Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:8

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
EJ 2602/15 - ghis 79844 - H 251/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkzaamheden voor twee partijen – gezagsverhouding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1874
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Beschikking no.:

Registratienummer: EJ 2602/15 - ghis 79844 - H 251/16

Uitspraak: 17 januari 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

DIRKROM REALTY N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk verweerster,

thans appellante,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verzoeker,

thans geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. A.F.J. Caster.

De partijen worden hierna Dirkrom en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij beroepschrift van 14 juni 2016, met producties, is Dirkrom in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 3 mei 2016 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA). Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en de verzoeken van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

1.2

Een verweerschrift in hoger beroep is niet ingediend.

1.3

Het hoger beroep is mondeling behandeld op 20 december 2016 in Aruba. Namens Dirkrom is haar gemachtigde verschenen. [geïntimeerde] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Beide gemachtigden hebben de zaak bepleit. Zijdens [geïntimeerde] is gebruik gemaakt van een pleitnota, waarvan een exemplaar is overgelegd. Beschikking is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1

Een geschrift uit 2009 (productie 11 bij pleitnota van [geïntimeerde] in eerste aanleg) vermeldt onder meer het volgende:

"To: South Beach Center

Monthly Maintenance

GENERAL FUNCTION

- Maintain Garden

- Maintain Parking Lot clean of garbage/debris

EXTRA

- (...)

COMPENSATION

- (...)

WORK HOURS

- (...)"

Het geschrift is linksonder ondertekend door [naam 1] en rechtsonder door [naam 2] en [geïntimeerde].

2.1.2

Een geschrift uit 2013 (productie 3 bij inleidend verzoekschrift) vermeldt onder meer:

"WORK RELATION CONTRACT

Valid for 5 (five) years for the period of 2013-2018 between:

Castello de la Plaza N.V. (50%) and Dirkrom Realty N.V. (50%)

&

Mr. [geïntimeerde] (...).

Work description

(...)

Salary

(...)

Labor hours:

(...)"

Dit geschrift is linksonder ondertekend door [naam 1], met onderschrift "Dirkrom Realty N.V." en rechtsonder door [naam] en [naam 2], met als onderschrift "Castello de la Plaza N.V.".

Midden onderaan is het geschrift ondertekend door [geïntimeerde] met de bijschrijving "O.K.".

2.1.3

Met ingang van januari 2015 heeft Dirkrom [geïntimeerde] niet langer betaald voor door hem verrichte werkzaamheden.

2.2

In dit geding heeft [geïntimeerde] verzoeken gedaan op grond van zijn stelling dat hij in 2013 (zie zijn inleidend verzoekschrift onder 1) en/of in 2009 (zie zijn pleitnota in eerste aanleg onder 8) een arbeidsovereenkomst is aangegaan met Dirkrom en Castello de la Plaza N.V. (hierna: Castello de la Plaza), op grond waarvan hij onderhoudswerkzaamheden verricht in de South Beach Mall in Aruba. Overeengekomen is dat Dirkrom en Castello de la Plaza ieder 50% van het overeengekomen loon aan [geïntimeerde] betalen, aldus [geïntimeerde].

Het GEA heeft, verkort weergegeven, Dirkrom veroordeeld tot betaling van het niet aan [geïntimeerde] uitbetaalde deel van het loon over de maanden juli-december 2014 en het loon over de maanden januari-oktober 2015, een en ander met wettelijke verhoging en rente en een vergoeding voor incassokosten.

Daartegen is het hoger beroep gericht.

2.3

Dirkrom heeft ten verwere aangevoerd dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Dirkrom stelt niet door [geïntimeerde], maar door Castello de la Plaza benaderd te zijn met het verzoek de kosten van schoonmaak en onderhoud te delen. Daarmee ging Dirkrom akkoord.

2.4

Voor zover dit standpunt aldus dient te worden begrepen dat Dirkrom primair betwist dat tussen Dirkrom en [geïntimeerde] enige overeenkomst tot stand is gekomen (en dat de betalingen van Dirkrom aan [geïntimeerde] slechts gebaseerd zijn op een tussen Dirkrom en Castello de la Plaza tot stand gekomen overeenkomst), verwerpt het Hof dit primaire standpunt als onvoldoende onderbouwd in het licht van het volgende.

Volgens de eigen stellingen van Dirkrom schreef zij rechtstreeks cheques uit aan [geïntimeerde] en factureerde [geïntimeerde] rechtstreeks aan Dirkrom. Bovendien heeft Dirkrom gesteld dat zij de bedragen netto uitbetaalde, zonder fiscale inhoudingen. Indien het zo was dat Dirkrom de helft droeg van het door Castello de la Plaza aan [geïntimeerde] verschuldigde loon, zouden er wel fiscale inhoudingen gedaan moeten worden.

2.5

Het standpunt van Dirkrom moet aldus worden begrepen dat zij (al dan niet subsidiair) betwist dat de tussen Dirkrom en [geïntimeerde] tot stand gekomen overeenkomst dient te worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst.

2.6

Partijen die een overeenkomst sluiten tot het verrichten van werk tegen betaling, kunnen deze overeenkomst op verschillende wijzen inrichten, en wat tussen hen te gelden heeft, wordt bepaald door hetgeen hun tijdens het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven. Aan de hand van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst kan de rechter vervolgens bepalen of de overeenkomst behoort tot een van de in de wet geregelde bijzondere overeenkomsten. Daarbij is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien

(HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, NJ 1998/149).

2.7

Het is goed mogelijk dat beoogd is een constructie aan te gaan, waarbij [geïntimeerde] zowel ten behoeve van Castello de la Plaza als ten behoeve van Dirkrom zou werken, en zowel met Castello de la Plaza als met Dirkrom in een contractuele relatie zou staan, maar waarbij de relatie met Castello de la Plaza gebaseerd zou zijn op een arbeidsovereenkomst, inclusief de daarbij horende gezagsverhouding, en de relatie met Dirkrom gebaseerd zou zijn op een overeenkomst van opdracht, zonder gezagsverhouding dus. Dit zou voor beide partijen het voordeel hebben dat fiscale inhoudingen worden uitgespaard. Het zou voor [geïntimeerde] betekenen dat hij toch een arbeidsovereenkomst heeft (maar niet met Dirkrom) en het voordeel hebben dat hij slechts tot één wederpartij in een gezagsverhouding zou staan.

De geschriften uit 2009 en 2013 bevatten geen doorslaggevende aanwijzingen dat deze constructie niet beoogd is. De aanduiding "deduct all taxes" is te onduidelijk om doorslaggevend te zijn.

Tegenover cheques en kwitanties waarop sprake is van "salary", staan cheques en kwitanties waarop sprake is van "expenses" en "services".

De stellingen van [geïntimeerde] over de beperkingen in zijn vrijheid en zeggenschap bij de uitoefening van zijn werkzaamheden, kunnen (indien juist) verklaard worden door een gezagsverhouding met Castello de la Plaza, en behoeven niet erop te wijzen dat (ook) een gezagsverhouding met Dirkrom bestaat. Ook een opdrachtgever die geen gezagsverhouding met de opdrachtnemer heeft, kan de opdrachtnemer aanwijzingen en (schriftelijke) waarschuwingen geven.

Art. 7A:1613aa BW kan [geïntimeerde] niet baten, nu dat artikel niet is toegesneden op een situatie waarbij iemand ten behoeve van twee wederpartijen werkt.

2.8

Gelet op dit alles dient de betwisting door Dirkrom van de stelling dat de tussen Dirkrom en [geïntimeerde] tot stand gekomen overeenkomst dient te worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst, als zodanig onderbouwd te gelden dat die stelling niet zonder meer als juist kan worden aangenomen.

Daarom was het aan [geïntimeerde], die de bewijslast draagt van de stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, aangezien zijn verzoeken op die stelling zijn gebaseerd, om een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod in hoger beroep te doen. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft volstaan met een algemeen bewijsaanbod aan het slot van het inleidend verzoekschrift. Dat wordt gepasseerd als te vaag. Bij deze stand van zaken is in rechte niet komen vast te staan dat de overeenkomst tussen partijen dient te worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Daarmee komt de grondslag aan de verzoeken van [geïntimeerde] te ontvallen.

2.9

De beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd. De verzoeken van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de verzoeken van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Dirkrom gevallen en begroot op Afl. 1.800,00 aan salaris voor de gemachtigde;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Dirkrom gevallen en tot op heden begroot op Afl. 900,00 aan verschotten en Afl. 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en S.A. Carmelia, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 17 januari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.