Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:233

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
100.00123/12en H 12/2016
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk onjuist doen van aangiften loonbelasting in de jaren 2006-2010 (minstens NAf 1.684.950,-- niet opgegeven) en het niet, althans niet tijdig, doen van aangiften belasting op de bedrijfsomzetten in de jaren 2006-2007 (nadeel daarvan is geschat op NAf 253.558,80).

Het ligt bij een rechtspersoon, zoals de verdachte, in de rede om een geldboete op te leggen. Weliswaar is de verdachte op dit moment naar het zich laat aanzien een "slapende onderneming" zonder inkomsten en bezittingen, maar daar staat een lange executieverjaring tegenover. Het Hof is tot de slotsom gekomen dat een geldboete van NAf 3.500.000,-- een juiste reactie op de bewezen verklaarde feiten is. Vanwege een schending van de redelijke termijn wordt daarop NAf 4.700,-- in mindering gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Strafzaken over 2015 | AV

Datum uitspraak: 12 januari 2017

Zaaknummer: H 12/2015

Parketnummer: 100.00123/12

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

S T R A F V O N N I S

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, van 7 januari 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte bedrijf]

gevestigd in Sint Maarten, [adres].

Procesgang en onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 3 december 2014 en 17 december 2014, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal van die terechtzitting, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2016 (in Sint Maarten) en 22 december 2016 (in Curaçao).

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. A.C. van der Schans, en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden, mr. C.H.J. Merx en mr. G.J. Bergman, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van NAf 4.500.000,--.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Vonnis waarvan beroep

Het Hof komt tot een andere bewezenverklaring dan het Gerecht in eerste aanleg. Het vonnis waarvan beroep kan daarom niet in stand blijven.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 9 oktober 2010 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten en/of in of omstreeks de periode van 10 oktober 2010 tot en met 31 december 2010 in Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) terwijl zij ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, te weten:

- iedere maand (telkens) een aangifte loonbelasting en/of premies volksverzekeringen ten name van [de verdachte] over alle maanden van het jaar 2006 en/of

- iedere maand (telkens) een aangifte loonbelasting en/of premies volksverzekeringen ten name van [de verdachte] over alle maanden van het jaar 2007 en/of

- iedere maand (telkens) een aangifte loonbelasting en/of premies volksverzekeringen ten name van [de verdachte] over alle maanden van het jaar 2008 en/of

- iedere maand (telkens) een aangifte loonbelasting en/of premies volksverzekeringen ten name van [de verdachte] over alle maanden van het jaar 2009 en/of

- iedere maand (telkens) een aangifte loonbelasting en/of premies volksverzekeringen ten name van [de verdachte] over alle maanden van het jaar 2010

(telkens) opzettelijk voornoemde aangifte(n) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/althans heeft laten doen door [A] en/of [B] en/of [C] en/of (een) medewerk(st)er(s) van [de verdachte], in elk geval (een) ander(en) dan zij, verdachte en/of haar mededader(s),

immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk op/in het/de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Sint Maarten ingeleverde/gezonden aangifte(n), te weten het/de formulier(en) “Tax return form for payment of wage tax, contribution A.O.V./A.W.W. and contribution algemene verzekering bijzondere ziektekosten” (telkens) een te laag (belastbaar) bedrag, opgegeven en/of vermeld en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden,

terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen en/of het land Sint Maarten kon ontstaan;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 9 oktober 2010 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten en/of in of omstreeks de periode van 10 oktober 2010 tot en met 31 december 2010 in Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

- iedere maand (telkens) een aangifte loonbelasting en/of premies volksverzekeringen ten name van [de verdachte] over alle maanden van het jaar 2006 en/of

- iedere maand (telkens) een aangifte loonbelasting en/of premies volksverzekeringen ten name van [de verdachte] over alle maanden van het jaar 2007 en/of

- iedere maand (telkens) een aangifte loonbelasting en/of premies volksverzekeringen ten name van [de verdachte] over alle maanden van het jaar 2008 en/of

- iedere maand (telkens) een aangifte loonbelasting en/of premies volksverzekeringen ten name van [de verdachte] over alle maanden van het jaar 2009 en/of

- iedere maand (telkens) een aangifte loonbelasting en/of premies volksverzekeringen ten name van [de verdachte] over alle maanden van het jaar 2010

zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen of laten opmaken en/of doen en/of laten vervalsen door [A] en/of [B] en/of [C] en/of (een) medewerk(st)er(s) van [de verdachte], in elk geval (een) ander(en) dan zij, verdachte en/of haar mededader(s),

hebbende zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in/op voormeld(e) aangifte(s) en/of het/de formulier(en) “Tax return form for payment of wage tax, contribution A.O.V./A.W.W. and contribution algemene verzekering bijzondere ziektekosten” (telkens) een te laag (belastbaar) bedrag, opgegeven en/of vermeld en/of geschreven en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden en/of schrijven,

(telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en/of onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik (telkens) enig nadeel kon ontstaan;

2

zij in of omstreeks de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

terwijl zij ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelastingen verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, te weten iedere maand (telkens) een aangifte belasting op bedrijfsomzetten (BBO) over alle maanden van het jaar 2006,

(telkens) opzettelijk voornoemde aangiften niet, althans niet binnen de door of namens de Inspecteur der Belastingen gestelde termijn, heeft gedaan,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat daardoor nadeel voor de Nederlandse Antillen en/of het land Sint Maarten kon ontstaan.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadslieden hebben bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte.

Bij de beoordeling van dat verweer stelt het hof voorop dat het in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats indien het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Daar komt bij dat de toepassing van dat rechtsgevolg is beperkt tot onherstelbare vormverzuimen en dat telkens rekening dient te worden gehouden met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt en de mate van verwijtbaarheid van de degene die de norm schond.

Het niet-ontvankelijkheidsverweer kan niet slagen. Gelet op de huidige stand van de rechtspraak mag van de verdediging worden verlangd dat aan de hand van de wettelijke beoordelingsfactoren - het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt en de mate van verwijtbaarheid van de degene die de norm schond - duidelijk wordt gemotiveerd waarom een vermeend vormverzuim tot het zwaarste rechtsgevolg dient te leiden. Door de verdediging is hier op onvoldoende wijze invulling aan gegeven. Alleen daarom al kan het verweer worden gepasseerd. Niettemin zal het hof op de afzonderlijke onderdelen van het verweer ingaan.

1.In de eerste plaats is aangevoerd dat verbalisant [verbalisant 1], als bijzonder opsporingsambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst van Sint Maarten, tijdens een verhoor tegen de verdachte heeft gezegd dat de zaak fiscaalrechtelijk en niet strafrechtelijk zou worden afgehandeld. Aan de ontkenning hiervan door de verbalisant tijdens zijn verhoor door de rechter-commissaris moet – zo begrijpt het Hof het pleidooi althans – geen geloof worden gehecht, nu hij ook ten aanzien van een waarneming ter plaatse moet hebben gelogen.

Het argument heeft het Hof niet overtuigd en wordt dan ook verworpen. Het Hof stelt voorop dat de heer [verbalisant 1] desgevraagd heeft ontkend dat hij de door de verdediging bedoelde mededeling heeft gedaan. Aan die onder ede afgelegde verklaring wordt geloof gehecht. Dit betekent dat het verweer faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Daar komt bij dat van gerechtvaardigd vertrouwen op een mededeling over vervolging pas sprake kan zijn, indien dit vertrouwen is gewekt door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen van het openbaar ministerie, dan wel door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen die aan het openbaar ministerie moeten worden toegerekend. In dit geval is daarvan evident geen sprake.

2. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] niet bevoegd waren tot het rechtmatig opsporen van deze feiten. Hierdoor is (ook) het bewijs dat zij hebben vergaard onrechtmatig verkregen.

Het Hof verwerpt ook dit verweer. Het Hof is met het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat de bevoegdheid van de verbalisanten voortvloeit uit artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering. Het Hof heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant [verbalisant 1] dat hij tot buitengewoon opsporingsambtenaar is benoemd. Uit de door de verdediging genoemde besluiten van 14 december 2011 en 14 augustus 2014 volgt dat de verbalisant [verbalisant 2] eveneens tot buitengewoon agent van politie is benoemd.

Uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd kan niet worden afgeleid dat hij buiten de grenzen van zijn bevoegdheid is getreden. Dat de verbalisant [verbalisant 2] voor zijn benoeming opsporingshandelingen heeft verricht, is gesteld noch gebleken.

3. De verdediging heeft gesteld dat stukken inzake het overleg dat is gevoerd tussen de Belastingdienst en het openbaar ministerie, door de verdediging ook wel TPO-overleg genoemd, waarin is besloten tot strafrechtelijke vervolging van de verdachte, ten onrechte niet aan het dossier zijn toegevoegd.

Het Hof is van oordeel dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd welk belang zij heeft bij overlegging van deze stukken. Daarbij is van belang dat van gepubliceerde vervolgingsrichtlijnen, waarop verdachte een beroep zou kunnen doen, anders dan in Nederland, in Sint Maarten geen sprake is. Enig ander te rechtvaardigen belang bij toevoeging van deze stukken aan het procesdossier is door de verdediging niet gesteld en ook anderszins niet gebleken. Voor zover de verdediging in dit verband heeft gedoeld op de aanvang van de redelijke termijn wordt verwezen naar de behandeling van dat verweer hieronder. Dat de verdediging door het achterwege blijven van toevoeging van de bedoelde stukken aan het procesdossier in haar belangen zou zijn geschaad is dan ook niet komen vast te staan.

4. De verdediging heeft aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in die mate is overschreden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

Het Hof verwerpt ook dit verweer. Het is vaste rechtspraak dat overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de verdachte moet worden berecht nimmer kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358).

5. De verdediging heeft een beroep gedaan op een door het Ministerie van Financiën van Sint Maarten genomen beleidsregel, gepubliceerd in de Landscourant 2013, nummer 11, pagina 3. Deze beleidsregel houdt kort gezegd in dat alle openstaande saldi van belastingschulden van de belastingjaren 2006 en daarvoor worden kwijtgescholden.

Het Hof is van oordeel dat uit deze beleidsregel niet kan worden afgeleid dat het recht op vervolging ter zake van de onderhavige feiten voor zover betrekking hebbende op 2006, is vervallen. Het verweer wordt verworpen.

6.Tot slot heeft de verdediging gewezen op een naheffingsaanslag loonbelasting die op 29 juni 2010 aan verdachte is opgelegd. Het Hof begrijpt dat de verdediging met haar beroep op het una-via-beginsel eveneens de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit.

Deze naheffingsaanslag strekt ertoe dat het verschil tussen het door [de verdachte] aangegeven bedrag en het door haar aan de belastingdienst afgedragen bedrag alsnog wordt betaald. De onderhavige vervolging betreft onder meer het doen van onjuiste aangifte loonbelasting 2007 en ziet dus op een andere gedraging. Van schending van het zogenoemde una-via-beginsel kan om die reden geen sprake zijn.

Verweren inzake de tenlastelegging

Het Hof volgt de verdediging in haar betoog dat, nu in de tenlastelegging van feit 1 primair voorop is gesteld dat het gaat om de aangiften die [de verdachte] ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht was te doen, de bedoeling van de steller van de tenlastelegging kennelijk is geweest daarin alleen die aangiften te begrijpen. Uit het bepaalde in artikel 1 van de Algemene landsverordening landsbelastingen volgt dat die verordening alleen van toepassing is op de daar genoemde belastingen en dus niet op de premies volksverzekeringen. Het oordeel dat de tenlastelegging in die zin moet worden uitgelegd vindt steun in het feit dat de redactie van de tenlastelegging van feit 1 ook voor het overige is toegesneden op de strafbaarstelling in de Algemene landsverordening landsbelastingen (artikel 49) en niet op de strafbepalingen in de desbetreffende landsverordeningen inzake de heffing van premies volksverzekeringen.

Het betoog van de verdediging dat het tenlastegelegde niet anders kan worden begrepen dan dat ten onrechte niet één aangifte loonbelasting en/of premies volksverzekeringen is gedaan voor de hele jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010, wordt verworpen. Het verwijt betreft duidelijk de onjuiste maandelijkse aangiften.

Het Hof verwerpt ook het verweer dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en dus nietig zou zijn. Ook zonder dat daarin is gespecificeerd tot welk bedrag iedere aangifte onjuist was, is het voor verdachte voldoende duidelijk geweest welk verwijt hem werd gemaakt; daarvan heeft hij ter terechtzitting blijk gegeven.

Partiële vrijspraken

Het Hof is van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de aangiften loonbelasting over de tijdvakken juli, augustus en oktober van 2006, de tijdvakken april, juni, juli, augustus en september van 2007, de tijdvakken april, juli, augustus en november van 2009 en de tijdvakken januari, februari, september en november en december van 2010 onjuist of onvolledig zijn ingevuld. Ten aanzien van de aangiften over de genoemde tijdvakken van 2007 stelt het Hof vast dat deze correct zijn ingevuld. Ten aanzien van de overige genoemde aangiften overweegt het Hof dat deze aangiften niet door de belastingdienst zijn overgelegd en daarom niet in het dossier zijn opgenomen, terwijl niet (althans niet voldoende duidelijk) blijkt op welke wijze is vastgesteld dat het hier gaat om ingediende aangiften en bijvoorbeeld niet om aanslagen die ambtshalve zijn opgelegd. Dat laatste is van belang, nu het niet of niet binnen de gestelde termijn doen van aangiften loonbelasting niet is ten laste gelegd. Dit een en ander betekent dat ten aanzien van deze aangiften een vrijspraak zal volgen.

Bewezenverklaring

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 9 oktober 2010 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten en/of in of omstreeks de periode van 10 oktober 2010 tot en met 31 december 2010 in Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

terwijl zij ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, te weten:

- (een) aangifte(n) loonbelasting ten name van [de verdachte] over maanden van het jaar 2006 en/of

- (een) aangifte(n) loonbelasting ten name van [de verdachte] over maanden van het jaar 2007 en/of

- (een) aangifte(n) loonbelasting ten name van [de verdachte] over maanden van het jaar 2008 en/of

- (een) aangifte(n) loonbelasting ten name van [de verdachte] over maanden van het jaar 2009 en/of

- (een) aangifte(n) loonbelasting ten name van [de verdachte] over maanden van het jaar 2010,

(telkens) opzettelijk een of meerdere van voornoemde aangifte(n) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/althans heeft laten doen door [A] en/of [B] en/of [C] en/of (een) medewerk(st)er(s) van [de verdachte], in elk geval (een) ander(en) dan zij, verdachte en/of haar mededader(s),

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk op/in het/de/deze naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Sint Maarten ingeleverde/gezonden aangifte(n), te weten het/de formulier(en) “Tax return form for payment of wage tax, contribution A.O.V./A.W.W. and contribution algemene verzekering bijzondere ziektekosten” (telkens) een te laag (belastbaar) bedrag, opgegeven en/of vermeld en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden,

terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen en/of het land Sint Maarten kon ontstaan;

2

zij in of omstreeks de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

terwijl zij ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, te weten (een) aangifte(n) belasting op bedrijfsomzetten (BBO) over maanden van het jaar 2006,

(telkens) opzettelijk voornoemde aangiften niet, althans niet binnen de door of namens de Inspecteur der Belastingen gestelde termijn, heeft gedaan,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat daardoor nadeel voor de Nederlandse Antillen en/of het land Sint Maarten kon ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en omissies zijn verbeterd (cursief). Voorts is omwille van de leesbaarheid en om de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging beter tot uitdrukking te brengen in de redactie van zowel het onder 1 als onder 2 ten laste gelegde de zinsnede “iedere maand (telkens) een aangifte (…) over alle maanden van het jaar (…)” veranderd in de zinsnede “(een) aangifte(n) (…) over de maanden van het jaar (…)”. De verdachte is door deze verbeteringen niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen 1

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

[PRO MEMORIE]2

Overige verweren

De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Voor zover hieronder niet expliciet besproken vinden de bewijsverweren hun weerlegging in de bewijsmiddelen.

Het verweer dat [verbalisant 2] en [verbalisant 1] op onbevoegde en dus onrechtmatige wijze bewijs hebben verzameld wordt verworpen op dezelfde gronden als het desbetreffende verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De verdediging heeft aangevoerd dat de door verdachte op 24 en 25 januari 2013 bij de politie afgelegde verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt omdat de medeverdachte [medeverdachte] is verhoord zonder bijstand van een gemachtigde.

Voor zover daarmee is gedoeld op het recht om voorafgaand aan het verhoor een advocaat te raadplegen, miskent dit verweer dat de medeverdachte afstand heeft gedaan van zijn recht daarop blijkens de door hem ondertekende verklaring van 24 januari 2013. Voor zover de verdediging heeft bedoeld dat hij ook tijdens het verhoor recht had op rechtskundige bijstand, wordt het verweer verworpen op de grond dat de medeverdachte naar de stand van het recht ten tijde van het verhoor daarop geen aanspraak kon maken.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat het opzet van de verdachte niet gericht is geweest op het opzettelijk niet doen van aangiften belasting op de bedrijfsomzetten. Ook dit verweer wordt verworpen. De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat er voor de projecten waaraan [de verdachte] destijds werkte een vrijstelling gold voor de belasting op de bedrijfsomzetten. De medeverdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij noch [de verdachte] in het bezit was van een of meer vrijstellingen voor de desbetreffende projecten en dat hij is afgegaan op mededelingen van derden dat er een vrijstelling zou gelden. Uit bewijsmiddel 13 volgt dat door [de verdachte] geen vrijstelling is gevraagd en dat deze anders ook niet zou zijn afgegeven. Door niettemin te handelen alsof haar prestaties in 2006 waren vrijgesteld van de heffing van de belasting op de bedrijfsomzetten heeft de verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat in strijd met de wettelijke verplichting geen aangifte voor de belasting op de bedrijfsomzetten werd gedaan. Het opzet was dus in ieder geval in voorwaardelijke zin aanwezig.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is – voor zover gepleegd voor 10 oktober 2010 – telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, juncto tweede lid van de Algemene landsverordening Landsbelastingen en artikel 53, tweede lid en onder b, van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen en – voor zover daarna gepleegd – telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, juncto tweede lid van de Algemene landsverordening landsbelastingen en artikel 1:127, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten.

Het onder 1 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk ingevolge de Algemene landsverordening Landsbelastingen verplicht zijnde tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat onjuist doen, terwijl van de handeling het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor een van de eilandgebieden kan ontstaan, meermalen gepleegd,

en

opzettelijk ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht zijnde tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat onjuist doen, terwijl van de handeling het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor Sint Maarten kan ontstaan.

Het onder 2 bewezen verklaarde is telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, juncto tweede lid van de Algemene landsverordening Landsbelastingen en artikel 53, tweede lid en onder a, van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.

Het onder 2 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht zijnde tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl van de handeling het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor een van de eilandgebieden kan ontstaan, meermalen gepleegd.

Het Hof is met het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het niet doen van aangifte tevens als het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte kan worden beschouwd. Daarbij is in aanmerking genomen dat dit onderscheid noch voorheen in de Nederlandse Antillen, noch op dit moment in Sint Maarten in de wet wordt gemaakt.

Het bewezen verklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

Oplegging van straf

Het Hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meerdere keren opzettelijk onjuist doen van aangifte loonbelasting en het niet, althans niet binnen de gestelde termijn, doen van belastingaangifte op de bedrijfsomzetten.

Het Gerecht in eerste aanleg heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot.een geldboete van NAf 4.500.000,--.

De procureur-generaal heeft zich achter deze beslissing geschaard.

De raadslieden hebben een strafmaatverweer gevoerd.

Het Hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de aard en hoedanigheid van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte is een aannemersbedrijf dat jarenlang structureel opzettelijk onjuiste aangiften loonbelasting heeft gedaan. Vastgesteld is dat ten minste NAf 1.684.950,-- aan loonbelasting niet is aangegeven. Met deze belastingontduiking is onlosmakelijk verbonden dat ook een aanzienlijk bedrag aan premies volksverzekeringen is ontdoken, maar dat is – zoals reeds is overwogen – niet aan de verdachte ten laste gelegd en zal daarom in de strafoplegging niet worden meegenomen. Dit heeft tot gevolg dat een lagere geldboete zal worden opgelegd dan door het Gerecht in eerste aanleg, dat, anders dan het Hof, het niet aangeven van de premies bewezen heeft verklaard en het gevolg daarvan als nadeel in de zin van de Algemene landsverordening landsbelastingen heeft aangemerkt. Als nadeel in die zin kan wel worden aangemerkt de niet aangegeven belasting op de bedrijfsomzetten. Dat nadeel kan in totaal worden geschat op NAf 253.558,80 (zie bewijsmiddel 11: 3% van NAf 8.451.960,00). Het lijdt dan ook geen enkele twijfel dat het land de Nederlandse Antillen c.q. het land Sint Maarten van de bewezen verklaarde belastingontduiking (groot) nadeel heeft ondervonden.

Het ligt bij een rechtspersoon die strafbare feiten heeft gepleegd in de rede om een geldboete op te leggen. Het Hof ziet in het geval van de verdachte geen aanleiding om anders te beslissen. Weliswaar is de verdachte op dit moment naar het zich laat aanzien een “slapende onderneming” zonder inkomsten en bezittingen, maar daar staat een lange executieverjaring tegenover. Bovendien neemt dit niet weg dat de ernst van de strafbare feiten tot uitdrukking dient te komen in de opgelegde straf.

Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen geldboete wordt vooropgesteld dat wettelijk een geldboete van ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven belasting kan worden opgelegd. De te weinig geheven belasting komt in dit geval neer op NAf 1.938.508,80 (NAf 1.684.950,-- plus 253.558,80). Dat betekent dat maximaal een geldboete van NAf 3.877.017,60 aan de verdachte kan worden opgelegd.

Het Hof is met eenparigheid van stemmen tot de slotsom gekomen dat in dit geval een geldboete van NAf 3.500.000,-- een juiste reactie op de bewezen verklaarde feiten is.

Het Hof stelt echter vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. In dat verband wijst het hof erop dat op 22 maart 2012 diverse huiszoekingen zijn verricht en dat de behandeling in eerste aanleg eerst op 7 januari 2015 – aldus niet binnen twee jaar – met een eindvonnis was afgerond.

Daarvoor zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen. De Hoge Raad heeft bepaald dat de maximale omvang van de vermindering bij geldboete € 2.500,-- is, omgerekend derhalve een bedrag van circa NAf 4.700,-- (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Het Hof is van oordeel dat de overschrijding in dit geval moet leiden tot een strafvermindering van NAf 4.700,--.

Dat betekent dat het Hof de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van NAf 3.495.300,--.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:54, 1:55 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 7 januari 2015 en doet opnieuw recht als volgt;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen verklaard, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van NAf 3.495.300,-- (drie miljoen vierhonderdvijfennegentigduizend driehonderd gulden).

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers, E.J. van der Poel en D. Radder, leden van het Hof, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 12 januari 2017.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen bij het (eind)proces-verbaal van de Belastingdienst Sint Maarten (Sectie Inlichtingen & Opsporing) d.d. 20 februari 2013, geregistreerd als dossiernummer 1201.

2 Omwille van de leesbaarheid zijn de bewijsmiddelen in dit vonnis weggelaten. De bewijsmiddelen zijn wel opgenomen in het eveneens gepubliceerde vonnis van de medeverdachte, de directeur van de verdachte.