Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:32

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
EJ 73378/15 - H 333/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Curaçao. Ontbinding arbeidsovereenkomst. Rechtsmiddelenverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2078
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Beschikking no.:

Registratienummer: EJ 73378/15 - H 333/16

Uitspraak: 7 maart 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk verweerder in conventie, verzoeker in reconventie,

thans appellant,

gemachtigde: mr. S.H.M. Helder,

tegen

de naamloze vennootschap

SELIKOR N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk verzoekster in conventie, verweerster in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. G.G. van Gils.

De partijen worden hierna [appellant] en Selikor genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij gedingstuk, getiteld akte van appel, van 31 oktober 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 6 oktober 2016 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).

1.2

Bij brieven van 3 november 2016 zijn partijen opgeroepen om te verschijnen voor de mondelinge behandeling van het hoger beroep op

24 januari 2017.

1.3

Bij brief van 15 november 2016 heeft de gemachtigde van [appellant] een gedingstuk, getiteld beroepschrift, aan het Hof doen bezorgen. Hierin zijn acht

grieven tegen de beschikking aangevoerd en toegelicht. De conclusie van [appellant] strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en het ontbindingsverzoek van Selikor alsnog zal afwijzen, althans bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst schadevergoeding aan [appellant] zal toekennen, het loon van [appellant] zal doorbetalen en de reconventionele verzoeken van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Selikor in de proceskosten in beide instanties.

1.4

Het hoger beroep is mondeling behandeld op 24 januari 2017. Mrs. Helder en Van Gils waren aanwezig, alsmede mevrouw [betrokkene 1], human resources manager bij Selikor. De mondelinge behandeling heeft zich beperkt tot de vraag of appel kan worden ingesteld van de bestreden beschikking. Selikor is in de gelegenheid zich daarover schriftelijk uit te laten, hetgeen zij heeft gedaan bij op 20 februari 2017 ontvangen verweerschrift. Zoals bij de mondelinge behandeling met instemming van partijen is beslist, zal daarover worden beslist bij beschikking. Uitspraak daarvan is nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Het inleidend verzoekschrift van Selikor strekt tot ontbinding van een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.

De bij verweerschrift van 28 mei 2015 ingestelde reconventionele verzoeken van [appellant] strekken ertoe, verkort weergegeven, dat het GEA, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat Selikor ter zake van de afhandeling van klachten over [appellant] als slecht werkgeefster heeft gehandeld en haar zorgplicht ex

art. 7:658 lid 1 BW heeft geschonden en/of onrechtmatig heeft gehandeld;

- voor recht verklaart dat Selikor schadeplichtig is, haar beveelt een rectificatie te laten circuleren onder de werknemers van Selikor en haar veroordeelt tot vergoeding van (immateriële) schade;

- Selikor beveelt de bij haar ingediende klachten tegen [appellant] ongegrond te verklaren; en

- Selikor veroordeelt tot betaling van immateriële schadevergoeding ter zake van de schending van de zorgplicht, slecht werkgeverschap, dan wel onrechtmatig handelen.

Bij de bestreden beschikking heeft het GEA de overeenkomst ontbonden, zonder toekenning van een ontbindingsvergoeding, en de reconventionele verzoeken afgewezen.

2.2

Een tegen een ontbindingsbeschikking gericht hoger beroep is ondanks het rechtsmiddelenverbod van art. 7A:1615w lid 8 BW ontvankelijk indien een in de rechtspraak aanvaarde doorbrekingsgrond wordt aangevoerd, zoals de grond dat de rechter bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.

[appellant] heeft dat aangevoerd, en daartoe gesteld dat:

a. a) het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor is geschonden;

b) het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht op gelijke proceskansen is geschonden;

c) de bestreden beschikking apert ondeugdelijk is gemotiveerd;

d) de rechter die de bestreden beschikking gegeven heeft, partijdig was, althans dat de schijn dat zij partijdig was, objectief gerechtvaardigd is.

2.3

Blijkens de gedingstukken van deze zaak heeft mr. Van Schendel een tussenbeschikking gegeven op 16 juni 2015 en vervolgens getuigen gehoord in de periode 26 juni 2015-20 november 2015.

Blijkens rov. 1.2 van de bestreden beschikking heeft op 25 november 2015 een gerechtelijke plaatsopneming plaatsgevonden, waarvan geen aantekeningen in het dossier waren terug te vinden (het Hof heeft ze ook niet aangetroffen).

Er is op 14 maart 2016 een gerechtelijke plaatsopneming geweest onder leiding van mr. Van Schendel, met confrontatie van getuigen. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

De bestreden beschikking is gegeven door mr. Scholte.

2.4

Deze gang van zaken levert geen omstandigheden op die het oordeel rechtvaardigen dat de rechter bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Een rechterswisseling bij de behandeling van een zaak is op zichzelf ongewenst en kan ook gepaard gaan met overtreding van regels van procesrecht

(zie: HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662), maar een zodanige rechterswisseling is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat de zaak niet eerlijk of niet onpartijdig is behandeld. Indien de rechter die de zaak overneemt, de zaak beslist op basis van een incompleet dossier en/of op basis van processen-verbaal die fouten bevatten, brengt ook dat niet mee dat geoordeeld moet worden dat de zaak niet eerlijk of niet onpartijdig is behandeld. Indien [appellant] niet in de gelegenheid is geweest alles te zeggen wat hij naar voren wilde brengen, maakt ook dat de behandeling van de zaak niet oneerlijk of partijdig. De rechter heeft tot taak de orde te bewaren en dat kan meebrengen dat een procespartij op enig moment wordt gevraagd het betoog af te ronden of zelfs het woord wordt ontnomen.

2.5

De onderhavige beschikking is zodanig gemotiveerd dat hierop niet met succes een doorbrekingsgrond kan worden gebaseerd, wat er verder zij van de door Selikor gestelde theoretische mogelijkheid dat motiveringsgebreken een doorbrekingsgrond opleveren.

2.6

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat de rechter partijdig was of scheen, is onvoldoende. Het betreffen allemaal rechterlijke beslissingen. Onwelgevallige rechterlijke beslissingen leveren in beginsel geen blijk of objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid op.

2.7 [

appellant] heeft verder nog bij grief 1 aangevoerd dat het rechtsmiddelenverbod van art. 7A:1615w lid 8 BW achterhaald is, en in Nederland is afgeschaft. Het tweede is juist. Het is niet aan de rechter om over het eerste te oordelen. Het levert in elk geval geen in de rechtspraak erkende doorbrekingsgrond op.

2.8

De grieven 2 tot en met 8 zijn kennelijk niet bedoeld als doorbrekingsgronden, maar als inhoudelijke bestrijding van de beschikking waarvan beroep.

2.9

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep moet worden verworpen, voorzover het ziet op de beslissing de arbeidsovereenkomst te ontbinden zonder een ontbindingsvergoeding toe te kennen.

2.10 [

appellant] heeft niet aangevoerd dat de reconventionele verzoeken geheel of gedeeltelijk buiten de reikwijdte van het rechtsmiddelenverbod van

art. 7A:1615w lid 8 BW vallen. Het Hof ziet aanleiding die vraag ambtshalve te onderzoeken.

2.11

De bijzondere aard van de wettelijke regeling betreffende de arbeidsovereenkomst brengt mee dat in de regeling betreffende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zoals neergelegd in 7A:1615w BW het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid (of aan hetgeen een goed werkgever behoort te doen en na te laten) in beginsel ten volle, onder meeweging van alle voor zijn oordeel relevante factoren, tot uitdrukking behoort te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter op de voet van art. 7A:1615w BW met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de wederpartij toekent. Buiten de ontbindingsprocedure is voor zodanige toetsing geen plaats. De ontbindingsvergoeding betreft in beginsel alle aanspraken van de werknemer die verband houden met de (wijze van) beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen van die beëindiging (vergelijk:

HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7342, NJ 2003/210).

2.12 [

appellant] heeft zijn reconventionele verzoeken gebaseerd op een betoog dat is weergegeven onder de nrs. 21-29 van het verweerschrift van 28 mei 2015. Kort gezegd meent hij dat Selikor geen goed onderzoek heeft gedaan naar de klachten tegen hem, ten onrechte [appellant] op non-actief heeft gesteld en een andere werknemer niet en [appellant] vernederend heeft behandeld.

In zijn beroepschrift heeft hij de afwijzing van die verzoeken bestreden met grief 7. Hier verwijt hij Selikor onder meer dat zij hem nooit op de hoogte heeft gesteld van algemene gesprekken die over hem op de werkvloer werden gevoerd, geen constructieve actie heeft ondernomen zoals betere voorlichting en begeleiding van werknemers, en geen discretie heeft betracht bij het opleggen van sancties aan [appellant].

Gelet op de hiervoor in rov. 2.11 weergegeven maatstaf, moet geoordeeld worden dat er geen plaats is voor beoordeling van deze verwijten buiten de ontbindingsprocedure om. De reconventionele verzoeken vallen daarom binnen de reikwijdte van het rechtsmiddelenverbod van art. 7A:1615w lid 8 BW.

2.13

Nu [appellant] een doorbrekingsgrond heeft gesteld, maar het Hof die niet aanwezig acht, is [appellant] weliswaar ontvankelijk in het hoger beroep, maar moet het worden verworpen zonder dat het Hof toekomt aan een behandeling van de zaak zelf. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Selikor gevallen en begroot op NAf 4.000,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, D. Radder en

H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 7 maart 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.