Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:25

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-04-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
AR 72232/15 - H 203/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçao. Contractsuitleg. Opzegtermijn. Ontvangsttheorie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 72232/15 - H 203/16

Uitspraak: 4 april 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amsterdam, Nederland,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

thans appellante,

gemachtigde: mr. M. Hammoud,

tegen

de naamloze vennootschap

WORLD WIDE SECURITY & PROTECTION N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. A.C. van Hoof.

De partijen worden hierna KLM en WWSP genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 4 maart 2016 is KLM in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 25 januari 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).

1.2

Bij op 14 april 2016 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft KLM twintig grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen, de vorderingen van WWSP alsnog zal afwijzen en die van KLM alsnog zal toewijzen, met veroordeling van WWSP in de proceskosten in beide instanties, met nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.

1.3

Bij op 30 mei 2016 ingekomen memorie van antwoord heeft WWSP de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van KLM in de proceskosten in hoger beroep.

1.4

Op 13 september 2016 hebben partijen pleitnotities overgelegd. Aan die van KLM zijn producties gehecht. Op 25 oktober 2016 heeft WWSP een akte uitlating producties overgelegd. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1

KLM exploiteert een luchtvaartmaatschappij. WWSP exploiteert een beveiligingsbedrijf.

2.1.2

In april 1998 heeft de International Air Transport Association (de IATA) een tekst gepubliceerd, getiteld Standard Ground Handling Agreement 1998. De tekst is onderverdeeld in een gedeelte, getiteld "Main Agreement" en een gedeelte, getiteld "Annex A - Ground Handling Services" (hierna respectievelijk: de Main Ageement en Annex A). De Main Agreement vermeldt onder meer:

"Article 11

Duration, Modification and Termination

11.1

This Agreement shall be effective from ... . It shall supersede any

previous arrangements between the Parties governing the provision of

services at locations for which there are valid Annex(es) B to this

Agreement.

11.2

Modification of, or additions to this Agreement shall be recorded

in Annex(es) B.

11.3

Any notice referred to under this Article 11 given by one Party under this agreement shall be deemed properly given if sent by registered letter to the respective Head

Office of the other Party.

11.4

This Main Agreement shall continue in force until terminated by either Party giving sixty days prior notice to the other Party.

11.5

Termination by either Party of all or any part of the services to be furnished at a specific location requires sixty days prior notice to the other Party. In the event of part termination of services, consideration shall be given to an adjustment of charges."

2.1.3

Vanaf mei 2001 heeft WWSP in opdracht van KLM beveiligingsdiensten verleend voor inkomende en vertrekkende vluchten van KLM op Hato Airport in Curaçao.

2.1.4

Op 22 maart 2002 is zijdens WWSP een geschrift ondertekend, getiteld: "Standard Ground Handling Agreement - Simplified Procedure, Annex B 1.0, Location, Agreed Services, Facilities and Charges, To the IATA Standard Ground Handling Agreement (SGHA) of 1998" (hierna: Annex B).

In Annex B wordt KLM aangeduid als de Carrier en WWSP als de Handling Company. Annex B vermeldt onder meer:

"PREAMBLE:

This Annex B has been prepared in accordance with the simplified procedue whereby the Carrier and the Handling Company agree that the terms of the Main Agreement and Annex A of the SGHA of April 1998 as published by the International Air Transport Association shall apply as if such terms were repeated here in full. By signing this Annex B, the parties confirm that they are familiar with the aforementioned Main Agreement and Annex A.

(...)

PARAGRAPH 7. TERM

7.1

This Annex B is valid for an initial period of two (02) years, and continuing thereafter, commencing May 1st, 2001. This Annex B may be terminated by either

party giving thirty- (30) days advance written notice to the other party at any time.

Either party, upon thirty- (30) day's advance written notice to the other party at any

time may terminate all or any part of the assistance to be furnished at a particular location."

2.1.4

Bij brief van 3 oktober 2014 heeft KLM aan WWSP bericht:

" World Wide Security & Protection Ltd.

To the Attention of Mr. [betrokkene 1]

Managing Director

Topekaweg 5

WILLEMSTAD, CURAÇAO

E-mail: wwsp-security@outlook.com

Roissy, France 03 October 2014

Copy to: [betrokkene 2], Security Manager

E-mail, wwsp-curacao@hotmail.com

Letter sent via DHL waybill 73 7390 9093

(...)

Subject: Termination of SGHA Contract - Annex B 1.1

Dear Sir,

In order to meet the needs of its activity, KLM Royal Dutch Airlines entered into an agreement with World Wide Security & Protection Ltd. for the security services at Hato International Airport in Curaçao, for the purpose of activities as covered by the Contract.

Due to internal operational objectives, KLM Royal Dutch Airlines has unfortunately reached the decision to terminate the Contract. Therefore, we hereby inform you of KLM Royal Dutch Airlines' intention to terminate this Agreement.

Accordingly, this letter serves as written notice of termination pursuant to SGHA Main Agreement Article 11 - Duration, Modification and Termination, Sub-paragraph 11.5.

Consequently the termination of the Agreement shall be effective after the handling of the last KLM Royal Dutch Airlines scheduled flight on 02 December 2014."

2.1.5

De brief van 3 oktober 2014 is verzonden via de koeriersdienst DHL.

Het track-and-trace-systeem van deze dienst vermeldt onder meer dat de brief op 3 oktober 2014 om 16.47 uur is opgehaald in Parijs en op 7 oktober 2014 om 09.23 uur is aangekomen op de delivery facility van DHL in Curaçao.

Bij 7 oktober 2014 om 13.46 uur is vermeld: "awaiting collection by recipient as requested". Er zijn nog achttien van dergelijke vermeldingen in de periode

8 oktober 2014-4 november 2014. Verder is vermeld dat de brief is "delivered" op 5 november 2014 om 8.16 uur.

2.1.6

Ondanks verzoeken van WWSP om een langere opzegtermijn te hanteren, heeft KLM na 2 december 2014 geen gebruik meer gemaakt van de diensten van WWSP.

2.2

Inzet van dit geding is de stelling van WWSP dat KLM bij de opzegging van de overeenkomst een kortere termijn heeft gehanteerd dan is overeengekomen en uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit. Het GEA heeft geoordeeld dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de overeenkomst tegen 4 maart 2015 had behoren te worden opgezegd en dat KLM wegens de niet-inachtneming van die termijn schadeplichtig is. Het GEA heeft de schade begroot op NAf 65.000,- in hoofdsom en KLM veroordeeld tot betaling van dat bedrag, met buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Hiertegen is het hoger beroep gericht.

2.3

Indien de Main Agreement, Annex A en Annex B in samenhang worden beschouwd, is verdedigbaar dat art. 7.1 van Annex B een modification is als bedoeld in art. 11.2 van de Main Agreement en daarom voorgaat op art. 11.5 van de Main Agreement, zodat voor opzegging van de overeenkomst als geheel geen opzegtermijn van zestig dagen geldt, maar een opzegtermijn van dertig dagen.

Echter is ook verdedigbaar dat de Main Agreement en Annex A als een raamovereenkomst gelden, waarbij annexes B gesloten kunnen worden voor bepaalde locaties en bepaalde vormen van ground handling services, en dat er in dit geval slechts één annex B is gesloten (namelijk voor beveiligingsdiensten op Hato Airport). In dat geval zou voor opzegging van een bepaalde annex B een opzegtermijn van dertig dagen gelden (art. 7.1 van Annex B vermeldt ook dat het betrekking heeft op de opzegging van "this annex B") en voor opzegging van de overeenkomst als geheel (dus inclusief de raamovereenkomst) een opzegtermijn van zestig dagen.

Hierover is redelijkerwijs verwarring mogelijk.

Gelet op de omstandigheid dat KLM in de brief van 3 oktober 2014 zelf een opzegtermijn van zestig dagen heeft genoemd, met verwijzing naar art. 11.5 van de Main Agreement, moet in dit geval worden uitgegaan van een opzegtermijn van zestig dagen. Indien de opstellers van de Main Agreement en Annex A een andere bedoeling hadden bij de indeling van het standaardcontract in een Main Agreement, een Annex A en een of meer te sluiten annexes B, geldt niettemin dat dit de juiste uitleg van de in dit geval tussen partijen gesloten overeenkomst als geheel is, uitgelegd volgens de Haviltex-maatstaf, althans dat in dit geval dit rechtsgevolg voortvloeit uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid.

2.4

Indien KLM de overeenkomst eerder dan op 3 oktober 2014 mondeling heeft opgezegd, is dat niet van belang voor de uitkomst van deze procedure. Niet is gesteld dat bij de mondelinge opzegging en de telefonische bevestiging daarvan is gesproken over een eerdere datum van beëindiging dan de in de brief van 3 oktober 2014 genoemde datum 2 december 2014. Zelfs indien over een eerdere datum van beëindiging zou zijn gesproken, mocht WWSP uit de brief van 3 oktober 2014 redelijkerwijs afleiden, niet alleen dat geen kortere opzegtermijn dan zestig dagen zou worden gehanteerd, maar ook dat geen eerdere aanvangsdatum van die termijn zou worden gehanteerd dan

3 oktober 2014.

De stelling dat de brief van 3 oktober 2014 per e-mail is verstuurd, wordt gepasseerd. KLM heeft niet aangeboden deze stelling te bewijzen (zie memorie van grieven 3.32) en heeft ook geen printouts van e-mails in het geding gebracht die deze stelling zouden ondersteunen.

2.5

Art. 3:37 lid 3, eerste volzin, BW houdt in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen

(HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391).

Art. 3:37 lid 3, tweede volzin, BW, houdt in dat ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking heeft, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.

2.6

Op grond van de hiervoor in rov. 2.1.5 weergegeven gegevens van het track-and-trace-systeem stelt het Hof vast dat de brief op 7 oktober 2014 in de ochtend is aangekomen bij de afhaalbalie van DHL in Curaçao, en acht het Hof voorshands bewezen dat DHL de middag van diezelfde dag WWSP heeft bericht dat zij de brief kon komen afhalen ("as requested"). WWSP zal worden toegelaten tot tegenbewijs.

2.7

Indien de voorshands bewezen geachte stelling zal worden aangenomen, moet op grond daarvan ingevolge art. 3:37 lid 3, tweede volzin, BW, worden aangenomen dat de brief in de middag van 7 oktober 2014 haar werking heeft gekregen. In dat geval heeft DHL toen de brief aan WWSP aangeboden op een wijze die in Curaçao gebruikelijk is, en voldoende waarborgen biedt om te kunnen oordelen dat de omstandigheid dat WWSP pas later de brief heeft opgehaald, aangemerkt moet worden als een eigen handeling van WWSP die rechtvaardigt dat zij het nadeel draagt van de omstandigheid dat zij de brief pas later in handen heeft gekregen.

2.8

Anders dan het GEA heeft geoordeeld, ziet het Hof in de door het GEA in rov. 4.11 en 4.12 weergegeven omstandigheden – en in de overige omstandigheden van het geval – onvoldoende grond voor het oordeel dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een langere opzegtermijn moet worden gehanteerd dan zestig dagen.

WWSP exploiteert weliswaar een veel kleiner bedrijf dan KLM, maar zij is wel een professionele, commerciële partij die niet alleen de Main Agreement heeft aanvaard waarin een opzegtermijn van zestig dagen is genoemd, maar ook Annex B, waarin een opzegtermijn van dertig dagen is genoemd. Het komt dan voor haar (ondernemers)risico dat de overeenkomst met een opzegtermijn van zestig dagen wordt opgezegd.

2.9

Op grond van het voorgaande mocht van KLM worden verwacht dat zij een opzegtermijn van zestig dagen zou hanteren, die ten vroegste is ingegaan op

7 oktober 2014 (in plaats van op 3 oktober 2014, zoals in de brief tot uitgangspunt wordt genomen).

2.10

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van werkzaamheden die meer omvatten dan werkzaamheden ter voorbereiding van de procedure.

De kosten van die werkzaamheden vallen onder proceskosten.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

draagt WWSP tegenbewijs op tegen de stelling van KLM dat DHL op

7 oktober 2014 aan WWSP heeft bericht dat zij de brief van 3 oktober 2014 kon komen afhalen bij de afhaalbalie van DHL in Curaçao;

bepaalt dat WWSP, indien zij daartoe getuigen wil doen horen, deze kan voorbrengen op een nader te bepalen dag voor mr. G.C.C. Lewin, lid van het Hof, in het gerechtsgebouw in Curaçao;

verzoekt partijen binnen veertien dagen na heden verhinderdata voor het getuigenverhoor op te geven voor de maanden mei, juni en juli 2017;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, S.A. Carmelia en

H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 4 april 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.