Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:33

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
AR 73872/15 - HAR 9/17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçao. Schorsing tenuitvoerlegging. Aandeelhouderschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 73872/15 - HAR 9/17

Uitspraak: 20 maart 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

op de vordering tot schorsing in de zaak van:

1. [APPELLANT 1],

2. [APPELLANTE 2],

3. [APPELLANT 3],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagden,

thans appellanten,

eisers tot schorsing,

gemachtigde: mr. J.B.S. Loth,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NORDIC VENTURE CAPITAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde,

verweerder tegen de vordering tot schorsing,

gemachtigde: mr. O. Kostrzewski.

De partijen worden hierna [appellant 1], [appellante 2], [appellant 3] en Nordic genoemd. [appellant 1], [appellante 2], [appellant 3] worden gezamenlijk ook [appellanten] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 3 februari 2017 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 30 januari 2017 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).

1.2

Bij op 3 februari 2017 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift, met producties, hebben [appellanten] gevorderd de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis te schorsen, kosten rechtens.

1.3

Bij op 6 maart 2017 ingekomen verweerschrift heeft Nordic geconcludeerd tot afwijzing van de hiervoor in rov. 1.2 bedoelde vordering, met veroordeling van [appellanten] in de kosten.

1.4

Op 13 maart 2017 hebben partijen pleitnotities ingediend. [appellanten] hebben verwezen naar een op 7 maart 2017 ingediende productie. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Bij de beoordeling van een vordering op de voet van art. 272 Rv moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Hierbij is een belangrijk gezichtspunt dat het GEA de vordering toewijsbaar heeft geoordeeld, en dat moet worden voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen wordt gebezigd als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Bij de afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing.

Indien het GEA zijn beslissing tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft gemotiveerd, zal de veroordeelde die schorsing van de tenuitvoerlegging wenst, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door het GEA gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van het GEA hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Indien een dergelijke motivering ontbreekt, zoals in dit geval, geldt die eis niet.

2.2

In voorgaand toetsingskader ligt besloten dat de vordering toegewezen wordt, indien degene die de veroordeling verkreeg, mede gelet op de belangen aan de zijde van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het ten uitvoer te leggen vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de veroordeelde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

2.3

In dit geding heeft het GEA, uitvoerbaar bij voorraad, [appellante 2] en [appellant 3] verboden te handelen in de hoedanigheid van aandeelhouder van Rectour, op straffe van verbeurte van dwangsommen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Kort gezegd heeft GEA daartoe geoordeeld dat [appellante 2] en [appellant 3] geen aandeelhouder van Rectour zijn, en dat zij onrechtmatig jegens Nordic handelen door toch in die hoedanigheid te handelen.

2.4

Hetgeen [appellante 2] c.s. tegen de overwegingen van het GEA heeft aangevoerd, is onvoldoende voor het oordeel dat het bestreden vonnis klaarblijkelijk op een of meer misslagen berust. Voor het overige blijft de kans van slagen van het hoger beroep thans buiten beschouwing.

2.5

De door het GEA uitgesproken verklaringen voor recht zijn naar hun aard niet vatbaar voor tenuitvoerlegging. In zoverre bestaat geen belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.

2.6

Het door [appellante 2] c.s. in het verzoekschrift gestelde belang is dat de opgelegde dwangsommen geëxecuteerd zullen worden en dat, indien het hoger beroep slaagt en de dwangsomveroordeling vernietigd wordt, er een groot risico is met betrekking tot de restitutie van de geëxecuteerde dwangsommen.

2.7

Indien [appellante 2] c.s. ervoor kiezen het opgelegde verbod te respecteren, lopen zij het risico dat, indien in hoger beroep geoordeeld wordt dat

[appellante 2] c.s. aandeelhouder van Rectour zijn en het verbod vernietigd wordt, inmiddels een feitelijke situatie zal zijn ontstaan die meebrengt dat de rechten die voor [appellante 2] c.s. uit het aandeelhouderschap van Rectour voortvloeien, geen waarde meer hebben. Het bestaan van dit risico ligt zo voor de hand, dat het Hof dit belang ook in de beoordeling zal betrekken, ook al hebben [appellante 2] c.s. het pas in hun pleitnota genoemd.

2.8

Andersom geldt echter dat indien de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt geschorst en in hoger beroep geoordeeld wordt dat [appellante 2] c.s. geen aandeelhouder van Rectour zijn, Nordic het risico loopt dat inmiddels een feitelijke situatie zal zijn ontstaan die meebrengt dat de door Nordic gestelde rechten (omschreven als de economische eigendom van de aandelen) geen waarde meer hebben. Ook het bestaan van dit belang ligt zo voor de hand, dat het Hof het in de beoordeling zal betrekken.

2.9

Deze belangen wegen over en weer ongeveer even zwaar. Daarom geeft het gezichtspunt dat het GEA de vordering toewijsbaar heeft geoordeeld, in dit geval de doorslag en zal de vordering tot schorsing worden afgewezen.

2.10

Het Hof wijst partijen ambtshalve op de mogelijkheid dat de kortgedingrechter desgevorderd een tijdelijke overgang van aandelen naar een neutrale derde kan bevelen ten titel van beheer, als daarvoor termen aanwezig zijn.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

wijst de vordering af;

houdt de beslissing over de kosten aan tot de einduitspraak in het hoger beroep.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 20 maart 2017

in tegenwoordigheid van de griffier.