Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:95

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
AR 15/2014 - ghis 79530 - H 214/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sint Maarten. Opzegging bankrelatie. Naheffing griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 15/2014 - ghis 79530 - H 214/2016

Uitspraak: 1 september 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap

ATLANTIS WORLD MANAGEMENT N.V.,

gevestigd in Sint Maarten,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

DAWN PROPERTIES LTD.,

gevestigd op Nevis, Federation of Saint Kitts and Nevis,

3. de vennootschap naar buitenlands recht

INTERNATIONAL FINANCIAL PLANNING SERVICES LTD.,

gevestigd op Tortola, Britse Maagdeneilanden,

oorspronkelijk eisers,

thans appellanten,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. W.J. Nelissen,

tegen

de naamloze vennootschap

RBC ROYAL BANK N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. R.F. Gibson jr. en C.M.P. van Hees.

De partijen worden hierna Atlantis, Dawn Properties, IFPS en RBC genoemd. Atlantis, Dawn Properties en IFPS worden gezamenlijk Atlantis c.s. genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 26 juni 2015 zijn Atlantis c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 19 mei 2015 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA).

1.2

Bij op 6 augustus 2015 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben Atlantis c.s. drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en hun gewijzigde vordering zal toewijzen, met veroordeling van RBC in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

1.3

Bij op 23 november 2015 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft RBC de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Atlantis c.s. in de proceskosten in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

1.4

Op 18 november 2016 hebben partijen pleitnotities overgelegd. RBC heeft op voorhand producties toegezonden. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Atlantis beheert in Sint Maarten vier casino's, Dawn Properties een winkelcentrum en IFPS een bedrijvencomplex. Atlantis c.s. hebben ieder voor zich bankrekeningen bij RBC. Hun vordering strekt er primair toe dat RBC wordt bevolen de bankrelaties met Atlantis c.s. te continueren totdat ieder van hen zijn bankzaken heeft weten onder te brengen bij een andere financiële instelling in Sint Maarten, met een dwangsom van USD 250.000,- voor iedere bankrekening die zij in strijd met dat bevel opheft. Zij hebben onder meer gesteld dat indien RBC dat weigert, Atlantis c.s. (vooralsnog) nergens anders met hun bankzaken terecht kunnen en gedwongen zullen zijn hun ondernemingen te staken. De inzet van de procedure is dus het voortbestaan van de ondernemingen van Atlantis c.s., zo stellen zij in hun pleitnota.

2.2

Gelet op het voorgaande stelt de griffier zich op het standpunt dat

Atlantis c.s. een direct geldelijk belang bij hun vordering in hoger beroep hebben dat op een zodanig bedrag kan worden gewaardeerd dat het griffierecht in hoger beroep ingevolge art. 20 lid 2, aanhef en sub f, lid 3 en lid 7 van het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken (Ltbz) op NAf 15.000,00 dient te worden getaxeerd. Dat geldt voor ieder van hen afzonderlijk. Weliswaar bepaalt art. 127 lid 1 van het Procesreglement dat zich een uitzondering voordoet als door verschillende eisers hetzelfde gevorderd wordt op dezelfde grondslag (bijv. verdeling van een gemeenschap), maar in dit geval heeft iedere eiser een eigen relatie met RBC, zodat de uitzondering zich in deze zaak niet voordoet. Ingevolge art. 20 lid 1 Ltbz dient ieder van hen dus dit bedrag te betalen. Er is reeds NAf 900,00 betaald door hen gezamenlijk. Het Hof zal dat aldus aan hen toerekenen dat ieder reeds NAf 300,00 heeft betaald. Bij elk wordt daarom NAf 14.700,00 nageheven. Dit dient uiterlijk zes weken na heden te worden betaald, dus uiterlijk op 13 oktober 2016.

2.3

De zaak zal naar de rol van 6 oktober 2016 worden verwezen voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van Atlantis c.s. Aan hen wordt verzocht bij de op die rol (of op de daaropvolgende rolzitting in Sint Maarten) te nemen akte bewijs over te leggen van tijdige betaling van de nageheven bedragen.

2.4

De heffing van griffierecht houdt geen verband met de bescherming van enig recht of belang van de geïntimeerde. Aan RBC zal daarom geen gelegenheid worden geboden om een antwoordakte in te dienen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 6 oktober 2017 voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van Atlantis c.s.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 1 september 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.