Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:28

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
AR 844/14 - ghis 79870 - H 255/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aruba. Onderhandse akte. Dwingend bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 844/14 - ghis 79870 - H 255/16

Uitspraak: 28 maart 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Nederland,

oorspronkelijk eiser in conventie, verweerder in reconventie,

thans appellant,

gemachtigde: mr. E.E. Rosenstand,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Nederland,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.B. Boyce.

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 2 maart 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 20 januari 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA).

1.2

Bij op 13 april 2016 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en [geïntimeerde] alsnog zal veroordelen tot betaling van € 68.000,-, vermeerderd met de Nederlandse wettelijke rente, en [geïntimeerde] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Een memorie van antwoord heeft het Hof niet aangetroffen.

1.4

Op 18 oktober 2016 hebben partijen pleitnotities overgelegd. Een productie die [appellant] daarbij in het geding wilde brengen, is geweigerd. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1

Partijen hebben een geschrift (hierna: het contract) ondertekend met de volgende inhoud:

"OVEREENKOMST

Hierbij verklaren,

[geïntimeerde]

EN

[appellant]

Het volgende te zijn overeengekomen.

[appellant] betaalt € 50.000 (vijftigduizend) euro aan [geïntimeerde]. [geïntimeerde] financiert met dit bedrag vastgoedprojecten in Costa Rica.

[geïntimeerde] betaalt 2 (twee) procent rente per maand vanaf 1 juli 2011 gedurende een periode

van 2 jaar. Aan het einde van de periode van 2 jaar is het ingelegde bedrag en de overeengekomen rente per direct opeisbaar door [appellant].

Indien het bedrag niet wordt opgeëist, loopt de overeenkomst door onder dezelfde condities en zal het totaal binnen een maand na een verzoek hiertoe aan [appellant] worden betaald.

Indien [appellant] ervoor kiest om de rente niet maandelijks te laten uitbetalen, wordt de rente van elke maand opgeteld tot telkens een bedrag van 10.000 euro. Elke keer bij het bereiken van de 10.000 euro aan rente, wordt deze aan de rentegevende hoofdsom toegevoegd.

In bijgaand overzicht is deze calculatie uitgewerkt. (bijlage 1)

Indien [appellant] investeerders aanbrengt, ontvangt hij hiervoor van [geïntimeerde] over de inleg een vergoeding van 0,5% per maand.

Het bedrag van 50.000 euro is door [appellant] betaald en door [geïntimeerde] ontvangen."

De akte vermeldt als datum van ondertekening door [appellant]: 30 juni 2011 en als datum van ondertekening door [geïntimeerde]: 1 juli 2011.

2.1.2

Op 28 februari 2014 heeft [geïntimeerde] een geschrift (hierna: de schuldbekentenis) ondertekend met de volgende inhoud:

"Schuldbekentenis

Hierbij verklaar ik,

[geïntimeerde]

per 28 februari 2014 een bedrag van 98.250 (achtennegentigduizend tweehonderdvijftig) Euro schuldig te zijn aan:

[appellant].

Het bedrag van € 98.250 aan schuld komt voort uit de overeenkomst gesloten op 1 juli 2011 en is opgebouwd conform bijgaand overzicht (Bijlage 1)

Ik erken dit bedrag schuldig te zijn aan [appellant] maar kan op dit moment niet aan mijn betalingsverplichting voldoen.

Zodra ik de financiële middelen weer tot mijn beschikking heb zal ik dit bedrag, verhoogd met de wettelijke rente, aan [appellant] betalen."

2.1.3

Bij e-mailbericht van 31 maart 2014 heeft [appellant] aan

betrokkene 1] bericht:

"Op 1 juli 2011 heb ik 40.000 euro gestort op de rekening van Dos Mundos. (...)

Hieraan is 10.000 door [geïntimeerde] toegevoegd. Deze 10.000 is een betaling van werkzaamheden welke verricht zijn door VMB security & solutions [dit is waarschijnlijk een bedrijf van [appellant], opmerking Hof]. (...)

In september 2013 is hier nogmaals 1000 aan toegevoegd, ook ter betaling van een rekening aan VMB security & solutions.

Ik heb met [geïntimeerde] afgesproken dat hij het totaal zou beleggen in de projecten van sociale woningbouw. (...)

Naast de inleg van 51.000 euro, met een rente van 2% per maand, (...)

Indien je de inleg per juli 2011 niet kunt terugvinden op de bankafschriften van [geïntimeerde], moet ik bij ING het oude bankafschrift opvragen. (...)"

2.1.4

Op 1 april 2014 is met verlof van het GEA op verzoek van [appellant] conservatoir beslag gelegd op twee aan [geïntimeerde] toebehorende percelen grond, gelegen te Calabas 3F en 3G in Aruba.

2.1.5

Op 9 juni 2014 (na de datum van indiening van het verzoekschrift dat de onderhavige zaak heeft ingeleid) heeft [geïntimeerde] de onroerende zaak te Calabas 3F verkocht aan [betrokkene 2] c.s. Op 7 juli 2014 is ook door een derde beslag gelegd op die onroerende zaak. Bij in kort geding gewezen vonnis van 1 oktober 2014 heeft het GEA [appellant] gelast het op 1 april 2014 gelegde beslag op te heffen. Bij vonnis van 3 oktober 2014 heeft het GEA het vonnis van 1 oktober 2014 hersteld of aangevuld door in het dictum op te nemen dat het uitvoerbaar bij voorraad is. Bij brief van 8 oktober 2014 hebben [betrokkene 2] c.s. de koopovereenkomst van 9 juni 2014 ontbonden. Op 17 oktober 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 1 oktober 2014, zoals hersteld of aangevuld. Bij vonnis van 16 juni 2015 heeft het Hof dat vonnis vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] tot opheffing van het beslag alsnog afgewezen.

2.2

In dit geding heeft [appellant] bij inleidend verzoekschrift van 11 april 2014 betaling gevorderd van € 50.000,00 aan hoofdsom en € 18.000,00 aan tot

1 juli 2013 verschenen (gematigde) rente, te vermeerderen met de Nederlandse wettelijke rente vanaf 1 juli 2013. [geïntimeerde] heeft vorderingen in reconventie ingesteld. Het GEA heeft geoordeeld dat geen bewijs is geleverd van de door [appellant] gestelde overeenkomst van geldlening (rov. 4.8) en dat dan vast staat dat het door [appellant] gelegde beslag onrechtmatig is (rov. 4.9). Het heeft in conventie de vordering afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door niet mee te werken aan voorwaardelijke opheffing van het beslag en [appellant] veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat.

2.3

Anders dan [geïntimeerde] in hoger beroep heeft betoogd, is voldoende kenbaar dat het hoger beroep van [appellant] ook is gericht tegen de beslissing van het GEA in reconventie. Die beslissing vloeit immers rechtstreeks voort uit de beoordeling van de vordering in conventie, en tegen die beoordeling zijn de grieven gericht. Verder heeft [appellant] onder 3 van zijn memorie van grieven te kennen gegeven dat hij het geschil in volle omvang aan het oordeel van het Hof wenst te onderwerpen.

2.4

Op grond van art. 767 Rv was het GEA bevoegd deze interregionale zaak te beoordelen, aangezien het GEA het verlof tot het beslag had verleend. Weliswaar had [appellant] de vordering kunnen instellen bij een rechter in Europees Nederland, en zou, indien die rechter de vordering zou hebben toegewezen, diens vonnis ingevolge art. 40 Statuut van rechtswege vatbaar zijn geweest voor tenuitvoerlegging in Aruba, maar dat zou dan een in Europees Nederland verkregen executoriale titel zijn geweest, en niet een in Aruba verkregen executoriale titel als bedoeld in art. 767 Rv (en ook niet een elders in het Caribische deel van het Koninkrijk verkregen executoriale titel, zie

art. B Rv, de tweede voorafgaande bepaling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba).

2.5

De feitelijke grondslag van de vordering van [appellant] wordt gevormd door zijn stellingen:

( a) dat hij bij overeenkomst van 1 juli 2011 € 50.000,00 aan [geïntimeerde] heeft uitgeleend en daarbij een rente- en aflossingsregeling is overeengekomen als omschreven in het contract;

( b) dat [geïntimeerde] geen bedragen aan rente of aflossing heeft (terug)betaald; en

( c) dat [geïntimeerde] (daarom) per 28 februari 2014 een schuld van € 98.250,00 aan [appellant] had als omschreven in de schuldbekentenis (indien de overeengekomen rentevoet niet wordt gematigd).

Stelling (b) is onbetwist gebleven.

[geïntimeerde] heeft de stellingen (a) en (c) betwist door aan te voeren dat [appellant] niet met [geïntimeerde], maar met de Costa Ricaanse vennootschap Dos Mundos S.A. een overeenkomst is aangegaan, inhoudende dat [appellant] € 40.000,00 zou investeren in Costa Rica. Hiertoe heeft hij gewezen op het hiervoor in

rov. 2.1.3 geciteerde e-mailbericht, waarin [appellant] schrijft dat hij

op 1 juli 2011 € 40.000,00 heeft gestort op de rekening van Dos Mundos.

In het licht van de onbetwiste omstandigheden:

- dat [geïntimeerde] diverse Costa Ricaanse vennootschappen heeft vertegenwoordigd;

- dat die vennootschappen investeerders zochten voor vastgoedprojecten in Costa Rica; en

- dat [geïntimeerde] zich ook heeft bediend van een vennootschap met de naam

Dos Mundos S.A. (zie prod. VII bij conclusie van repliek),

levert dit een voldoende gemotiveerde betwisting van de stellingen (a) en (c) van [appellant] op. De juistheid van die stellingen dient dus nader onderzocht te worden.

2.6

Het contract en de schuldbekentenis zijn onderhandse akten in de zin van art. 135 Rv. Ingevolge art. 136 lid 2 Rv leveren zij daarom dwingend bewijs op van de juistheid van stellingen (a) en (c). Gelet op het bewijsaanbod van [geïntimeerde] zal hij worden toegelaten tot tegenbewijs. Tegenbewijs kan betrekking hebben op de stelling dat de in een akte opgenomen verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid (zie: HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:848, NJ 2016/256).

Bij de in dat verband desgewenst te houden getuigenverhoren kunnen ook de stellingen van [geïntimeerde] aan de orde komen dat [geïntimeerde] het contract niet op 1 juli 2011 heeft ondertekend, maar in maart 2014, en dat [geïntimeerde] toen overspannen thuis in Nederland zat en [appellant] hem daar was komen opzoeken en sprak over woorden met zijn vrouw wegens het ontbreken van een afspraak op papier.

2.7

Het Hof houdt ieder verder oordeel aan.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

laat [geïntimeerde] toe tot tegenbewijs tegen de stellingen:

A. dat [appellant] bij overeenkomst van 1 juli 2011 € 50.000,00 aan [geïntimeerde] heeft uitgeleend en daarbij een rente- en aflossingsregeling is overeengekomen als omschreven in het contract;

B. dat [geïntimeerde] uit dien hoofde per 28 februari 2014 een schuld van € 98.250,00 aan [appellant] had als omschreven in de schuldbekentenis (indien de overeengekomen rentevoet niet wordt gematigd);

bepaalt dat [geïntimeerde], indien hij daartoe getuigen wil doen horen, deze kan voorbrengen op dinsdag 23 mei 2017 te 13.30 uur voor een nader aan te wijzen lid van het Hof, in het gerechtsgebouw in Aruba;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, T.A.M. Tijhuis en

H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 28 maart 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.