Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:246

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
400.00145/15 9 (BES. 165/15/B) H-99/2016
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opiumwet BES, witwassen, promis vonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Strafzaken over 2017 Vonnis no.

Datum uitspraak: 22 juni 2017 MC

Zaaknummer: H-99/2016

Parketnummer: 400.00145/15 (BES. 165/15/B)

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

STRAFVONNIS

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, van 22 juni 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres1][adres].

Procesgang en onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 14 oktober 2015, 6 januari 2016, 6 april 2016 en 1 juni 2016, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzittingen, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2017 in Bonaire.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. A.C. van der Schans, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman, mr. D.G. Illes, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Tevens heeft de procureur-generaal een geldboete gevorderd van $ 7.500,00.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair en 6 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Omvang hoger beroep

Het vonnis waarvan beroep is in zijn geheel aan beoordeling in hoger beroep onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

feit 1

dat zij in of omstreeks de periode van 16 juni 2015 tot en met 30 juni 2015, althans in of omstreeks de maand juni 2015, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A van de Opiumwet 1960 BES,

te weten het opzettelijk uitvoeren (van Bonaire) en/of invoeren (in Europees Nederland) en/of doorvoeren van (ongeveer) 1112 gram cocaïne, althans 32 en/of 60 bollen bevattende cocaïne, in elk geval een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, voor te bereiden en/of te bevorderen, één of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en zichzelf of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of vervoermiddelen heeft voorhanden gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en/of één of meer van verdachtes mededader(s):

  • -

    op 16 juni 2015 een kamer gereserveerd/gehuurd waar de drugskoerier kon overnachten en/of

  • -

    op 30 juni 2015 een taxi gebeld die de drugskoerier naar de luchthaven moest brengen, en/of

  • -

    in de periode van 26 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 een ruimte beschikbaar gesteld waar de drugskoerier de bollen kon slikken althans de verdovende middelen tot zich kon nemen;

feit 2

dat zij in of omstreeks de periode van 28 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 althans in of omstreeks de maand juni 2015, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) al dan niet opzettelijk in haar bezit en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 381,9 gram cocaïne (althans 32 bollen bevattende cocaïne), en/of (ongeveer) 730,1 gram cocaïne (althans 60 bollen bevattende cocaïne) en/of (ongeveer) 123,8 gram cocaïne (in een aantal plastic zakjes in een la in de gezamenlijke slaapkamer van [partner verdachte] en haar), althans (telkens) één of meer hoeveelheid/hoeveelheden cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES; (artikel 3 jo 11 Opiumwet 1960 artikel 49 Wetboek van Strafrecht BES)

althans, indien het bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

A

dat.[partner verdachte], en/of [medeverdachte 1], en/of [medeverdachte 2], en/of (een) ander(en), in of omstreeks de periode van 28 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 althans in of omstreeks de maand juni 2015, op het eiland Bonaire, al dan niet opzettelijk in zijn/hun bezit en/of aanwezig heeft/hebben gehad (ongeveer) 1112 gram cocaïne (althans 60 en/of 32 bollen bevattende cocaïne), althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door toe te staan / toe te laten dat in haar woning althans op haar woonadres in een slaapkamer cq in de woonkamer vorenbedoelde cocaïne verborgen, althans opgeslagen, althans bewaard werd;

en/of

B

dat.[partner verdachte], in of omstreeks de periode van 28 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 althans in of omstreeks de maand juni 2015, op het eiland Bonaire, al dan niet opzettelijk in zijn/hun bezit en/of aanwezig heeft/hebben gehad (ongeveer) 123,8 gram cocaïne (in een aantal plastic zakjes in een la in de gezamenlijke slaapkamer van hem en de verdachte) althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door toe te staan / toe te laten dat in die slaapkamer vorenbedoelde cocaïne verborgen, althans opgeslagen, althans bewaard werd;

feit 3

dat zij in of omstreeks de periode van 16 januari 2015 tot en met 18 februari 2015, althans in of omstreeks de maanden januari en/of februari 2015, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in art. 4, eerste lid, sub b onderdeel A, te weten het opzettelijk (door (een) ander(en)) invoeren (in/naar Bonaire) en/of doorvoeren in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumwet 1960 BES, van (ongeveer) 14,5 kilogram marihuana, althans een hoeveelheid hennep en/of cannabis, voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en zichzelf of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of vervoermiddelen heeft voorhanden gehad, waarvan zij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte, en/of één of meer van haar mededader(s):

  • -

    een mobiele telefoon (I Phone 6) beschikbaar gesteld voor door haar mededaders gevoerde (chat / ping) communicatie over die invoer, en/of

  • -

    (op verzoek van één of meer van haar mededaders) een hotelkamer

geboekt en/of een annulering en/of een reservering daarvan betaald en/of

gedaan;

feit 4

dat zij op of omstreeks 21 maart 2015, althans in of omstreeks de maand maart 2015, op het eiland Bonaire, en/of in het land Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een geldbedrag van (ongeveer) USD1500 heeft witgewassen, immers heeft zij, verdachte:

dat geldbedrag verworven, en/of voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en) of begre(e)p(en) dat voormeld geldbedrag, middellijk of onmiddellijk, afkomstig was uit enig misdrijf; (artikel 435a lid 1 sub b jo artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht BES)

althans, indien het bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat [medeverdachte 3], en/of [medeverdachte 4], op of omstreeks 21 maart 2015, althans in of omstreeks de maand maart 2015, op het eiland Bonaire, en/of in het land Curaçao, een geldbedrag van (ongeveer) USD1500 heeft/hebben (schuld)witgewassen, immers heeft/hebben zij, dat geldbedrag verworven, en/of voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl zij, wist(en) of begre(e)p(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat voormeld geldbedrag, middellijk of onmiddellijk, afkomstig was uit enig misdrijf, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 18 maart 2015 tot en met 21 maart 2015, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door:

- die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 4] te vragen om naar Curaçao af te reizen om daar een geldbedrag van (ongeveer) US$1500 aan een persoon ([naam 1] genoemd) af te geven, en/of

- met dat doel een (retour)vliegticket Bonaire-Curaçao voor die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 4] te betalen, en/of

- die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 4] te begeleiden naar (de ontmoetingsplek met die persoon op) Curaçao;

althans, indien het bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat zij op of omstreeks 21 maart 2015, althans in of omstreeks de maand maart 2015, op het eiland Bonaire, en/of in het land Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van een geldbedrag van (ongeveer) USD1500, immers heeft zij, verdachte: dat geldbedrag verworven, en/of voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s), redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat voormeld geldbedrag, middellijk of onmiddellijk, afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 5

dat zij op of omstreeks 28 april 2015, althans in of omstreeks de maand april 2015, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen een geldbedrag van (ongeveer) € 3005 heeft witgewassen, immers heeft zij, verdachte, dat geldbedrag verworven, en/of voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl zij, en/of haar mededader(s), wist(en) of begre(e)p(en) dat voormeld geldbedrag, middellijk of onmiddellijk, afkomstig was uit enig misdrijf;

althans, indien het bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat zij op of omstreeks 28 april 2015, althans in of omstreeks de maand april 2015, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen zich schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van een geldbedrag van (ongeveer) €3005, immers heeft zij, verdachte: dat geldbedrag verworven, en/of voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl zij, en/of haar mededader(s), redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat voormeld geldbedrag, middellijk of onmiddellijk, afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 6

dat zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 maart 2015 tot en met 7 april 2015, in elk geval op 29 maart 2015 en/of op 7 april 2015, op het eiland Bonaire, geld heeft witgewassen, immers heeft zij, verdachte: (telkens) (op de vloer van haar slaapkamer) een geldbedrag voorhanden gehad terwijl zij wist of begreep dat dit geldbedrag middellijk of onmiddellijk, afkomstig was uit enig misdrijf;

althans, indien het bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 maart 2015 tot en met 7 april 2015, in elk geval op 29 maart 2015 en/of op 7 april 2015, op het eiland Bonaire, zich schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van geld, immers heeft zij, verdachte: (telkens) (op de vloer van haar slaapkamer) een geldbedrag voorhanden gehad, terwijl zij redelijkerwijze moest vermoeden dat dit geldbedrag, middellijk of onmiddellijk, afkomstig was uit enig misdrijf.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof deels tot andere beslissingen komt.

Vrijspraak

Het Hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 3 en 6 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Ter toelichting daarvan dient het volgende.

Ten aanzien van feit 3

De onder feit 3 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen rusten op twee aan de verdachte verweten gedragingen. Het Hof overweegt als volgt.

In de bij de verdachte bij haar aanhouding inbeslaggenomen iPhone is een reeks ping-gesprekken aangetroffen die duidt op de handel in marihuana. Vaststaat dat die gesprekken werden gevoerd onder de ping-naam “[ping-naam]” die bij [partner verdachte] in gebruik was. Uit de gesprekken kan voorts worden opgemaakt dat die ook werden gevoerd door [partner verdachte]. Ook de procureur-generaal gaat hier vanuit. Het voorgaande. leidt het Hof tot het oordeel dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij die gesprekken of hiervan wetenschap had. Het enkele feit dat de telefoon aan de verdachte toebehoorde is op grond van het bovenstaande onvoldoende om tot de conclusie te komen dat zij haar telefoon beschikbaar heeft gesteld voor de gevoerde gesprekken. De tweede verweten gedraging houdt in dat de verdachte in januari 2015 een kamer bij de [naam hotel 1] heeft gereserveerd voor ene [naam 1], die betrokken zou zijn geweest bij voormelde handel. De in het dossier voorhanden zijnde bewijsstukken wijzen er echter op dat het transport in kwestie in maart 2015 plaats zou hebben gevonden. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde treffen van voorbereidingshandelingen tot invoer van 14,5 kilo marihuana. Derhalve wordt de verdachte van dit feit vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 6

In de onder de verdachte inbeslaggenomen iPhone zijn – behalve de onder feit 3 reeds besproken gesprekken – twee foto’s aangetroffen van een stapel geld op een witte tegelvloer, die overeenkomt met de tegelvloer in de slaapkamer van de verdachte en de medeverdachte [partner verdachte]. De aanwezigheid van deze foto’s in de telefoon van de verdachte is naar het oordeel van het Hof onvoldoende om wettig en overtuigend bewezen te achten dat de verdachte dit geld voorhanden heeft gehad. In dit verband is vooral van belang dat, zoals hiervoor ten aanzien van feit 3 is overwogen, de telefoon in de desbetreffende periode niet bij de verdachte maar bij haar partner [partner verdachte] in gebruik was. Evenmin is er voldoende bewijs voorhanden dat de verdachte heeft geweten dat dit geld zich in haar huis bevond. Dit betekent dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde witwassen van de stapel geld op de vloer. De omstandigheid dat de tegelvloer die op de foto te zien is overeenkomt met die in de slaapkamer die door de verdachte en haar partner [partner verdachte] werd gebruikt en voorts het feit dat op 10 april 2015 een som geld op de bankrekening van de verdachte werd gestort, kunnen niet tot een andere conclusie leiden. Het voorgaande is immers onvoldoende om een verband te leggen tussen de foto van het geld op de tegelvloer en de verdachte. Derhalve zal de verdachte ook voor dit feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 primair, 4 primair en 5 primair is ten laste gelegd, met dien verstande:

1.

dat zij in de periode van 16 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 op het eiland Bonaire tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A van de Opiumwet 1960 BES, te weten het opzettelijk uitvoeren van Bonaire en invoeren in Europees Nederland van 32 en 60 bollen bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES, voor te bereiden of te bevorderen,

zichzelf of anderen gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte:

  • -

    op 16 juni 2015 een kamer gehuurd waar de drugskoerier kon overnachten en

  • -

    op 30 juni 2015 een taxi gebeld die de drugskoerier naar de luchthaven moest brengen en

  • -

    in de periode van 26 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 een ruimte beschikbaar gesteld waar de drugskoerier de bollen kon slikken;

2. primair

dat zij in de periode van 28 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 op het eiland Bonaire tezamen en in vereniging met een ander respectievelijk anderen telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad 32 bollen bevattende cocaïne en 60 bollen bevattende cocaïne en cocaïne in een aantal plastic zakjes in een la in de gezamenlijke slaapkamer van [partner verdachte] en haar, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES;

4. primair

dat zij op 21 maart 2015 op het eiland Bonaire en in het land Curaçao tezamen en in vereniging met anderen een geldbedrag van USD 1.500 heeft witgewassen, immers heeft zij, verdachte dat geldbedrag voorhanden gehad en overgedragen, terwijl zij, verdachte, wist of begreep dat voormeld geldbedrag, middellijk of onmiddellijk, afkomstig was uit enig misdrijf;

5. primair

dat zij op 28 april 2015 op het eiland Bonaire tezamen en in vereniging met anderen of een ander een geldbedrag van € 3.005 heeft witgewassen, immers heeft zij, verdachte, dat geldbedrag voorhanden gehad, terwijl zij wist of begreep dat voormeld geldbedrag, middellijk of onmiddellijk, afkomstig was uit enig misdrijf;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijs(middel)verweer

De raadsman heeft betoogd dat het resultaat van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte niet tot het bewijs kan worden gebezigd, omdat de telefoon ten onrechte in beslag is genomen toen de verdachte op het vliegveld zonder dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld werd aangehouden. De TCI-informatie/melding van 24 april 2015, dat een vrouw met de naam “[voornaam verdachte]” binnenkort naar Bonaire zal reizen en mogelijk een geldbedrag afkomstig van drugshandel zal vervoeren, was niet voldoende om het toepassen van enig dwangmiddel en vervolgens de inbeslagname van de telefoon te rechtvaardigen, aldus de raadsman.

Het Hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. Om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld zoals bedoeld in de zin van artikel 47 Sv moet dit redelijk vermoeden voortvloeien uit feiten of omstandigheden. Het Hof is van oordeel dat de binnengekomen informatie van het Team Criminele Inlichtingen voldoende was om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld, nu de informatie voldoende concreet en gedetailleerd was om te kunnen wijzen in de richting van het begaan van een strafbaar feit. Hierdoor is de aanhouding alsook de inbeslagneming van de telefoon rechtmatig geweest, zodat er geen sprake is van enige normschending die tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. Derhalve zal het resultaat van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte tot het bewijs worden gebezigd.

Bewijsbeslissingen

Redengevende feiten en omstandigheden

De door het Hof in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Bij onderstaande bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het einddossier inzake het Onderzoek Brussel d.d. 17 september 2015.

Het Hof komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 4 primair en 5 primair tenlastegelegde feiten op grond van het volgende.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 primair

Op 30 juni 2015 vindt er een huiszoeking plaats in de woning te Kaya [adres1] te Bonaire. De volgende goederen worden in beslaggenomen: 60 bollen met een bruto gewicht van 730,1 gram vermoedelijke cocaïne; een plastic zakje met hierin 40 kleine zakjes met een bruto gewicht van 31,2 gram vermoedelijke cocaïne en een plastic zakje met hierin 11 kleine zakjes met een bruto gewicht van 18,1 gram vermoedelijke cocaïne, dus in totaal 51 zakjes met een bruto gewicht van 49,3 gram vermoedelijke cocaïne; een plastic zakje met hierin een vacuümzakje met een bruto gewicht van 74,5 gram vermoedelijke cocaïne.1

De verdachte (hierna ook: [verdachte]) woont samen met haar partner, medeverdachte [partner verdachte] (hierna ook: [partner verdachte]), op het adres [adres1].2

De genoemde plastic zakjes met vermoedelijke cocaïne zijn aangetroffen in de bovenste la van de kast in de slaapkamer die in het dossier met nummer 10 wordt aangeduid. In deze kast lagen naast diverse eigendommen van [partner verdachte] tevens paspoorten, brieven en foto’s van [verdachte].3 Slaapkamer 10 is de slaapkamer van [partner verdachte] en [verdachte].4 Het totale gewicht van de plastic zakjes met vermoedelijke cocaïne bedraagt bruto 123,8 gram.5

Op 30 juni 2016 is in de vertrekhal van Bonaire International Airport medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) aangehouden.6 [medeverdachte 2] heeft 32 zogenoemde slikkers- c.q. duwersbollen geproduceerd.7 Deze bollen hebben een bruto gewicht van in totaal 381,9 gram vermoedelijke cocaïne.8 De 32 door [medeverdachte 2] geproduceerde bollen komen qua vorm en grootte overeen met de 60 bollen cocaïne die in de woning van [partner verdachte] en [verdachte] aan de Kaya [adres 1] zijn aangetroffen. Het gemiddelde gewicht van de 32 bollen (11,93 gram) komt nagenoeg overeen met het gemiddelde gewicht van de 60 bollen (12,1 gram).9 De in de woning van [partner verdachte] en [verdachte] inbeslaggenomen 60 bollen zaten in een plastic tas die op de vloer van de gang van de woning lag.10

Acht monsters van de inbeslaggenomen vermoedelijke cocaïne zijn door het Nederlands Forensisch Instituut onderzocht. Al het onderzochte materiaal bevat cocaïne. Cocaïne is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.11

[medeverdachte 2] verklaart dat hij naar Bonaire is gekomen om bolletjes met cocaïne op te halen om naar Nederland te brengen. Het ticket is betaald door “die dikke”. Met “de dikke” bedoelt [medeverdachte 2], na herkenning van diens foto, medeverdachte [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] een aanbod gedaan en hij heeft daar “ja” op gezegd. Hij bood [medeverdachte 2] aan om bollen cocaïne voor hem naar Nederland te brengen voor 5500 euro per kilo. Op Bonaire is [medeverdachte 2] opgehaald door iemand in een zwarte auto die samen met [medeverdachte 1] was. Het is de man van het huis waar hij de laatste vier dagen van zijn verblijf verbleven heeft. De man is klein, gezet en heeft een kale kop. [medeverdachte 2] bedoelt hiermee, na herkenning van diens foto, [partner verdachte]. [medeverdachte 2] is door [medeverdachte 1] opgehaald in die zwarte auto en [partner verdachte] was er ook bij. [medeverdachte 2] heeft eerst in [naam hotel 2] geslapen en daarna is hij naar de [naam apartementen] gegaan. De bollen heeft [medeverdachte 2] twee dagen voor vertrek van [medeverdachte 1] gekregen. Hij kwam met die bollen aanzetten die in een plastic tas zaten. [medeverdachte 2] heeft 25 bollen geduwd en de rest (7 stuks) geslikt. [medeverdachte 2] is twee weken op Bonaire verbleven in de [naam apartementen]. Hij is daar 15 juni 2015 ingecheckt en 26 juni uitgecheckt. Hij is naar een huis aan zee gegaan en op de 28e stond de tas voor de deur. Het was een plastic tas met bolletjes erin. Op een briefje stond dat er 1 kilo aan bolletjes in die tas zat. In de bolletjes zat cocaïne. Er zaten 100 bollen in de tas. De bollen die hij niet heeft geslikt en geduwd heeft hij in dat huis achtergelaten, aldus [medeverdachte 2].12 [medeverdachte 2] herkent de auto Toyota Yaris met kenteken [kenteken nr.] als de auto waarmee [medeverdachte 2] is opgehaald van het vliegveld.13 [partner verdachte] maakt gebruik van een zwarte Toyota Yaris met kenteken [kenteken nr.].14

Medeverdachte [medeverdachte 1] bevestigt dat [medeverdachte 2] in een kamer van [roepnaam partner verdachte] zat. [medeverdachte 1] heeft hem gezien. [medeverdachte 2] kwam uit een hotel voordat hij naar de woning van [roepnaam partner verdachte] kwam. Hij werd uit dat hotel opgehaald door [roepnaam partner verdachte]. [medeverdachte 1] zat ook in de auto toen ze [medeverdachte 2] gingen ophalen. Ze haalden [medeverdachte 2] op omdat hij bij [roepnaam partner verdachte] ging verblijven. [medeverdachte 1] is op 16 juni 2015 op Bonaire aangekomen en heeft alleen bij [roepnaam partner verdachte] verbleven.15 [partner verdachte] wordt ook ‘[roepnaam partner verdachte]’ genoemd.16

Op 10 juni 2015 omstreeks 9:51 uur heeft [medeverdachte 1] naar [partner verdachte] gebeld. [medeverdachte 1] zegt in het gesprek: “Morgen zal ik vanzelf dat ding gaan regelen zodat ze komen.” [partner verdachte] zegt: “Ik moet de dingen voor je sturen.” en “Ik heb de dingen voor je klaar.” [medeverdachte 1] zegt: “Morgen zal ik het buskaartje kopen.” en “Vanzelf moeten wij de aas regelen om te gaan vissen. Wat wil je dat ik doe? Zorgen dat hij/zij één week gaat vissen of twee weken? Een week is toch weinig?” [partner verdachte] zegt: “Ja, een week is weinig. Twee weken.” [medeverdachte 1] zegt: “Ok goed. (…) Aan die kant zijn er al twee azen, aan jouw kant. (…) Wanneer ik aan jouw kant ga om bij jou te komen, zal ik langsgaan om naar die te kijken. En daarna praten we verder. (…) En morgen zal ik het buskaartje kopen. Vanzelf heb ik nu slechts één aas bij me. Begrijp je?” [partner verdachte] zegt ja.17 Het ticket voor [medeverdachte 2] is op 11 juni 2015 geboekt.18

[medeverdachte 2] is op 16 juni 2015 om 22.34 uur op Bonaire aangekomen.19 Eerder die dag, omstreeks 17.01 uur, heeft [partner verdachte] met [verdachte] gebeld. [partner verdachte] vraagt haar om aan haar sister te vragen of zij, daar waar zij is, een kamer hebben.20 [verdachte] heeft omstreeks 19.35 uur naar [naam hotel 2] gebeld en gevraagd of er nog een kamer vrij is.21 [verdachte] heeft een kamer geboekt bij [naam hotel 2] voor 16 juni tot en met 26 juni 2015 voor een Nederlandse meneer [medeverdachte 2] of [medeverdachte 2]22 en daarvoor contant USD 650 betaald.23 Toen [verdachte] had afgerekend, heeft ze de sleutel van kamer 8 en een kwitantie gekregen, aldus getuige [getuige 1]. [verdachte] vertelde de getuige dat ze de kamer huurde voor een vriend die ze later die avond zou komen brengen. [medeverdachte 2] had de sleutel van kamer 8 bij zich toen hij [naam hotel 2] binnenliep. Hij is vanuit [naam hotel 2] overgebracht naar [naam appartement].24 In de handbagage van [medeverdachte 2] is een kwitantie van [naam hotel 2] aangetroffen. Het betreft een kwitantie d.d. 16 juni 2015 op naam van [verdachte]voor een kamer voor 10 nachten ad $ 650.25

Op 30 juni 2015 omstreeks 17:36 uur heeft [verdachte] telefonisch een taxi besteld om van [adres 2] naar het vliegveld te gaan. [verdachte] zegt in het telefoongesprek dat het een meneer is die weg zal gaan.26 Omstreeks 17.49 uur wordt waargenomen dat [medeverdachte 2] bij de woning van [partner verdachte] wordt opgehaald door een taxibus. Omstreeks 18.03 uur stappen [partner verdachte] en [medeverdachte 1] in de zwarte Yaris van [partner verdachte]. De auto rijdt langs Flamingo airport en weer terug. Omstreeks 18.26 uur stopt de auto ter hoogte van Flamingo airport. Waargenomen wordt dat vanuit de richting van de aankomsthal van Flamingo airport [medeverdachte 1] komt aanlopen en als passagier de Toyota Yaris instapt.27

Op 1 juli 2015 omstreeks 21:02 uur heeft [verdachte] naar [partner verdachte] gebeld. Ze zegt dat ze volgens haar 60 bolletjes gevonden hebben en: “En ik doen dan alsof wat het verdomme is.” [partner verdachte] zegt dat “die brother, die grote klootzak” alles heeft bedorven. Hij was naar het vliegveld gegaan. Ze hebben hem op het vliegveld gezien en volgden hem. Dus toen hij daar kwam hebben ze de andere persoon ook gezien. Vanzelf zal iedereen aan zijn dingen vasthouden. Ze hebben hen alleen meegenomen. Ze komen niet eens bij mij.28

Ten aanzien van feit 4 primair

Op 17 maart pingt [medeverdachte 5] naar [ping-naam]: Zou u iemand kunnen sturen om 1500 naar Curaçao mee te nemen en te geven aan een vriend van mij daar. Op 20 maart pingt [ping-naam]: Morgen gaat iemand vriend. Een vriendin van mijn vrouw. [medeverdachte 5] pingt: Ik zal het nummer zo aan u doorgeven om te bellen om een afspraak te maken. [tel. nummer]. Vraag naar [naam 1]. Zij moet tegen hem zeggen dat het namens “[roepnaam]]” ([vertalde roepnaam]) is. En geeft ze de 1500 af. [ping-naam] pingt: Kan hij naar mac donald gaan. Dat meisje is jong. Mijn vrouw heeft tegen haar gezegd. En het was alsof ze bang was. Daarna zei ze ja. Op 21 maart pingt [ping-naam]: Ze zijn al vertrokken. [medeverdachte 5] pingt: Bevestigt u mij of het geld aan [naam 1] gegeven is. [ping-naam] antwoordt: Ja dat is al om 11 uur gebeurd.29

[verdachte] is op 21 maart 2015 omstreeks 06:59 uur op Bonaire geregistreerd als uit reizend naar Curaçao. Een minuut later is als uit reizend naar Curaçao geregistreerd [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]).30

[medeverdachte 3] verklaart dat ze met [verdachte] en dier zus [medeverdachte 4] naar Curaçao is gereisd. [verdachte] had haar gevraagd om mee te gaan en heeft haar ticket betaald. Ze zijn in de Mac Donalds geweest. Daar heeft [medeverdachte 4] een ontmoeting met een man gehad.31

In de zwarte iPhone die bij de aanhouding van [verdachte] op 21 juli 2015 onder haar in beslag is genomen, is het telefoonnummer [tel. nummer] in de contactenlijst aangetroffen onder de naam “[naam 3]”. Het nummer is op 21 maart 2015 omstreeks 20:03 uur ingevoerd. In de telefoon wordt een foto aangetroffen waarop een dienblad met verschillende producten van Mac Donalds is afgebeeld. De foto is op 21 maart 2015 om 11.34 genomen.32

Ten aanzien van feit 5 primair

Op 28 april 2015 om 18:55 uur wordt [verdachte] aangehouden op de luchthaven van Bonaire.33 Onder [verdachte] worden verschillende goederen in beslaggenomen, waaronder:

EUR 3.005,-, bestaande uit 4 biljetten van 500, 3 biljetten van 200, 4 biljetten van 100 en 1 biljet van 5 euro.34

Diezelfde dag omstreeks 22:39 uur belt [partner verdachte] naar [moeder partner verdachte] (Hof: moeder van [partner verdachte]). [partner verdachte] deelt mee dat ze het meisje aangehouden hebben. [moeder partner verdachte] zegt: Ja, het geld toch. [partner verdachte] zegt: Nee, maar ze heeft niet alles meegenomen. Ze heeft alleen een beetje meegenomen. [partner verdachte] zegt: Het meisje heeft niets, ze heeft niets meegenomen, ze heeft geen drugs meegenomen en heeft geen klote gedaan.35

Op 29 april 2015 omstreeks 6:38 uur wordt [partner verdachte] gebeld door [moeder partner verdachte]. [partner verdachte] zegt: Ze had alleen maar 3000, ze heeft niet veel meegenomen. [moeder partner verdachte] zegt: God zij dank.36

Ten aanzien van feit 1, feit 2 primair, feit 4 primair en feit 5 primair

In de data van de onder [verdachte] inbeslaggenomen iPhone 6 zijn pingberichten aangetroffen tussen [ping-naam] en “[naam 4].” [ping-naam] bericht onder andere aan [naam 4].: Ik werk slechts met mijn vrouw.37

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1 (voorbereidingshandelingen in/uitvoer van 32 en 60 bollen cocaïne)

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de woning van de verdachte en [partner verdachte] 60 bollen cocaïne zijn aangetroffen, dat [partner verdachte] betrokken is bij de organisatie van de smokkel van 32 bollen met cocaïne door koerier [medeverdachte 2], dat [partner verdachte] een ruimte in de woning waarin hij met de verdachte woont, ter beschikking heeft gesteld waar de drugskoerier de bollen met cocaïne kon innemen, dat de verdachte een kamer heeft gehuurd waar de drugskoerier heeft verbleven en dat zij een taxi heeft gebeld die de drugskoerier naar de luchthaven moest brengen. Ter beantwoording staat de vraag of de verdachte hierbij het opzet had om de uitvoer van cocaïne uit Bonaire en de invoer daarvan in Nederland voor te bereiden of te bevorderen. Het Hof beantwoordt deze vraag, evenals het Gerecht in eerste aanleg, bevestigend en sluit zich aan bij hetgeen door het Gerecht hieromtrent is overwogen.

De verdachte heeft verklaard dat zij een kamer voor [medeverdachte 1], en niet voor een drugskoerier, bij [naam hotel 2] heeft geboekt en dat [medeverdachte 1] daar zes nachten heeft verbleven. Deze verklaring is niet aannemelijk, omdat deze in strijd is met de gastenlijst van [naam hotel 2] en de andersluidende verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. De verdachte heeft haar verklaring kennelijk afgelegd om de waarheid te bemantelen, namelijk dat zij wist dat haar handelingen verband hielden met een drugstransport. Deze conclusie vindt bevestiging in het tapgesprek van 16 juni 2016 omstreeks 17:01 uur. Als [partner verdachte] de verdachte belt en vraagt of “zij, daar waar zij is, een kamer hebben”, stelt de verdachte geen vragen en begrijpt zij kennelijk meteen waarover het gaat. Vervolgens reserveert en betaalt zij een kamer voor [medeverdachte 2], de drugskoerier, bij [naam hotel 2]. Ook het pingbericht van [partner verdachte] aan “[naam 4].”, inhoudende dat hij alleen met zijn vrouw werkt, ondersteunt - bij gebrek aan een aannemelijke verklaring van de verdachte hierover - de conclusie dat de verdachte wetenschap had van het drugstransport door [medeverdachte 2].

Met haar gedrag heeft de verdachte [partner verdachte] gelegenheid en middelen tot het plegen van de opzettelijke uitvoer uit Bonaire en invoer in Nederland van 32 en 60 bollen met cocaïne verschaft. Het onder feit 1 tenlastegelegde feit is derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 primair (aanwezig hebben van zakjes met cocaïne in de slaapkamer)

Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de slaapkamer van de verdachte en [partner verdachte] verschillende zakjes met cocaïne aanwezig waren. De verdachte heeft verklaard dat zij voor de aanhouding van [partner verdachte] in slaapkamer 11 sliep en pas daarna in slaapkamer 10, waar de cocaïne is aangetroffen, is gaan slapen. Deze verklaring is niet aannemelijk, omdat deze in strijd is met de andersluidende verklaringen van [partner verdachte] en [medeverdachte 1]. De verdachte heeft haar verklaring dat slaapkamer 10 niet haar slaapkamer is, kennelijk afgelegd om de waarheid te bemantelen, namelijk dat zij samen met [partner verdachte] over de cocaïne in die slaapkamer kon beschikken en in meer of mindere mate bewust was van de aanwezigheid van de cocaïne in de slaapkamer.

Feit 2 primair is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 (aanwezig hebben van 32 en 60 bollen met cocaïne)

Hiervoor ten aanzien van feit 1 is vastgesteld dat de verdachte een kamer voor de drugskoerier heeft gereserveerd en een taxi heeft gebeld die de drugskoerier naar de luchthaven moest brengen en dat [partner verdachte] een ruimte in de woning van de verdachte en hem beschikbaar heeft gesteld waar de drugskoerier de bollen met cocaïne kon slikken. De bollen met cocaïne die de koerier zou slikken, waren ook in deze woning aanwezig en de koerier heeft ze daar (gedeeltelijk) geslikt respectievelijk geduwd. De resterende 60 bollen die in de woning werden aangetroffen lagen voorts in een open zak op de vloer in de gang van de woning en waren voor een ieder zichtbaar. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de verdachte over de bollen met cocaïne kon beschikken. Ook heeft de verdachte ter zake van de bollen cocaïne nauw en bewust met [partner verdachte] en [medeverdachte 1] samengewerkt. Dat de - intellectuele en materiële - bijdrage van de verdachte aan het gepleegde delict van voldoende gewicht is, blijkt ook uit het gesprek dat de verdachte op 1 juli 2015 na de aanhouding van de koerier heeft gevoerd met [partner verdachte]. Van enige verwondering zijdens de verdachte ten aanzien van de gang van zaken is echter niets gebleken. Het Hof leidt hieruit af dat de verdachte meer van de organisatie van het drugstransport afweet dan zij wil doen voorkomen. Dit wordt bevestigd door [partner verdachte], die aan “[naam 4].” heeft bericht dat hij alleen met zijn vrouw werkt. Het Hof acht het onder 2 primair tenlastegelegde derhalve ook in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 4 primair (witwassen USD 1.500,00)

Uit het dossier blijkt dat [partner verdachte] met de verkoper van de 14,5 kilo marihuana heeft afgesproken dat hij een vriendin van zijn vrouw naar Curaçao zal sturen om ‘1500’ naar Curaçao mee te nemen en daar af te geven. [verdachte] is de partner van [partner verdachte] en samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] is zij naar Curaçao gereisd. Het Hof leidt uit de gesprekken die zijn gevoerd af dat het jonge meisje het geld aan de man moest geven en dat er daadwerkelijk geld, 1500 van een onbekende valuta, is afgegeven. In de Mac Donalds heeft ook een ontmoeting met een man plaatsgevonden. Daarbij komt dat uit de gevoerde gesprekken tussen [partner verdachte] en de verkoper van de 14,5 kilo marihuana is gebleken dat het geld bestemd was voor de verkoper van de marihuana. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat zij wist dat [partner verdachte] in duistere zaken handelde. [partner verdachte] heeft ook middels een pingbericht aan ene [naam 4]. aangegeven dat hij alleen met zijn vrouw werkt. Nu de telefonisch (via ping) door [partner verdachte] met [medeverdachte 5] gevoerde gesprekken en gemaakte afspraken naadloos aansluiten bij de feitelijke gebeurtenissen, namelijk, onder andere, het afreizen naar Curaçao door de verdachte met haar zus en een vriendin, het afspreken in de Mac Donalds aldaar met een man en het, in de onder de verdachte in beslaggenomen iPhone, aantreffen van een foto gemaakt in de Mac Donalds omstreeks een tijdstip dat weer terug te herleiden is naar een telefoongesprek gevoerd tussen [partner verdachte] en [medeverdachte 5], mag van de verdachte worden gevergd dat zij hiervoor een ontzenuwende verklaring geeft. Door de verdachte is ter terechtzitting echter voor het voorgaande geen aannemelijke verklaring gegeven.

Nu het geld door iemand naar Curaçao moest worden gebracht, en kennelijk niet kon worden volstaan met de gebruikelijke manier van overboeken, is ook naar het oordeel van het Hof sprake van een gedraging gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld.

Het Hof acht gelet op het voorgaande het onder feit 4 primair tenlastegelegde medeplegen van witwassen wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 5 primair (witwassen EUR 3.005,00)

De verdachte is op het vliegveld aangehouden met contant geld, namelijk EUR 3.005,00. Het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten is niet gebruikelijk en brengt een veiligheidsrisico met zich. De verdachte zelf heeft wisselend verklaard over de hoogte van het bedrag. Bij de voorgeleiding heeft ze verklaard dat ze EUR 3000 bij zich heeft en dat dit geld van haar zelf is (p. 55). Naar aanleiding van haar aanhouding heeft de verdachte verklaard dat ze viermaal 500 euro bij zich heeft en de rest niet meer weet. Ze herinnert zich het bedrag van EUR 3005 vervolgens pas bij het tellen met de douane (p. 112). Bankbiljetten van 500 en 200 euro worden, naar algemeen bekend is, in het legale circuit nauwelijks gebruikt, terwijl deze in het criminele circuit veel als betaalmiddel worden gebruikt. Dergelijke bankbiljetten kunnen ook niet zomaar gepind worden bij geldautomaten. Al deze omstandigheden brengen met zich dat van de verdachte mag worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet en min of meer verifieerbaar is en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

De verdachte heeft ten aanzien van de herkomst van het geld bij de politie verklaard dat zij een deel van het geld van haar moeder heeft gehad. Dat geld had haar moeder van de verdachte geleend in oktober 2014. Volgens de verdachte heeft ze driemaal EUR 500 van haar moeder gekregen. Het geld zat in een envelop. De verdachte weet niet precies hoeveel haar moeder haar heeft teruggegeven, ze stopte het in haar portemonnee en de verdachte heeft het niet geteld. Deze verklaring van de verdachte is geverifieerd. Haar moeder, getuige [moeder verdachte], heeft verklaard dat ze stiekem EUR 3000 in de portemonnee van de verdachte heeft gestopt: tweemaal EUR 500 en de rest van het geld betrof briefjes van 100 of 50.38 Het Hof acht deze verklaring niet aannemelijk, reeds omdat vier briefjes van EUR 500,00 onder de verdachte in beslag zijn genomen. Dit maakt dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van EUR 1.500,00 niet als aannemelijk kan worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdachte in tegenstelling tot haar eerder afgelegde verklaringen verklaard dat een gedeelte van het geld dat ze bij zich had geld betrof dat ze van haar moeder en zus had gekregen. Het zou gaan om een totaal bedrag van EUR 1.800. De rest van het geld zou haar eigen geld zijn geweest dat zij had gepind. Het Hof acht ook deze verklaring ten aanzien van de herkomst van een gedeelte van het geld gelet op de eerder afgelegde verklaringen van de verdachte en haar moeder niet aannemelijk en zal deze als ongeloofwaardig ter zijde schuiven.

De verdachte heeft voorts verklaard dat EUR 200 van haar baas is; ze moest spullen voor zijn iPhone kopen. Deze verklaring is geverifieerd bij de werkgever van de verdachte. Deze werkgever, de getuige [consul-generaal van Venezuela], consul-generaal van Venezuela te Bonaire, heeft verklaard dat de verdachte niets voor haar heeft moeten kopen. Volgens de getuige heeft zij nooit iets aan de verdachte gegeven; ze heeft nog nooit een bankbiljet van EUR 200,00 gezien of in bezit gehad.39 Getuige [coördinator van het Venezolaanse Instituut van Cultuur en samenwerking], coördinator van het Venezolaanse Instituut van Cultuur en samenwerking op Bonaire, heeft verklaard dat [verdachte] geen spullen voor hem zou kopen in Nederland. De getuige is nooit in het bezit geweest van een bankbiljet van EUR 200.40

De wisselende verklaringen van de verdachte met betrekking tot de hoogte van het bedrag en de herkomst van het geld en het uitblijven van een aannemelijke verklaring over de herkomst van (een deel van) het geld, leiden het Hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het bedrag van EUR 3.005,00 – onmiddellijk of middellijk – van enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist. Het Hof wordt in deze conclusie gesterkt door de tapgesprekken van 28 en 29 april 2015. Daaruit wordt afgeleid dat met het aangehouden meisje [verdachte] wordt bedoeld, die geen drugs maar wel geld heeft meegenomen. “Ze heeft niet alles van het geld meegenomen. God zij dank”, aldus het gesprek.

Het Hof acht het tenlastegelegde medeplegen van witwassen derhalve bewezen.

Algemene bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 1, 2 primair, 4 primair en 5 primair

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Dit is slechts dan het geval indien de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is (het Hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 december 2014 ECLI:NL:HR:2014:3474).

Blijkens voornoemde feiten en omstandigheden heeft de verdachte bewust en nauw samengewerkt met [partner verdachte] bij het treffen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de in/uitvoer van 32 en 60 bollen cocaïne, het aanwezig hebben van de zakjes en bollen cocaïne en het witwassen van geld dat uit misdrijf afkomstig was. Zo woonde zij samen met [partner verdachte] in de woning waar de drugs waren aangetroffen en heeft zij samen met [partner verdachte] haar woning ter beschikking gesteld van de drugskoerier genaamd [medeverdachte 2]. Daarbij komt dat de 60 bollen cocaïne in een plastic tas die open en bloot op de vloer van de gang van de woning lag zijn aangetroffen. Het is naar het oordeel van het Hof hoogst onwaarschijnlijk dat de verdachte die bollen niet heeft gezien. De verdachte heeft voorts, wetende dat [partner verdachte] handelde in duistere zaken, zonder nadere vragen te stellen een aantal dagen voor aankomst op verzoek van [partner verdachte] een kamer voor die [medeverdachte 2] gereserveerd. Op de dag van vertrek heeft zij ook een taxi voor die [medeverdachte 2] gebeld om hem naar het vliegveld te brengen. Deze handelingen duiden op een bewuste en nauwe samenwerking tussen [partner verdachte] en de verdachte bij het plegen van het tenlastegelegde feit. Dit wordt bevestigd door het navolgende. De verdachte heeft geld dat afkomstig was van de verkoop van drugs samen met twee anderen overgebracht naar Curaçao. Voorts was zij op de dag van haar aanhouding in het bezit van een ongebruikelijke grote hoeveelheid geld, waarvoor zij geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven. Dat [partner verdachte] niets te maken had met dat geld wordt door het bewijs weerlegd. Hierbij is ook van belang dat [partner verdachte] in een pingbericht duidelijk heeft aangegeven dat hij alleen met zijn vrouw werkt. Uit voorgaande feiten en omstandigheden blijkt dat de bijdrage die de verdachte heeft geboden bij het plegen van de tenlastegelegde feiten van voldoende gewicht is geweest. Derhalve is er sprake van medeplegen.

Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

medeplegen van voorbereiden of bevorderen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumwet 1960 BES,

strafbaar gesteld bij artikel 11 en 11 a van de Opiumwet 1960 BES;

Feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onderdeel C, van de Opiumwet 1960 BES, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet 1960;

Feit 4 primair:

medeplegen van witwassen,

strafbaar gesteld bij artikel 435a van het Wetboek van Strafrecht BES;

Feit 5 primair:

medeplegen van witwassen,

strafbaar gesteld bij artikel 435a van het Wetboek van Strafrecht BES.

Het bewezenverklaarde is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

Oplegging van straf en/of maatregel

Bij de bepaling van de straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Meer in het bijzonder heeft het Hof daarbij het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met anderen 32 en 60 bollen met cocaïne (1.112 gram) aanwezig gehad en samen met een ander voorbereidingshandelingen verricht om deze cocaïne vanuit Bonaire naar Nederland te smokkelen. Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander 123,8 gram cocaïne aanwezig gehad. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De genoemde hoeveelheden zijn van dien aard dat deze bestemd moeten zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder het plegen van strafbare feiten van uiteenlopende aard door de gebruikers, ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het gaat hier om een stof die zeer verslavend is en zeer schadelijk voor de gezondheid, met alle gevolgen voor de gebruikers en de maatschappij van dien. De verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en zich kennelijk uitsluitend laten leiden door persoonlijk financieel gewin.

Daarnaast heeft de verdachte zich (samen met anderen) meermalen schuldig gemaakt aan het witwassen van geld. Door aldus te handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Daarnaast vormt het witwassen van criminele gelden een bedreiging van de legale economie en een aantasting van de integriteit en de transparantie van het financiële en economische verkeer. De verdachte heeft zich ook hiervan geen rekenschap gegeven en zich kennelijk uitsluitend laten leiden door persoonlijk financieel gewin.

Het voorgaande rechtvaardigt een gevangenisstraf van na te melden duur. Het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten geeft aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Het Hof weegt ook mee dat de verdachte ter zitting er geen blijk van heeft gegeven het laakbare van haar handelen in te zien. Het Hof houdt bovendien, evenals het Gerecht in eerste aanleg, rekening met de rol van de verdachte bij de bewezen verklaarde feiten.

Alles afwegende is het Hof van oordeel dat een straf van na te melden duur passend en geboden is.

Inbeslaggenomen voorwerpen

Het Hof is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de beslaglijst onder 7 en 8 vermelde voorwerpen (de iPhone en het EUR 3.005,00), dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 31,35, 35a, 49, 57, 59 en 96 van het Wetboek van Strafrecht BES;

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, van 22 juni 2016 en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 en 6 is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 primair, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 24 (VIERENTWINTIG) MAANDEN;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 3 (DRIE) JAAR, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

geld ten bedrage van EUR 3.005,00 en de inbeslaggenomen iPhone;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 6 vermelde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Radder, H.J. Fehmers en K.A.M. Lasten, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Bonaire uitgesproken op 22 juni 2017.

1 Proces-verbaal van bevindingen huiszoeking d.d. 3 juli 2015, algemeen dossier, p. 68-71 met Bijlage schets, p. 72 en Bijlage inbeslaggenomen goederen, p. 75 onder Gob5.8.9.1, p. 73 onder Gob5.10.11.1 en Gob5.10.11.2, Gob5.10.11.3; Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 64.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 21 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 30, p. 2 antwoord op de 8e en 9e vraag.

3 Proces-verbaal (PV-nr. 297) d.d. 17 augustus 2015, zaaksdossier 1, bijlage 76.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [partner verdachte] d.d. 2 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 23, p. 3 antwoord op de 10e en 11e vraag; Proces-verbaal van bevindingen onderzoek slaapkamer, zaaksdossier 1, bijlage 75.

5 Proces-verbaal van bevindingen Klein verschil (0,2 gram bruto) in gewicht inbeslaggenomen cocaïne d.d. 14 september 2015, algemeen dossier, p. 80-81.

6 Proces-verbaal van relaas zaaksdossier 1, p. 25 onder 16.4.

7 Proces-verbaal (PV-nr. 119) d.d. 2 juli 2015, Proces-verbaal (PV-nr. 122) d.d. 2 juli 2015, Proces-verbaal (PV-nr. 123) d.d. 30 juni 2015 en Proces-verbaal (PV-nr. 124) d.d. 3 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 58 t/m 61.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2015 en Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 65 en bijlage 66.

9 Proces-verbaal (PV-nr. 332) d.d. 1 september 2015, zaaksdossier 1, bijlage 79.

10 Proces-verbaal van relaas zaaksdossier 1, p. 36 onder 20.5.1 de foto’s en de 1e 2 zinnen.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 september 2015, algemeen dossier, p. 130-131; Geschrift, te weten Rapport identificatie van drugs en precursoren d.d. 9 oktober 2015, los stuk, gevoegd in ordner ZD01.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 30 juni 2015, zaaksdossier 1, bijlage 27, p. 3 antwoord op de 2e, 4e, 7e en 8e vraag; Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 8 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 28, p. 2 antwoord op de 3e t/m 7e, 10e en 11e vraag, p. 3 antwoord op de 6e t/m 9e, 11e vraag, p. 4 eerste alinea en antwoord op de 3e vraag; Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 8 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 28, p. 5 antwoord op de 13e vraag, met de bijlage Proces-verbaal Fotomap, p. 1 onder fotonr. 7; Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 8 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 28, p. 5 antwoord op de 11e vraag, met de bijlage Proces-verbaal Fotomap, p. 1 onder fotonr. 1.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 8 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 28, p. 5 antwoord op de 15e vraag, met de bijlage Proces-verbaal Fotomap, p. 1 onder fotonr. 13.

14 Proces-verbaal (PV-nr. 76) d.d. 17 juni 2015, zaaksdossier 1, bijlage 45.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 1 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 24, 4e pagina antwoord op de laatste vraag, 7e pagina antwoord op de 8e, 14e en 15e vraag, 8e pagina antwoord op de 9e en 10e vraag.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [partner verdachte] d.d. 2 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 23, p. 2 antwoord op de 9e vraag.

17 Geschrift, te weten verslag tapgesprek 10 juni 2015 9:51:35 Sessienr. 91, zaaksdossier 1, bijlage 04.

18 Proces-verbaal van relaas zaaksdossier 1, p. 28 onder 17.8, 1e en 2e zin.

19 Proces-verbaal van bevindingen (PV-nr. 91) d.d. 23 juni 2015, zaaksdossier 1, bijlage 50.

20 Geschrift, te weten verslag tapgesprek 16 juni 2015 17:01:59 Sessienr. 37, zaaksdossier 1, bijlage 07.

21 Geschrift, te weten verslag tapgesprek 16 juni 2015 19:35:49 Sessienr. 161, zaaksdossier 1, bijlage 08.

22 Proces-verbaal van bevindingen (PV-nr. 88) d.d. 24 juni 2015, zaaksdossier 1, bijlage 48, p. 3 onder bevinding verbalisant, laatste alinea en de bijbehorende gastenlijst waarop “[medeverdachte 2]” is geschreven.

23 Proces-verbaal van bevindingen (PV-nr. 90) d.d. 23 juni 2015, zaaksdossier 1, bijlage 49, p. 1 3e opsomminsstreepje.

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige1] d.d. 27 augustus 2015, zaaksdossier 1, bijlage 36, p. 2 antwoord op de 1e en 4e vraag en antwoord op de 8e vraag laatste zin.

25 Proces-verbaal bevindingen (PV-nr. 172) d.d. 9 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 68.

26 Geschrift, te weten verslag tapgesprek 30 juni 2015 17:36:07 Sessienr. 201, zaaksdossier 1, bijlage 20.

27 Proces-verbaal van bevindingen (PV-nr. 115) d.d. 2 juli 2015, zaaksdossier 1, bijlage 56, p. 2 en 3.

28 Geschrift, te weten verslag tapgesprek d.d. 1 juli 2015 21:02:28 (Sessienr. 65), zaaksdossier 1, bijlage 22.

29 Proces-verbaal (PV-nr. 331) d.d. 2 september 2015, zaaksdossier 3, p. 529-536.

30 Proces-verbaal (PV-nr. 256) d.d. 3 augustus 2015, zaaksdossier 3, p. 566 2e alinea laatste zin, 568 3e alinea.

31 Proces-verbaal van verhoor d.d. 10 augustus 2015, zaaksdossier 3, p. 575 opmerking verbalisanten (onder het midden) en een na laatste alinea, 576 1e, 2e en 6e alinea.

32 Proces-verbaal (PV-nr. 268) d.d. 4 augustus 2015, zaaksdossier 3, p. 538, 541, 566 foto 1; Eigen waarneming van de rechter ter terechtzitting van 1 juni 2016 voor zover het betreft hetgeen is afgebeeld op de foto.

33 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 28 april 2015, zaaksdossier 3, p. 52.

34 Proces-verbaal Kennisgeving van inbeslagneming, zaaksdossier 3, p. 59-60.

35 Geschrift, te weten verslag tapgesprek 28 april 2015 22:39:07 Sessienr. 303, zaaksdossier 3, p. 322-323.

36 Geschrift, te weten verslag tapgesprek 29 april 2015 6:38:10 Sessienr. 311, zaaksdossier 3, p. 324.

37 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juni 2015, zaaksdossier 3, p. 222 iets boven het midden.

38 bijlage bij PV 368, ordner aanvulling, p. 714-716

39 PV verhoor getuige [consul-generaal van Venezuela] d.d. 12 mei 2015, zaaksdossier 3, p. 121-125

40 PV verhoor getuige [coördinator van het Venezolaanse Instituut van Cultuur en samenwerking] d.d. 12 mei 2015, zaaksdossier 3, p. 126-127