Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:7

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
AR 2666/13 - ghis 79882 - H 263/16
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad - formele rechtskracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 2666/13 - ghis 79882 - H 263/16

Uitspraak: 14 februari 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap

IP GLOBALCOM N.V.,

gevestigd in Aruba,

2. de naamloze vennootschap

SOVEREIGN DEVELOPMENT COMPANY N.V.,

gevestigd in Aruba,

3. [appellante sub 3],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk eisers,

thans appellanten,

procederend bij hun gemachtigden S. Daryanani, H. Daryanani en L. Daryanani,

tegen

1. de openbare rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

gemachtigde: mr. D.M. Passchier;

2. de MINISTER VAN FINANCIËN, COMMUNICATIE, UTILITEITEN EN ENERGIE,

kantoorhoudende in Aruba,

in hoger beroep niet verschenen,

beide oorspronkelijk gedaagden,

thans geïntimeerden.

De partijen worden hierna IPG, SDC, [appellante sub 3], het Land en de Minister genoemd. De appellanten worden gezamenlijk ook IPG c.s. genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 10 maart 2016 zijn Globalcom c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 3 februari 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA).

1.2

Bij op 20 april 2016 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben IPG c.s. negen grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en hun vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van het Land en de Minister in de proceskosten in beide instanties.

1.3

De Minister is niet verschenen in hoger beroep.

1.4

Bij memorie van antwoord, met producties, heeft het Land de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van IPG c.s. in de proceskosten in hoger beroep.

1.5

Op de daarvoor bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd. Bij die van IPG c.s. zijn producties gevoegd. Het Land heeft zich bij akte over die producties uitgelaten. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1

In 1996 is IPG opgericht onder de naam Café Internet N.V.

SDC en [appellante sub 3] hebben zekerheid verschaft in verband met aan IPG verstrekte bancaire leningen.

2.1.2

In 2003 is aan IPG een concessie verleend voor een eigen satellietgrondstation in Aruba.

2.1.3

Bij aanvraag van 11 april 2008 heeft IPG de Gouverneur van Aruba verzocht haar een concessie te verlenen voor het mogen aanbieden van internationale communicatiediensten. De aanvraag maakt onder het kopje

"2. Telecommunicatie infrastructuur" onder meer melding van "een of meer onderzeese glasvezelkabels".

2.1.4

Bij brief van 7 juli 2008 heeft een advocaat namens IPG aan de Gouverneur geschreven dat hij bezwaar maakte tegen de fictieve weigering op het verzoek van 11 april 2008. Op dit bezwaar is geen reële beslissing genomen. Er is geen beroep ingesteld tegen een fictieve beslissing op dit bezwaar.

2.1.5

Bij uitspraak van 27 augustus 2008 heeft het GEA bij wijze van voorlopige voorziening als bedoeld in art. 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) de Gouverneur en de Minister van Algemene Zaken en Telecommunicatie gelast, met inachtneming van hetgeen onder 4.4 van die uitspraak is overwogen, binnen zes weken na de datum van uitspraak IPG in het bezit te stellen van een voorlopige algemene open vergunning en certificaat als door haar verzocht bij brief d.d. 11 april 2008.

Onder 4.4 van die uitspraak is onder meer overwogen: "Aanbevolen wordt om die voorlopige concessie en het certificaat een vaste geldigheidsduur bijvoorbeeld van twaalf maanden te geven zodat in die periode verder gewerkt kan worden aan het verlenen (...) van een definitieve concessie en certificaat van langere duur."

2.1.6

Bij Landsbesluit van 7 oktober 2008 no. DTZ/357 is aan IPG een concessie verleend voor de duur van twaalf maanden. Deze concessie vermeldt niet dat het voorziet in het bezit van een onderzeese glasvezelkabel.

2.1.7

IPG heeft het GEA verzocht op de voet van art. 56 Lar te bepalen dat de Minister van Algemene Zaken en Telecommunicatie een dwangsom verbeurt. Hiertoe stelde IPG dat de Minister niet had voldaan aan de voorlopige voorziening die in de uitspraak van 27 augustus 2008 is vervat. Bij uitspraak van 23 september 2009 heeft het GEA dit verzoek afgewezen. Het GEA heeft daarbij overwogen dat de verleende tijdelijke concessie in overeenstemming is met de aanvraag van 11 april 2008 en dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Minister niet aan de bedoelde voorlopige voorziening heeft voldaan (onder 4.11-4.12).

2.2

In dit geding hebben IPG c.s. vorderingen ingesteld, zoals weergegeven op

p. 36 tot en met 49 van het inleidend verzoekschrift.

Het GEA heeft de vorderingen afgewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht.

2.3

Grief nul is onvoldoende specifiek en heeft geen zelfstandige betekenis en faalt daarom. Hetzelfde geldt voor de grieven 7 en 8.

2.4

De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen de feitenvaststelling van het GEA. Het Hof heeft een eigen feitenvaststelling gegeven. Overigens valt zonder toelichting op deze grieven, die ontbreekt, niet in te zien dat de door het GEA gegeven feitenvaststelling in strijd is met de stellingen van IPG c.s.

2.5

Grief 3 is gericht tegen de weergave van de standpunten van IPG c.s. door het GEA. Ook deze grief is te algemeen. Voor zover IPG c.s. in hun toelichting op de grieven hun standpunt voldoende specifiek kenbaar hebben gemaakt, zal het Hof hierna erop ingaan. Voor het overige zal het Hof echter voorbij gaan aan de standpunten van IPG c.s. zoals in eerste aanleg ingenomen, omdat het aan IPG c.s. is om bij memorie van grieven haar in hoger beroep te beoordelen standpunten zo te presenteren dat het voldoende duidelijk is voor de geïntimeerden waartegen zij zich hebben te verweren en voor het Hof waarover het heeft te oordelen.

2.6

Grief 4 is gericht tegen het oordeel van het GEA dat jegens de Minister in zijn hoedanigheid geen vordering naar burgerlijk recht aanhangig gemaakt kan worden, omdat de Minister in zijn hoedanigheid geen rechtspersoon en geen natuurlijke persoon is (maar een orgaan van een rechtspersoon). Dit oordeel is juist. Voor dit oordeel is niet van belang hoe ernstig verwijtbaar het gestelde onrechtmatig handelen zijdens de Minister is. De grief faalt dus.

2.7

Grief 5 komt hierna onder rov. 2.13 aan de orde.

2.8

Met betrekking tot grief 6 overweegt het Hof als volgt.

2.9

De toelichting op de grieven maakt duidelijk dat IPG c.s. menen dat het Land in elk geval vanaf 2008 rechtens gehouden was aan IPG een concessie te verlenen die voorziet in het bezit van een onderzeese glasvezelkabel en dat het Land niet aan die rechtsplicht heeft voldaan. Hierdoor heeft het Land onrechtmatig gehandeld en hebben IPG c.s. schade geleden, die het Land verplicht is te vergoeden, aldus IPG c.s.

2.10

Door de hiervoor in rov. 2.1.4 weergegeven gang van zaken moet worden aangenomen dat de op 11 april 2008 aangevraagde concessie (fictief) is geweigerd, dat deze weigering in de bezwaarprocedure (fictief) is gehandhaafd en dat die beslissing op bezwaar formele rechtskracht heeft verkregen. Daarom is er geen ruimte voor de burgerlijke rechter om die weigering onrechtmatig te achten en dus om onrechtmatig te achten dat op de aanvraag van IPG geen concessie is verleend die voorziet in het bezit van een onderzeese glasvezelkabel.

2.11

Dat brengt mee dat de burgerlijke rechter de omstandigheid dat aan IPG geen concessie is verleend die voorziet in het bezit van een onderzeese glasvezelkabel, ook niet onrechtmatig kan achten op de grond dat het Land niet heeft voldaan aan de positieve verplichting die hem bij wijze van voorlopige voorziening was opgelegd. Bovendien is er geen reden om aan te nemen dat het Land niet aan die positieve verplichting heeft voldaan. Op grond van de hiervoor in rov. 2.1.5 tot en met 2.1.7 weergegeven gang van zaken moet worden aangenomen dat het Land daar wel aan heeft voldaan.

2.12

Het voorgaande doet de grondslag ontvallen aan de stelling dat het Land onrechtmatig heeft gehandeld door (nog altijd) geen concessie te verlenen die voorziet in het bezit van een onderzeese glasvezelkabel. Grief 6 faalt daarom.

2.13

Het voorgaande brengt evenzeer mee dat niet kan worden aangenomen dat het Land schadeplichtig is jegens SDC en/of [appellante sub 3]. Hun vorderingen zijn immers evenzeer gebaseerd op de hiervoor verworpen grondslagen. Grief 5 faalt daarom bij gebrek aan belang.

2.14

Alle grieven falen. Het Hof heeft geen bedenkingen bij het vonnis waarvan beroep. Het dient te worden bevestigd. IPG c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt IPG c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot op Afl. 245,91 aan verschotten en

Afl. 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en S.A. Carmelia, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 14 februari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.