Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:69

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
04-09-2017
Zaaknummer
HLAR 67484/16 en 67485/16
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof stelt voorop dat het aan appellanten is om de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen en aldus aannemelijk te maken dat de overledene op het tijdstip van overlijden op de voet van artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering verzekerd was overeenkomstig de bepalingen van die landsverordening. Appellanten zijn hier niet in geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HLAR 67484/16 en 67485/16

Datum uitspraak: 15 juni 2017

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. Appellante 1],

2. [ Appellanten 2],

allen wonend in Curaçao, appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 17 december 2015 in zaak nrs. Lar 2014/67484 en 67485, in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Sociale Verzekeringsbank.Procesverloop

Bij onderscheiden beschikkingen van 4 oktober 2010 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) een aanvraag van appellanten om toekenning van een weduwen- onderscheidenlijk een wezenpensioen op grond van de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (hierna: de AWw) afgewezen.

Bij beschikking van 4 februari 2015 heeft de SVB het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2015 heeft het Gerecht het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2017, waar appellante 1, vertegenwoordigd door mr. W.E. Fortin, advocaat, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. M. Bonafasia, werkzaam bij de SVB, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Voor de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.

  2. Wijlen […] (de overledene), echtgenoot van
    appellante 1 en vader van appellanten 2, had de Dominicaanse nationaliteit. Hij is op 10 april 1998 in Curaçao overleden. Op 8 februari 2010 hebben appellanten aanvragen om toekening van een pensioen op grond van de AWw ingediend. Bij beschikking van 4 februari 2015 heeft de SVB de afwijzing van die aanvragen gehandhaafd.

  3. Het Gerecht heeft overwogen dat het geschil zich toespitst op de beantwoording van de vraag of de overledene ten tijde van zijn overlijden ingezetene van Curaçao en daarom verzekerd voor de AWw was. Daarbij heeft het Gerecht overwogen dat appellanten aanvragen om een begunstigende beschikking hebben ingediend en het aan hen is aannemelijk te maken dat zij recht kunnen doen gelden op het gevraagde pensioen. Het Gerecht volgt het standpunt van de SVB dat appellanten niet in hun bewijslast zijn geslaagd. De door appellanten overgelegde verklaringen met de strekking dat de overledene vanaf 1988 tot aan zijn overlijden onafgebroken met zijn gezin in Curaçao heeft gewoond en gewerkt, worden geen van alle gesteund door enig verifieerbaar gegeven uit objectieve bron. Aan deze verklaringen kan daarom niet de door appellanten gewenste betekenis worden toegekend. Dat […] en […] in de betrokken periode aantoonbaar woonden bij hun stiefmoeder appellante 1, die na het overlijden van de overledene de voogdij over hen heeft gekregen, waarna hun verblijf in Curaçao alsnog is gelegaliseerd, ziet niet op het ingezetenschap van de overledene in Curaçao, maar op dat van zijn dochters. De stelling van appellanten dat Deyanira en Susana Vargas niet zonder de overledene in Curaçao hadden kunnen verblijven, is onbewezen. Uit het feitelijk verblijf van de dochters kan dan ook niet met de vereiste zekerheid worden afgeleid dat de overledene ingezetene van Curaçao was, aldus het Gerecht. Voorts heeft de SVB terecht doorslaggevend geacht dat de overledene in de betrokken periode niet beschikte over een verblijfsvergunning, dat hij niet stond ingeschreven in het bevolkingsregister, dat niet is gebleken van een vast woonadres en een bron van inkomsten, en dat uit de overgelegde akte van het op 10 juni 1991 met appellante 1 gesloten huwelijk blijkt dat de overledene toen in de Dominicaanse republiek woonde, terwijl verder geen verifieerbare gegevens uit objectieve bron voorhanden zijn die zijn gestelde doorlopende, feitelijke verblijf in Curaçao bevestigen.

  4. Appellanten betogen dat de overweging van het Gerecht dat er in het geheel geen verifieerbare gegevens uit objectieve bron voorhanden zijn die het gestelde doorlopende feitelijke verblijf op Curaçao bevestigen, onjuist is en dat het Gerecht ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan een groot aantal verklaringen van onafhankelijke getuigen met betrekking tot dit verblijf, welke getuigen hebben aangeboden de verklaringen onder ede te bevestigen. Daarbij voeren appellanten aan dat belangrijke bewijsstukken door de politie in beslag zijn genomen en niet aan hen zijn teruggegeven.

4.1.

Het Hof stelt voorop dat het aan appellanten is om de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen en aldus aannemelijk te maken dat de overledene op het tijdstip van overlijden op de voet van artikel 6, eerste lid, van de AWw verzekerd was overeenkomstig de bepalingen van die landsverordening.

4.2.

Blijkens een door appellanten overgelegde beschikking van 12 juni 1989 is aan de overledene een vergunning tot tijdelijk verblijf verleend, waarvan de geldigheidsduur is verstreken op 12 december 1989. Uit een door appellanten overgelegd afschrift van een huwelijksakte blijkt dat op 10 juni 1991 in Curaçao het huwelijk is voltrokken tussen de overledene en appellante 1. In de akte is vermeld dat de overledene in Cristo Rey in de Dominicaanse Republiek en appellante 1 in Curaçao woont. Voorts hebben appellanten een door de overledene ingediend verzoek van 9 juli 1991 om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf overgelegd. Op dit verzoek is nimmer beslist.

4.3.

Het Gerecht heeft terecht overwogen dat de overledene niet was ingeschreven in het bevolkingsregister en dat appellanten met deze documenten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de overledene op 10 april 1998 ingezetene van Curaçao was en hij dientengevolge verzekerd was overeenkomstig de bepalingen van de AWw.

4.4.

Evenmin hebben appellanten met gegevens uit objectieve bron aannemelijk gemaakt dat de overledene in Curaçao heeft gewerkt en voor de inkomstenbelasting is aangeslagen als in Curaçao wonende belastingplichtige. Dat dergelijke gegevens niet voorhanden zijn omdat de overledene bij zijn werkgever (naar gesteld een matrassenfabriek) noch bij de SVB stond geregistreerd omdat hij anders belasting moest betalen, zoals appellanten ter zitting hebben verklaard, dient voor rekening van appellanten te blijven. Onder deze omstandigheden heeft het Gerecht aan de door appellanten overgelegde verklaringen, inhoudende dat de overledene op het moment van overlijden reeds lange tijd in Curaçao woonde en werkte, zonder dat deze verklaringen met enig gegeven uit objectieve bron door appellanten is gestaafd, terecht niet de door appellanten gewenste betekenis toegekend. Bevestiging van de verklaringen onder ede laat onverlet dat gegevens uit objectieve bron die de verklaringen ondersteunen geheel ontbreken en baat appellanten daarom niet. Om die reden gaat het Hof voorbij aan het verzoek om deze getuigen te horen. Dat bewijsstukken waaruit het ingezetenschap van de overledene zou blijken door de politie in beslag zijn genomen en niet zijn teruggeven, is evenmin door appellanten onderbouwd.

4.5.

Het Gerecht heeft voorts met juistheid geoordeeld dat met de door appellanten overgelegde documenten die betrekking hebben op het verblijf van appellanten 2 in Curaçao niet is aangetoond dat de overledene op de voet van artikel 6, eerste lid, van de AWw, was verzekerd.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. van der Poel, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Van der Poel

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2017

Verzonden: 15 juni 2017

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,

BIJLAGE

Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde wordt verstaan onder:

ingezetene: degene die in Curaçao woont.

Artikel 2

1. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld voor zover in de volgende leden niet anders is bepaald.

Artikel 6

1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening is degene, die de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt, indien hij:

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch in de inkomstenbelasting wordt aangeslagen als in Curaçao wonende belastingplichtige;

c. geen ingezetene is en evenmin geacht kan worden blijvend buiten Curaçao te wonen, doch terzake van buiten Curaçao verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van Curaçao, mits hij Nederlander is.

2. Niet verzekerd is degene, die niet geacht kan worden blijvend in Curaçao te wonen en die terzake van in Curaçao verrichte arbeid wedde of loon geniet ten laste van Nederland of een vreemde mogendheid.