Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:93

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
BON2016H00013 (eerder BON2016H00007)
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het door belanghebbende, een autoverhuurbedrijf, tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar tegen de eigen aangifte verhuurautobelasting (VAB) over de periode april-juni 2013, ingediende beroep is door het Gerecht in eerste aanleg terecht gegrond verklaard. Ook het beroep van belanghebbende op toepassing van het gelijkheidsbeginsel ( meerderheidsregel) slaagt zodat het Gerecht terecht de teruggave van de door belanghebbende over de periode april-juni 2013 betaalde VAB heeft gelast. Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht.

Van een door het bestuursorgaan gevolgde van de wet afwijkende gedragslijn waarop een belanghebbende zich in het kader van de meerderheidsregel kan beroepen, is bij aangiftebelastingen sprake indien het bestuursorgaan in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen waarmee het bekend is expliciet of impliciet een standpunt inneemt op grond waarvan het een juiste wetstoepassing achterwege laat (vgl. HR 11 maart 1998, nr. 32723, LJN AA2454, BNB 1998/266). Van het innemen van een dergelijk standpunt kan worden gesproken indien naheffing achterwege blijft hoewel de verschuldigde belasting niet (volledig) is betaald en het bestuursorgaan over alle benodigde gegevens beschikt om een naheffingsaanslag te kunnen opleggen.

De Inspecteur van de Belastingdienst Caribisch Nederland (BCN) heeft op 22 mei 2015 verklaard dat in totaal bij de BCN 42 actieve autobedrijven inzake verhuur van auto’s bekend zijn. Het Openbaar Lichaam heeft verklaard dat in het jaar 2013 bij haar 25 belastingplichtige autoverhuurbedrijven stonden geregistreerd, en dat daarvan 16 autoverhuurbedrijven over de periode april-juni 2013 VAB hebben afgedragen. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat het aantal actieve autoverhuurbedrijven op Bonaire in de periode april 2013 – mei 2015 in betekende mate zou zijn toegenomen.

Op grond van de verklaringen ter zitting van het Hof acht het Hof het aannemelijk dat het Openbaar Lichaam sinds juni 2015 geen pogingen heeft ondernomen om ten aanzien van enige op de lijst van actieve autoverhuurbedrijven voorkomende bedrijven tot een juiste heffing van VAB te komen en mogelijk naheffingsaanslagen op te leggen, ook niet over de hier in geschil zijnde periode. Onder deze omstandigheden moet het er naar het oordeel van het Hof voor worden gehouden dat het Openbaar Lichaam impliciet een standpunt inneemt of heeft ingenomen op grond waarvan het een juiste wetstoepassing in de meerderheid van rechtens en feitelijk met belanghebbende vergelijkbare gevallen achterwege laat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

BON2016H00013 (eerder BON2016H00007)

Datum uitspraak: 18 augustus 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

het Openbaar Lichaam Bonaire,

appellant (het Openbaar Lichaam),

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire (het Gerecht) van 7 maart 2016 in zaak BBZ nr. 68544 van 2015 in het geding tussen:

het Openbaar Lichaam

en

[ X ],

gevestigd te Bonaire,

verweerder (belanghebbende).

1.Procesverloop

1.1. Belanghebbende heeft op 10 juli 2013 aangifte gedaan van verschuldigde verhuurautobelasting (VAB) over de periode april-juni 2013 tot een bedrag van $ 28.236 en dat bedrag op of rond die datum voldaan.

1.2. Belanghebbende heeft hiertegen op 1 augustus 2013 bezwaar aangetekend.

1.3. Het Openbaar Lichaam heeft geen uitspraak op bezwaar gedaan.

1.4. Bij brief met dagtekening 5 mei 2014, bij het Gerecht binnengekomen op 6 mei 2014, heeft belanghebbende beroep aangetekend tegen het niet doen van uitspraak op bezwaar.

1.5. Het Gerecht heeft bij uitspraak van 7 maart 2016 het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en teruggave van de door belanghebbende betaalde VAB ad $ 28.236 gelast.

1.6. Het Openbaar Lichaam heeft tegen de uitspraak van het Gerecht hoger beroep ingesteld.

1.7. Het Hof heeft de zaak ter zitting te Kralendijk behandeld op 28 maart 2017, waar namens het Openbaar Lichaam zijn verschenen, [ A ] en de gemachtigde [ B ], en namens belanghebbende haar directeur [ C ] en [ D ] als gemachtigde van belanghebbende.

1.8. De gemachtigde van het Openbaar Lichaam heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende exploiteert een autoverhuurbedrijf op Bonaire. Vrijwel de gehele omzet bestaat uit opbrengsten uit de verhuur van auto’s aan toeristen. Ter zake van deze verhuur is belanghebbende ingevolge de Eilandsverordening van 14 december 1992, nr. 1 regelende de heffing en invordering verhuurautobelasting (de Eilandsverordening verhuurbelasting) $ 4 per dag per verhuurde auto aan VAB verschuldigd.

2.2.

Over het tijdvak april-juni 2013 heeft belanghebbende een bedrag van $ 28.236 aan VAB voldaan. De VAB is een lokale aangiftebelasting die geheven wordt door het Openbaar Lichaam.

2.3.

Belanghebbende heeft op 1 augustus 2013 bij het Openbaar Lichaam bezwaar aangetekend tegen haar aangifte VAB over het tijdvak april-juni 2013.

2.4.

Ter zake van de omzet uit de verhuur van auto’s heeft belanghebbende over dezelfde periode een bedrag aan algemene bestedingsbelasting (ABB) voldaan. De ABB is een rijksbelasting die wordt geheven door de Inspecteur van de Belastingdienst Caribisch Nederland (BCN). De heffing bedraagt zes procent van de omzet.

2.5.

Belanghebbende heeft ook bezwaar en beroep aangetekend tegen de (betaling op) aangifte ABB over de periode januari-maart 2013. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de onderhavige procedure.

2.6.

Het Openbaar Lichaam heeft geen uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende. Belanghebbende heeft beroep aangetekend tegen het niet doen van uitspraak op bezwaar.

2.7.

Op 4 februari 2015 heeft de Raad van Beroep voor Belastingzaken (de Raad van Beroep) het beroepschrift aan het Openbaar Lichaam toegezonden en het Openbaar Lichaam uitgenodigd om uiterlijk 18 maart 2015 een verweerschrift in te dienen. Het Openbaar Lichaam heeft geen verweerschrift ingediend.

2.8.

Bij brief van 30 januari 2015 zijn partijen uitgenodigd voor de zitting van 30 maart 2015. Deze zitting bij de Raad van Beroep heeft plaatsgevonden te Kralendijk. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende de directeur, [ C ] en de gemachtigde, [ D ], verbonden aan [ Z ] Bonaire. Namens het Openbaar Lichaam is, zonder bericht van verhindering, niemand verschenen.

Aan het einde van de zitting heeft de Raad van Beroep aan belanghebbende verzocht nadere gegevens te verstrekken en is de zitting verdaagd. Belanghebbende heeft op 28 april 2015 nadere gegevens en een nadere toelichting verstrekt.

2.9.

Bij brief van 29 april 2015 heeft de Raad van Beroep aan het Openbaar Lichaam meegedeeld dat zij geen verweerschrift heeft ingediend en ook niet aanwezig was ter terechtzitting. In de brief stelt de Raad van Beroep het Openbaar Lichaam in de gelegenheid te berichten of zij een behandeling nodig acht. Per e-mail van dezelfde dag, gericht aan de afdeling Financiën van het Openbaar Lichaam met c.c. naar [ R], wordt namens de Raad van Beroep medegedeeld dat alle stukken inzake de zaak van belanghebbende aan het Openbaar Lichaam zijn opgestuurd.

2.10.

Op 27 mei 2015 heeft Carolina namens het Openbaar Lichaam schriftelijk aan de Raad van Beroep medegedeeld dat men een behandeling van de zaak nodig acht en dat men graag de datum verneemt en of alsnog een verweerschrift kan worden ingediend. Op 1 juni 2015 bericht het Gerecht in eerste aanleg aan het Openbaar Lichaam dat behandeling na de zomer zal plaatsvinden en dat tot eind augustus 2015 een verweerschrift kan worden ingediend.

Bij e-mailberichten van 31 augustus, 8 september en 5 oktober 2015 heeft het Gerecht Carolina verzocht om het toegezegde verweerschrift zo spoedig mogelijk toe te zenden. Vervolgens is in oktober 2015 verschillende malen telefonisch contact geweest tussen de belastinggriffie van het Gerecht en een medewerkster van het Openbaar Lichaam, waarbij de laatste heeft toegezegd dat zij [ R ] nader zal berichten. Op 5 november 2015 heeft een medewerkster van de belastinggriffie van het Gerecht telefonisch contact opgenomen, waarbij [ R ] heeft toegezegd dat hij het verweerschrift binnen een week zal indienen.

2.11.

Bij brief van 24 november 2015 zijn partijen uitgenodigd voor de behandeling ter terechtzitting van de zaak van belanghebbende op 8 januari 2016. Die behandeling heeft plaatsgevonden te Kralendijk. Aldaar is verschenen namens belanghebbende, [ C ]. Namens het Openbaar Lichaam is, zonder bericht van verhindering, niemand verschenen.

2.12.

Het Gerecht heeft bij uitspraak van 7 maart 2016 het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en teruggave van de door belanghebbende betaalde VAB ad $ 28.236 gelast.

2.13.

Het Openbaar Lichaam heeft tegen de uitspraak van het Gerecht hoger beroep ingesteld.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil of het Gerecht het beroep van belanghebbende op toepassing van het gelijkheidsbeginsel (meerderheidsregel) terecht gegrond heeft verklaard.

3.2.

Het Openbaar Lichaam betoogt dat op belanghebbende de bewijslast rust aannemelijk te maken dat door de meerderheid van autoverhuurbedrijven de verschuldigde VAB niet is voldaan en naheffing achterwege blijft, en dat belanghebbende daarin niet is geslaagd.

3.3.

Belanghebbende is van oordeel dat zij wel in haar bewijslast is geslaagd.

3.4.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

3.5.

Het Openbaar Lichaam concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht en tot veroordeling van belanghebbende in de proceskosten in hoger beroep. Belanghebbende concludeert daarentegen tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht en tot veroordeling van het Openbaar Lichaam in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep.

4 Het oordeel van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire

Het Gerecht heeft het volgende overwogen, waarbij het Openbaar Lichaam wordt aangeduid met “de Inspecteur”:

Strijd met het gelijkheidsbeginsel

5.2.3 Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien (a) de inspecteur een begunstigend beleid voert, (b) ten aanzien van een (groep) belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk tot begunstiging of (c) de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden. Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van begunstigend beleid of oogmerk tot begunstiging bij de Inspecteur maar zij heeft die stelling niet dan wel onvoldoende onderbouwd, zodat die stelling faalt.

Belanghebbende heeft daarnaast gesteld dat de meerderheidsregel is geschonden. Een beroep op de meerderheidsregel slaagt indien belanghebbende gegevens verstrekt waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat door de meerderheid van autoverhuurbedrijven de verschuldigde VAB niet is voldaan en naheffing achterwege blijft hoewel het Openbaar Lichaam over alle benodigde gegevens beschikt om naheffingsaanslagen te kunnen opleggen (Hoge Raad, 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0882). Belanghebbende heeft in haar pleitnota voor de zitting van 30 maart 2015 aangevoerd dat haar aandeel in de verhuurautobelasting in 2013 23,02 procent bedroeg. Ter zitting van 8 januari 2016 heeft belanghebbende daaraan toegevoegd dat zij maximaal 10% van de markt in handen heeft. Tevens heeft zij bij haar ‘aanvulling op pleitnota’ van 28 april 2015 een lijst overgelegd van 45 autoverhuurbedrijven en twee gemotoriseerd tweewielverhuurbedrijven. Tijdens de zitting op 8 januari 2016 heeft zij een schrijven van de Inspecteur van de Belastingdienst Caribisch Nederland (BCN) van 22 mei 2015 ingebracht, waarin staat dat de Inspecteur na onderzoek heeft vastgesteld dat bij haar 47 actieve bedrijven inzake verhuur van auto’s (42) en gemotoriseerde tweewielverhuur (5) bekend zijn. Belanghebbende heeft hierover verklaard dat er in de betreffende branche nauwelijks gecontroleerd wordt op de voldoening van VAB en dat als gevolg daarvan de meerderheid van die bedrijven geen VAB betaalt. Ter onderbouwing heeft zij verder verwezen naar een krantenartikel in het dagblad ‘Amigoe’ van 25 januari 2014 waarin gesteld wordt dat het laatste decennium nauwelijks door het Openbaar Lichaam wordt gecontroleerd of de verplichtingen van de VAB worden nagekomen. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift verklaard dat het Openbaar Lichaam geen informatie wil verstrekken over het aantal bedrijven dat niet aan de verplichtingen voldoet. Slechts van drie bedrijven weet zij dat die VAB afdragen.

5.2.4 Aan het Openbaar Lichaam is in alle stadia van het geding ruim de gelegenheid geboden om juridisch en feitelijk verweer te voeren. Zij heeft dit stelselmatig nagelaten hetgeen duidt op een onprofessionele houding. Nu het Openbaar Lichaam niet ter zitting is verschenen heeft zij niet kunnen reageren op hetgeen toen door belanghebbende naar voren is gebracht. In het kader van een behoorlijke voortgang van de procedure en gelet op de opstelling van het Openbaar Lichaam zal het Gerecht die gelegenheid ook niet meer geven en uitspraak doen. Het Gerecht zal daarbij de onweersproken cijfermatige onderbouwingen van belanghebbende tot uitgangspunt nemen.

5.2.5 Gelet op het aantal bedrijven (47) dat actief is in de auto- en tweewielverhuurbranche en tevens gelet op de bijdrage door belanghebbende van meer dan 23% in de VAB, terwijl ze slechts maximaal 10% van de markt in handen heeft, acht het Gerecht aannemelijk dat in de meerderheid van gevallen geen VAB geheven wordt. Belanghebbende heeft aan het Openbaar Lichaam een lijst verstrekt met daarop de namen van 47 autoverhuurbedrijven. Niet gebleken is dat het Openbaar Lichaam op basis van die lijst is overgegaan tot het opleggen van naheffingsaanslagen. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende op de meerderheidsregel slaagt. Toepassing van het gelijkheidsbeginsel leidt ertoe dat teruggaaf dient te worden verleend van het gehele bedrag van $ 28.236. Het beroep is gegrond.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

De Eilandsverordening verhuurbelasting – voor zover hier van belang – luidt:

“(…)

Art. 2

Onder de naam “verhuurbelastingbelasting motorrijtuigen” wordt een eilandbelasting geheven ter zake van de verhuur van een motorrijtuig op twee of meer wielen aan niet ingezetenen van het openbaar lichaam.

Art. 3

1. Belastingplichtig is degene die als verhuurder de huurovereenkomst ter zake van het motorrijtuig sluit.

(…)

Art. 4

De belasting wordt geheven naar het aantal motorrijtuigen dat is verhuurd en over het aantal dagen dat elk motorrijtuig is verhuurd.

Art. 5

Het tarief van de belasting bedraagt per motorrijtuig, per dag dat deze is verhuurd:

a. voor motorrijtuigen op 4 of meer dan 4 wielen;

- (…)

- na 1 juli 2011, USD. 4,00.

b. voor motorrijtuigen op 2 of 3 wielen na 1 juli 2011, USD. 2,00.

(…)

Art. 7

1. De belasting wordt bij wege van voldoening op aangifte geheven.”

5.2.

Belanghebbende, die een autoverhuurbedrijf exploiteert heeft in overeenstemming met de bepalingen in de Eilandsverordening verhuurbelasting over het tijdvak april‑juni 2013 een bedrag van $ 28.236 aan VAB op aangifte voldaan. Belanghebbende betoogt echter dat in een meerderheid van rechtens en feitelijk met haar vergelijkbare gevallen heffing van VAB achterwege is gebleven, en heeft deswege bezwaar gemaakt tegen de voldoening op eigen aangifte.

5.3.

In zijn arrest van 13 juli 2012, nr. 11/00162, ECLI:NL:HR:2012:BV0264, BNB 2013/2, oordeelde de Hoge Raad onder meer:

“4.2. De meerderheidsregel strekt ter bescherming van belastingplichtigen tegen een willekeurige ongelijke behandeling door het bestuursorgaan. (…)

4.3.

Voor belastingen die bij wege van voldoening of afdracht op aangifte worden geheven (hierna tezamen ook aangeduid als: aangiftebelastingen) geldt dat niet het bestuursorgaan de belastingschuld vaststelt, maar de belastingplichtige of inhoudingsplichtige deze zelf berekent. Op het bestuursorgaan rust wel de taak om, indien het verschuldigde bedrag niet volledig op aangifte is betaald, over te gaan tot naheffing van de te weinig betaalde belasting. Van een door het bestuursorgaan gevolgde van de wet afwijkende gedragslijn waarop een belanghebbende zich in het kader van de meerderheidsregel kan beroepen, is bij aangiftebelastingen sprake indien het bestuursorgaan in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen waarmee het bekend is expliciet of impliciet een standpunt inneemt op grond waarvan het een juiste wetstoepassing achterwege laat (vgl. HR 11 maart 1998, nr. 32723, LJN AA2454, BNB 1998/266). Van het innemen van een dergelijk standpunt kan worden gesproken indien naheffing achterwege blijft hoewel de verschuldigde belasting niet (volledig) is betaald en het bestuursorgaan over alle benodigde gegevens beschikt om een naheffingsaanslag te kunnen opleggen. Die situatie doet zich ook voor als een belanghebbende die zich op de meerderheidsregel beroept aan het bestuursorgaan alle benodigde gegevens inzake rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen heeft verstrekt waaruit volgt dat te weinig belasting is betaald en op grond waarvan tot naheffing kan worden overgegaan, waarna het bestuursorgaan niettemin naheffing achterwege laat.

(…)

4.5.

Opmerking verdient nog het volgende. Bij de toepassing van de meerderheidsregel worden feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen in aanmerking genomen. Voor het onderhavige geval betekent dit dat slechts acht moet worden geslagen op belastingplichtigen die zich net als belanghebbende bezig houden met het exploiteren van vaartuigen voor het maken van een rondvaart als gedefinieerd in artikel 1, letter c, van de Verordening en die de retributie verschuldigd zijn naar de maatstaf van het aantal passagiers per rondvaart, zoals voorgeschreven in artikel 4 en volgens het tarief van artikel 5, lid 1, van de Verordening.

4.6.

Opmerking verdient voorts nog dat in het kader van de meerderheidsregel ook bij aangiftebelastingen geldt dat gevallen waarin een juiste wetstoepassing is achterwege gebleven vanwege het geringe financiële belang, niet in aanmerking mogen worden genomen.”

5.4.

Op belanghebbende rust de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting door de wederpartij – zoals hier – aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel (meerderheidsregel) is geschonden. Het ligt vervolgens op de weg van het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat in de gevallen waarin de verschuldigde belasting niet (volledig) is voldaan naheffing niet achterwege blijft, of slechts achterwege blijft vanwege het geringe financiële belang.

5.5.

Bij de behandeling van het onderhavige geschil in eerste aanleg heeft belanghebbende, met dagtekening 28 april 2015, aan het Gerecht een lijst overgelegd met daarop de NAW gegevens van 47 auto- en gemotoriseerd tweewiel verhuurbedrijven die in Bonaire bij de Kamer van Koophandel staan ingeschreven. Belanghebbende heeft de betreffende lijst ook in de door haar in het kader van de ABB gevoerde belastingprocedure (2.4 en 2.5) overgelegd. De Inspecteur BCN heeft daarop in het kader van die procedure bij brief van 22 mei 2015 – onder meer – als volgt gereageerd:

“In totaal zijn bij de BCN 47 actieve bedrijven inzake verhuur van auto’s en gemotoriseerde tweewielerverhuur bekend. Dit bestaat uit 42 actieve autobedrijven (..) en 5 (..) gemotoriseerd tweewielbedrijven.

(…)

Alle bedrijven zijn dus bekend en hebben een registratienummer bij de Kamer van Koophandel.

(…)

De Belastingdienst heeft de lijst met Crib-nummers en de registratienummers van Kamer van Koophandel tot zijn beschikking.”

5.6.

De brief van de Inspecteur van 22 mei 2015 behoort tot de stukken van het onderhavige geding. Afschriften van zowel de door belanghebbende overgelegde lijst als ook de reactie van de Inspecteur BCN van 22 mei 2015 zijn door de griffier aan het Openbaar Lichaam toegezonden op respectievelijk 4 mei 2015 en 1 juni 2015.

5.7.

Gesteld noch aannemelijk is geworden dat het aantal actieve autoverhuurbedrijven op Bonaire in de periode april 2013 – mei 2015 in betekende mate zou zijn toegenomen. Het Hof neemt daarom als uitgangspunt dat het aantal in de periode april-juni 2013 actieve autobedrijven en gemotoriseerd tweewielbedrijven niet significant afwijkt van de door de Inspecteur BCN opgegeven aantallen, aan welke opgave het Hof geloof hecht.

5.8.

Het Openbaar Lichaam heeft in haar hoger beroepschrift van 29 april 2016 verklaard dat in het jaar 2013 bij haar 25 belastingplichtige autoverhuurbedrijven stonden geregistreerd, en dat daarvan 16 autoverhuurbedrijven over de periode april-juni 2013 VAB hebben afgedragen. Het Hof gaat uit van de juistheid van deze stellingen zodat aan het bewijsaanbod van het Openbaar Lichaam voorbij kan worden gegaan. Ter zake van vier vermoedelijke actieve autoverhuurbedrijven die geen VAB hebben afgedragen zullen – aldus het Openbaar Lichaam in haar hiervoor vermelde hoger beroepschrift – op korte termijn naheffingsaanslagen VAB worden opgelegd.

5.9.

Desgevraagd heeft het Openbaar Lichaam ter zitting van het Hof op 28 maart 2017 niet kunnen bevestigen dat inmiddels aan de betreffende vier autoverhuurbedrijven naheffingsaanslagen waren opgelegd, noch heeft zij informatie kunnen verschaffen of daartoe voorbereidingen waren getroffen. Evenmin heeft het Openbaar Lichaam desgevraagd enige toelichting kunnen geven, laat staan helderheid kunnen verschaffen, over (het voorbereiden van) heffingsactiviteiten die zij naar aanleiding van de haar reeds sinds juni 2015 ter beschikking staande gegevens van de Kamer van Koophandel en de gegevens van de Inspecteur BCN, mogelijk zou hebben ondernomen of zelfs maar voornemens was te ondernemen. Dit terwijl hiertoe naar het oordeel van het Hof alle aanleiding bestond nu zoals het Openbaar Lichaam heeft gesteld – bij haar slechts 25 autoverhuurbedrijven bekend waren en uit de gegevens van de Inspecteur BCN een veel groter aantal actieve autoverhuurbedrijven naar voren kwam.

5.10.

Aan hetgeen hiervoor onder 5.5 tot en met 5.9 is overwogen, ontleent het Hof het vermoeden dat maar 16 van 42 actieve autoverhuurbedrijven – derhalve minder dan de helft van het aantal met belanghebbende vergelijkbare gevallen – VAB betalen, en dat het Openbaar Lichaam met deze situatie in ieder geval vanaf 1 juni 2015 bekend was.

5.11.

Het Hof heeft het Openbaar Lichaam ter zitting van 28 maart 2017 zijn in 5.10 vermelde vermoeden voorgehouden. Zij heeft niets aangevoerd dat het voorgehouden vermoeden zou kunnen ontzenuwen, noch heeft zij verzocht om aanhouding van de zaak in verband met het door het Hof voorgehouden bewijsvermoeden.

5.12.

Ter zake van de vier door het Openbaar Lichaam zelf benoemde actieve autoverhuur bedrijven die geen VAB hebben afgedragen in de periode april-juni 2013, acht het Hof nog niet een begin van bewijs geleverd dat het Openbaar Lichaam sinds 29 april 2016 enige actie heeft ondernomen om tot naheffing van VAB over te gaan hoewel zij kennelijk over alle benodigde gegevens beschikt om in die gevallen een naheffingsaanslag te kunnen opleggen. Op grond van de verklaringen ter zitting van het Hof acht het Hof het bovendien aannemelijk dat het Openbaar Lichaam sinds juni 2015 geen pogingen heeft ondernomen om ten aanzien van enige op de lijst van actieve autoverhuurbedrijven voorkomende bedrijven tot een juiste heffing van VAB te komen en mogelijk naheffingsaanslagen op te leggen, ook niet over de hier in geschil zijnde periode. Dit ondanks de omstandigheid dat het Openbaar Lichaam – in ieder geval sinds juni 2015 – over de gegevens beschikt om daartoe over te gaan of een onderzoek te starten.

5.13.

Onder de in 5.12 vermelde omstandigheden moet het er naar het oordeel van het Hof voor worden gehouden dat het Openbaar Lichaam impliciet een standpunt inneemt of heeft ingenomen op grond waarvan het een juiste wetstoepassing in de meerderheid van rechtens en feitelijk met belanghebbende vergelijkbare gevallen achterwege laat.

5.14.

Uit al het voorgaande volgt dat belanghebbende terecht een beroep heeft gedaan op toepassing van het gelijkheidsbeginsel.

Slotsom

Het hoger beroep van het Openbaar Lichaam is ongegrond.

Proceskostenvergoeding

Het Hof acht termen aanwezig voor veroordeling van het Openbaar Lichaam in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van dit hoger beroep heeft moeten maken. Op grond van artikelen 8.115a en 8.116b Belastingwet BES, in samenhang met het Beleid Proceskostenvergoeding bepaalt het Hof deze kosten op $ 392 (1 punt voor het indienen van het verweerschrift in hoger beroep, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof, met een waarde per punt van $ 196, gewicht van de zaak 1,0) vanwege door een derde verleende beroepsmatige bijstand.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van het Gerecht, en

  • -

    veroordeelt het Openbaar Lichaam tot betaling aan belanghebbende van haar proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van $ 392.

De uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, voorzitter, mr. drs. M.G.J.M. van Kempen en mr. H.A.J. Kroon leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc, als griffier. De beslissing is op 18 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.

Afschriften van deze uitspraak zijn per post/e-mail op aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.