege en wordt het besluit, als bedoeld in het vierde lid, zo spoedig mogelijk, doch niet later dan vier maanden na het begin van de uitvoering, kenbaar gemaakt. Bij ministeriële regeling met algemene werking kan worden bepaald wanneer sprake van dringende redenen is.

6. Tegen een besluit als bedoeld in het vierde lid kan degene van wie de inlichtingen afkomstig zijn en die in Curaçao woont of is gevestigd, binnen twee maanden na de dagtekening van het besluit in beroep komen bij de Raad. Een ingesteld beroep leidt niet tot opschorting van de verstrekking van inlichtingen.

4.2.3

Artikel 63, lid 1 ALL

1. De Minister kan door de Inspecteur zo nodig een onderzoek laten instellen ter voldoening aan een door de bevoegde autoriteit gedaan verzoek om inlichtingen.

4.2.4

Artikel 64 ALL

1. De Minister verstrekt geen inlichtingen indien de verstrekking daarvan niet strekt tot uitvoering van regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen, alsmede renten daarover en bestuursrechtelijke sancties en boeten die daarmee verband houden.

2. De Minister behoeft geen inlichtingen te verstrekken indien:

(...)

c. aannemelijk is dat de bevoegde autoriteit in de eigen staat niet eerst de gebruikelijke

mogelijkheden voor het verkrijgen van de door haar gevraagde inlichtingen heeft benut, die zij in de gegeven situatie had kunnen benutten zonder het beoogde resultaat in gevaar te brengen;

(....)"

4.2.5

Artikel 11.1 Ministeriële regeling formeel belastingrecht

Onder dringende redenen, bedoeld in artikel 62, vijfde lid, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen, wordt verstaan:

a. een vermoeden van (internationale) belastingfraude;

b. het risico dat als gevolg van de kennisgeving bewijsmateriaal verloren zou kunnen gaan;

c. het dreigende verstrijken van heffingstermijnen of andere termijnen in het (verzoekende) land waarvoor de inlichtingen zijn bestemd; en

d. door betrokkene veroorzaakte onduidelijkheid met betrekking tot de vraag waar de te onderzoeken boekhouding of administratie zich bevindt.

4.3

Materieel

4.3.1

Het Gerecht stelt voorop dat ten tijde van de kennisgeving van 23 augustus 2014 de informatie al aan Nederland was verstrekt zodat belanghebbende in zoverre geen belang heeft bij haar beroep tegen het besluit. Een belang is wel aanwezig voor zover de Minister onrechtmatig gehandeld heeft en belanghebbende daardoor schade heeft geleden, hetgeen belanghebbende heeft gesteld. Indien die situatie zich voordoet zal uiteindelijk de civiele rechter over de schade dienen te beslissen. Immers, noch de ALL noch enige andere fiscale bepaling voorziet in de mogelijkheid tot het verstrekken van een schadevergoeding door de belastingrechter. Het Gerecht zal hierna eerst de vraag beantwoorden of de Minister onrechtmatig heeft gehandeld.

4.3.2

Belanghebbende heeft gesteld dat de Minister onrechtmatig heeft gehandeld nu deze niet aannemelijk gemaakt heeft dat er een concreet heffingsbelang is in Nederland en dat om die reden de Minister de inlichtingen niet had mogen verstrekken. De Minister heeft daartegenover gesteld dat hij geen verplichting tot motivering van het heffingsbelang in Nederland heeft. De aanduiding dat sprake is van een heffingsbelang is volgens de Minister voldoende. Het Gerecht overweegt hierover als volgt. Het heffingsbelang is geformuleerd in artikel 62, lid 1 ALL, waarin staat dat de Minister de inlichtingen kan verstrekken waarom de andere autoriteit vraagt en die voor die andere autoriteit van belang kunnen zijn bij de heffing en invordering van belastingen. In het verzoek is opgenomen dat de informatie wordt verzocht met het oog op de heffing van inkomstenbelasting over de jaren 2006 tot en met 2011 en dat het fiscale belang ligt in

het mogelijk aanwezig zijn van inkomsten/dividenden, die door de heer en mevrouw [ K] aangegeven moeten worden voor de periode dat zij in Nederland woonden. Naar het oordeel van het Gerecht mag de Minister normaal gesproken uitgaan van de juistheid van de mededeling van de verzoekende staat dat er een heffingsbelang is en waaruit dit heffingsbelang bestaat (vergelijk Raad van State 20 april 2016, ECLl:NL:RVS:2016:1076). Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat er geen heffingsbelang kon zijn. De omstandigheid dat er na de informatieuitwisseling geen navorderingsaanslagen zijn opgelegd aan de heer [ K ] is daarvoor onvoldoende. Het Gerecht merkt daarbij op dat uit de stukken is gebleken dat de heer [ K ] alle certificaten bezat van de aandelen van belanghebbende en tevens "Ultimate Beneficial Owner" was, zodat de beslissing om een mogelijk heffingsbelang aan te nemen niet onredelijk is geweest. Hieruit volgt tevens dat van de zijde van Nederland geen sprake is geweest van een zogenaamde "fishing expedition", maar dat zij is uitgegaan van concrete aanwijzingen dat de heer [ K ] financiële belangen had in Curaçao met mogelijke gevolgen voor de belastingheffing in Nederland. Belanghebbendes grief wordt verworpen.

4.3.3

Belanghebbende heeft tevens aangevoerd dat de Minister onrechtmatig gehandeld heeft nu niet gebleken is van een dringende reden om de informatie te verschaffen vóór de kennisgeving. Van een aan de versnelde informatieverstrekking ten grondslag liggende belangenafweging is volgens belanghebbende geen sprake. De Minister heeft hier tegenover gesteld dat hij de dringende reden niet hoeft te motiveren en dat hij die dringende reden (dreigende verstrijken van heffings-of andere termijnen in Nederland) bovendien in de kennisgeving van 23 augustus 2014 heeft genoemd. Het Gerecht stelt vast dat in het verzoek van 4 februari 2014 aan de Minister wordt verzocht om de gevraagde informatie indien mogelijk vóór 1 april 2014 te verstrekken in verband met een lopende rechterlijke procedure. Naar het oordeel van het Gerecht is hier sprake van het dreigende verstrijken van een termijn in de zin van artikel 11.1, letter c van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht. De Minister heeft hieruit in redelijkheid het spoedeisende belang af kunnen en mogen leiden en daarbij heeft hij kunnen volstaan met deze marginale toets. Van onrechtmatig handelen is in dit opzicht dan ook geen sprake.

4.3.4

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het boekenonderzoek stopgezet had moeten worden op het moment dat de inlichtingen waren verstrekt. Het toch doorgaan met de controle was in de ogen van belanghebbende onnodig belastend en dus onrechtmatig. Het Gerecht verwerpt het standpunt van belanghebbende. Uit het tot de gedingstukken behorende rapport van het boekenonderzoek blijkt dat het rapport gericht is aan de Inspecteur en dat onderdeel van het onderzoek de jaarcijfers van 2006 tot en met 2011 zijn. Het Gerecht leidt hieruit, en uit de omstandigheid dat belanghebbende niet bekend was bij de Inspecteur in Curaçao, af dat het onderzoek is ingesteld ter voldoening aan het verzoek om inlichtingen van Nederland én in het kader van het vaststellen van de juistheid van de heffingsgrondslag voor de belastingheffing te Curaçao. Dat houdt in dat het boekenonderzoek ook ná het verstrekken van de inlichtingen aan Nederland van betekenis bleef namelijk voor de eventuele belastingheffing in Curaçao. Voortzetting van het onderzoek was aldus niet onrechtmatig. Belanghebbende heeft ook verdedigd dat de Minister onzorgvuldig en dus onrechtmatig heeft gehandeld door reeds informatie te verstrekken aan Nederland terwijl het boekenonderzoek pas maanden later werd afgerond. Het Gerecht verwerpt de stelling van belanghebbende. Het staat de Minister vrij om, binnen de kaders van de wet, in ieder stadium de gegevens aan het verzoekende land te verstrekken die hij op dat moment heeft.

4.3.5

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het oordeel van het Gerecht dat de Minister niet onrechtmatig heeft gehandeld. De vraag of belanghebbende door het optreden van de Minister schade heeft geleden, hoeft dan niet meer te worden beantwoord. Het beroep is ongegrond.”

5 Gronden

5.1.

Appellante voert in hoger beroep een aantal gronden aan. Deze gronden laten zich als volgt samenvatten:

a. a) De Minister heeft onrechtmatig gehandeld nu deze niet aannemelijk gemaakt heeft dat er een concreet heffingsbelang is in Nederland; om die reden had de Minister de inlichtingen niet mogen verstrekken.

b) De Algemene Landsverordening Landsbelastingen (ALL) is niet van toepassing op appellante. Appellante is een offshore vennootschap waarop de Landsverordening Winstbelasting 1940-34 (LVWB 1940-34) van toepassing is (en niet de in artikel 1 van de ALL genoemde Landsverordening Winstbelasting 1940 PB 2002-54, hierna LVWB 1940-54). Op basis van de overgangsregeling 2001, PB 1999-244 is de LVWB1940-34 integraal van toepassing op appellante. Laatstgenoemde LVWB1940-34 bevat geen bepalingen en/of verplichtingen voor integrale bijstandverlening. Door toch internationale bijstand te verlenen is sprake van onrechtmatig overheidshandelen.

c) StichtingOverheidsBelastingacountantsbureau (hierna ook: de Stichting) was niet bevoegd tot het boekenonderzoek bij appellante. Door de Stichting toch in te schakelen heeft de Minister onrechtmatig gehandeld jegens appellante.

Met de verstrekking van de stukken als genoemd onder 1.7. behoeft de klacht in hoger beroep van appellante dat de Minister niet het gehele dossier zou hebben verstrekt geen behandeling meer. Uit het schrijven van 15 november 2017 van appellante aan het Hof volgt immers dat beide partijen van oordeel zijn dat thans het volledige dossier aan appellante is verstrekt.

Ad a) Heffingsbelang

5.2.

De eis van aanwezigheid van een heffingsbelang kan worden afgeleid uit artikel 62, eerste lid, van de ALL. Daarin staat dat de Minister de inlichtingen kan verstrekken waarom de andere autoriteit vraagt en die voor die andere autoriteit van belang kunnen zijn bij de heffing en invordering van belastingen. In het inlichtingenverzoek is onder meer het volgende opgenomen:

In verband met een lopende Rechterlijke procedure zouden we graag de informatie indien mogelijk vóór 01-04-2014 willen ontvangen.

(. .. )

Betrokken (rechts)persoon in Nederland

Naam: [ K ]

(. . .)

De informatie wordt verzocht met het oog op de heffing van inkomstenbelasting over de jaren 2006 tot en met 2011. Het fiscale belang ligt in het mogelijk aanwezig zijn van inkomsten/dividenden, die door de heer en mevrouw [ K ] aangegeven moeten worden voor de periode dat zij in Nederland woonden.”

Vervolgens worden vragen gesteld over de activiteiten van appellante, haar aandeelhouders, haar belastinggedrag etc.

5.3.

Het Hof stelt voorop, gelijk het Gerecht heeft geoordeeld, dat de Minister normaal gesproken uit kan gaan van de juistheid van de mededeling van de verzoekende staat dat er een heffingsbelang is en waaruit dit heffingsbelang bestaat (vergelijk Raad van State 20 april 2016, ECLl:NL:RVS:2016:1076). Voorts acht het Hof ook hetgeen het Gerecht overigens aangaande het heffingsbelang heeft overwogen in rechtsoverweging 4.3.2. juist en het Hof maakt deze overweging en de daarin opgenomen conclusie tot de zijne. Deze grieven van appellante slagen dan ook in hoger beroep niet.

5.4.

Indien en voor zover appellante heeft willen stellen dat niet voldaan aan het zogenaamde uitputtingsbeginsel (onder meer neergelegd in artikel 36, vijfde lid, van de BRK en artikel 64, tweede lid, onder c, van de ALL) heeft het volgende te gelden.

In het inlichtingenverzoek van 4 februari 2014 verklaart de staatssecretaris van Financiën dat “alle gebruikelijke onderzoeksmogelijkheden uitgeput zijn”. Het Hof is van oordeel dat de Minister van de juistheid van deze verklaring mocht uitgaan. Aan de strekking van de bepalingen omtrent internationale gegevensuitwisseling, te weten het mogelijk maken van de onderlinge uitwisseling van fiscale inlichtingen tussen staten die zich daartoe wederzijds hebben verplicht, zou te zeer afbreuk worden gedaan, indien de staat, waaraan een verzoek om inlichtingen wordt gericht, niet op de mededeling van de verzoekende staat dat de gevraagde informatie in eigen land niet verkrijgbaar is, zou mogen afgaan. Het is aan appellante om vervolgens aannemelijk te maken dat de verklaring van de staatssecretaris van Financiën onjuist is. Appellante is daarin niet geslaagd.

Ad b) Toepasselijke regelgeving

5.5.

Niet in geschil is dat appellante een offshore vennootschap is en evenmin dat op haar de overgangsregeling, Landsverordening van 29 december 1999, P.B. 1999, nr. 244, nadien gewijzigd bij P.B. 2001, nr. 145, van toepassing is. Genoemde overgangsregeling is een uitvloeisel van de invoering van het Nieuw Fiscaal Raamwerk waarbij een einde werd gemaakt aan het onderscheid tussen de fiscale behandeling van offshore en onshore. Ingevolge de overgangsregeling kunnen bepaalde kwalificerende artikel 8A, 8B 14 en 14A-vennootschappen (dividend-, rente- en royaltyvennootschappen en beleggingsvennootschappen), die zijn opgericht vóór 1 juli 1999, dan wel daarna zijn opgericht maar vóór 31 december 2000 wezenlijke activiteiten hebben ontplooid, gebruik blijven maken van het regime zoals dat gold onder de LVWB 1940-34. Het overgangsregime eindigt ten laatste in het jaar 2019.

De LVWB1940-34 bevat geen bepalingen ter zake van inlichtingenverstrekking in het kader van internationale bijstandverlening.

5.6.

Bepalingen ter zake van inlichtingenverstrekking in het kader van de internationale bijstandverlening zijn daarentegen wel opgenomen in de ALL (artikelen 61 tot en met 65 van de ALL). Het Hof verwijst in dit verband naar het overwogene onder 4.2.2 tot en met 4.2.4 van de uitspraak van het Gerecht.

Tussen partijen is in geschil of het bepaalde in de ALL van toepassing is op appellante.

5.7.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de ALL (tekst 2014) gelden de bepalingen van de ALL bij de heffing van:

a. inkomstenbelasting als bedoeld in de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (P.B. 2002, no.63);

b. loonbelasting als bedoeld in de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 (P.B. 1975, no. 254);

c. winstbelasting als bedoeld in de Landsverordening op de winstbelasting 1940 (P.B. 2002, no. 54);

d. scheepsregistratiebelasting als bedoeld in de Landsverordening op de Scheepstonnagebelasting 2007;

e. overdrachtsbelasting als bedoeld in de Overdrachtsbelastingverordening 1908 (P.B. 1908, no. 49);

f. successie- en overgangsbelasting als bedoeld in de Successiebelastingverordening 1908 (P.B. 1908, no. 48);

g. onroerendezaakbelasting als bedoeld in de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 (P.B. 2013, no. 54);

h. omzetbelasting als bedoeld in de Landsverordening omzetbelasting 1999 (P.B. 1999, no. 43);

i. dividendbelasting als bedoeld in de Landsverordening dividendbelasting 2000 (P.B. 1999, no. 246);

j. spaarvermogensheffing als bedoeld in de Landsverordening spaarvermogensheffing (P.B. 2006, no. 50);

k. de Landsverordening regelende de inhouding van de inkomstenbelasting op rente-inkomen.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de ALL zijn de bepalingen van de ALL van overeenkomstige toepassing op binnen Curaçao gevestigde lichamen, die niet aan belastingheffing zijn onderworpen dan wel van belastingheffing zijn vrijgesteld.

Artikel 61 van de ALL bepaalt dat de bepalingen in Hoofdstuk VIII, afdeling 2 (Internationale bijstandsverlening) strekken tot nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit de BRK, een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, een verdrag tot het uitwisselen van inlichtingen, dan wel regelingen van internationaal recht tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van invordering van de in artikel 1 bedoelde belastingen, alsmede de daarmee overeenkomende belastingen die vanwege een buitenlandse mogendheid worden geheven.

5.8.

Niet in geschil is dat in het onderhavige geval de inlichtingen zijn uitgewisseld in het kader van verplichtingen die voortvloeien uit de BRK.

5.9.

Anders dan appellante kennelijk van mening is, is het bepaalde in afdeling 2 van hoofdstuk VIII niet beperkt tot de in artikel 1, eerste lid, van de ALL bedoelde belastingen, maar strekt die bepaling zich mede uit tot de daarmee overeenkomende belastingen die vanwege een buitenlandse mogendheid worden geheven. Uit het inlichtingenverzoek volgt dat de informatie door de Nederlandse Inspecteur is verzocht met het oog op de heffing van inkomstenbelasting over de jaren 2006 tot en met 2011. Naar het oordeel van het Hof is de Nederlandse inkomstenbelasting te beschouwen als een met de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 overeenkomende belasting. Niet valt in te zien dat de Minister geen informatie ter zake van de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting zou mogen verstrekken. Dat appellante (mede) aan een belastingheffing is onderworpen die niet is vermeld in artikel 1, eerste lid, van de ALL doet daaraan niet af.

5.10.

Appellante voert voorts aan dat artikel 45E, vierde lid, van de LVWB 1940-34 verhindert dat ten aanzien van offshore vennootschappen (welke vallen onder het overgangsrecht) door de Minister inlichtingen worden verstrekt.

Artikel 45E, eerste en vierde lid, van de LVWB 1940-34 bepalen:

1. Met betrekking tot administratieplichtigen zijn de artikelen 45A, 45B, 45C en 45D neergelegde verplichtingen van overeenkomstige toepassing ten behoeve van de belastingheffing van derden.

(…)

4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van lichamen als bedoeld in de artikelen 8A, 8B, 14 en 14A (de zogenaamde offshore vennootschappen).

5.11.

In (onder meer) artikel 45A tot en met artikel 45E LVWB 1940-34 zijn de verplichtingen ten dienste van de belastingheffing neergelegd, waaronder een inlichtingenverplichting ten aanzien van de eigen belastingheffing (artikel 45A), een aan de Inspecteur verleende bevoegdheid tot het maken van kopieën, leesbare afdrukken en/of uittreksels en het doen verlenen van inzage in boeken en bescheiden ten kantore van de Inspecteur binnen een door de Inspecteur te verlenen termijn (artikel 45B), het desgevraagd (onder voorwaarden) toegang verlenen aan de Inspecteur van een in gebruik hebbend gebouw (artikel 45C), het gehouden zijn een administratie te voeren door administratieplichtigen (artikel 45D) en het verstrekken van inlichtingen ten behoeve van derden (artikel 45E).

Naar het oordeel van het Hof moeten de verplichtingen vermeld in de artikelen 45A tot met 45E LVWB 1940-34 in een andere context te worden bezien dan de inlichtingen die op grond van artikel 61 en verder van de ALL worden verstrekt aan een andere mogendheid. De verplichtingen, genoemd in de artikelen 45A tot en met 45E LVWB 1940-34 vormen de basis voor het vaststellen van de feiten door de Inspecteur zelf die nodig zijn voor het bepalen van de belastingaanslag van belastingplichtigen door de inspecteur. Die verplichtingen jegens de Inspecteur worden door het bepaalde in artikel 45E, vierde lid, van de LVWB 1940-34 aanzienlijk beperkt. De door de Inspecteur aan een andere mogendheid in het kader van internationale bijstandsverlening te verstrekken inlichtingen zijn, naar het oordeel van het Hof, van een geheel andere aard. Zij zien niet op de vaststelling van feiten door de Inspecteur met het oog op de door de Inspecteur te bepalen belastingschuld, maar (enkel) op het verstrekken van inlichtingen die de Inspecteur veelal, evenals in het onderhavige geval, reeds in zijn bezit heeft. Het feit dat de Inspecteur op grond van het bepaalde in artikel 45E van de LVWB 1940-34 beperkt wordt in het vergaren van informatie betreffende appellante betekent evenwel niet dat de Inspecteur geen inlichtingen in het kader van internationale bijstandsverlening zou mogen verstrekken met betrekking tot appellante aan een andere mogendheid.

Ad c) StichtingOverheidsBelastingacountantsbureau

5.12.

Appellante heeft gesteld dat de Stichting niet bevoegd was tot het boekenonderzoek bij appellante. Verweerder heeft hiertegenover gesteld dat de inspecteur mandaat aan de Stichting heeft gegeven en dat het boekenonderzoek dus onder mandaat is uitgevoerd. Ingevolgde artikel 2a van de ALL kan de inspecteur mandaat verlenen aan ambtenaren met de heffing en invordering van belasting belast en aan medewerkers van de Stichting. Het Hof overweegt dat de mandatering, welke door appellante als zodanig niet is betwist, meebrengt dat de positie en daarmee ook een onderzoek van de Stichting op één lijn te stellen is met de positie en een onderzoek van de inspecteur. Alsdan is geen sprake van een situatie waarbij onrechtmatig is gehandeld door de Minister.

5.13.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het oordeel van het Hof dat de Minister niet onrechtmatig heeft gehandeld. De vraag of appellante door het optreden van de Minister schade heeft geleden, hoeft dan niet meer te worden beantwoord.

De slotsom

5.14.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van het Gerecht bevestigd dient te worden.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht.

Aldus gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, M.J. Leijdekker, en P.A.M. Pijnenburg, leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc, als griffier. De beslissing is op 29 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

Afschriften van deze uitspraak zijn per post/e-mail op aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2 onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.