Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:23

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-04-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
AR 96/14 - ghis 78085 - H 83/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sint Maarten. Koop. Ontbinding. Nagemaakte merkkleding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 96/14 - ghis 78085 - H 83/16

Uitspraak: 7 april 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

JAI SANTOSHI MATA N.V.,

h.o.d.n. Klassy Exclusive Garments (Branch),

gevestigd in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellante,

gemachtigde: mr. J.G. Snow,

tegen

de naamloze vennootschap

NOBLE'S FREEZONE N.V.,

gevestigd in Sint Maarten,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G. Bloem.

De partijen worden hierna Klassy en Noble genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 14 juli 2015 is Klassy in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 2 juni 2015 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA).

1.2

Bij op 25 augustus 2015 ingekomen memorie van grieven heeft Klassy twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vordering van Noble alsnog zal afwijzen, kosten rechtens.

1.3

Bij op 30 november 2015 ingekomen memorie van antwoord heeft Noble de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, kosten rechtens.

1.4

Op 26 augustus 2016 hebben partijen pleitnotities overgelegd. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

Noble heeft diverse partijen kleding verkocht en geleverd aan Klassy.

Op 15 november 2011 heeft zij $ 12.684,00 gefactureerd. Op 30 mei 2012 heeft Klassy $ 8.000,00 betaald. Op 9 september 2012 heeft Noble $ 1.218,00 gefactureerd. Een opstelling van 8 november 2012 (statement, productie 4 bij inleidend verzoekschrift) sluit op een saldo van $ 5.499,00, te betalen door Klassy.

2.2

In dit geding heeft Noble betaling gevorderd van laatstgenoemd bedrag van $ 5.499,00, te vermeerderen met rente en kosten. Het GEA heeft de vordering toegewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht.

2.3

Klassy heeft bij conclusie van antwoord verklaard dat zij de koopovereenkomst ontbindt met betrekking tot een deel van de afgeleverde kleding, zoals gespecificeerd op een als productie bij de conclusie overgelegde lijst (hierna: de lijst), op de grond dat die kleding nagemaakte merkkleding was. Het gaat om de merken Ecko, Rocawear, Makaveli en Akadamic, geleverd tegen prijzen van in totaal US$ 6.585,00 (de voor de merken gebruikte afkortingen EK, RW, MK en AK zijn bij ieder item op de lijst vermeld als eerste twee letters van de coderingen in de kolom "item"; op de facturen van Noble komen soortgelijke coderingen voor).

2.4

Noble heeft bij conclusie van repliek betwist dat deze kleding nagebootste merkkleding is en aangevoerd dat zij de kleding op verzoek van Klassy uit China heeft betrokken. Klassy had al eerder producten van dezelfde "style" van Noble afgenomen en betaald. Bij memorie van antwoord heeft Noble aangevoerd dat kleding uit China geen namaak behoeft te zijn.

2.5

De ontbindingsverklaring van Klassy in de conclusie van antwoord is gebaseerd op haar stelling dat de kleding op de lijst niet aan de overeenkomst beantwoordt, in die zin dat Klassy mocht verwachten dat het echte merkkleding zou zijn, maar dat het nagemaakte merkkleding bleek te zijn. Klassy zal worden opgedragen deze stelling te bewijzen, zoals geformuleerd in het dictum.

2.6

Indien Klassy erin slaagt die stelling te bewijzen, moet ervan worden uitgegaan dat sprake is van non-conformiteit. Voor dat geval overweegt het Hof als volgt.

Noble heeft bij memorie van antwoord onder het kopje "verjaring beklagrecht" aangevoerd dat sprake is van verjaring als bedoeld in art. 7:23 lid 2 BW, waarbij zij kennelijk een termijn hanteert van twee jaar na 8 november 2012 (de datum van de statement). Dit verweer faalt. Anders dan waarvan Noble kennelijk uitgaat, vangt de in die wetsbepaling bedoelde verjaringstermijn niet aan op de datum van een statement betreffende een betalingssaldo, maar op de datum waarop de koper er aan de verkoper kennis van heeft gegeven dat hetgeen is afgeleverd, niet aan de overeenkomst beantwoordt. Volgens Noble heeft Klassy voor het eerst in de conclusie van antwoord klachten geuit over de afgeleverde kleding. Dit brengt mee dat uit de door Noble gestelde feiten niet kan worden afgeleid dat de verjaringstermijn is verstreken.

Voor zover Noble ook heeft willen aanvoeren dat Klassy niet heeft geklaagd binnen bekwame tijd als bedoeld in art. 7:23 lid 1 BW, faalt dat beroep ook. Noble heeft niet voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen op welk moment (uitgaande van het geval dat de door Klassy te bewijzen stelling juist is) Klassy heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van haar te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat de afgeleverde kleding, voor zover genoemd op de lijst, niet aan die verwachting voldeed. Dat lag wel op haar weg (vergelijk: HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593 (FAR/Edco), rov. 5.6.3). Klassy heeft dan ook geen feiten gesteld waaruit kan volgen dat en wanneer de klachttermijn is gaan lopen, zodat uit de gestelde feiten ook niet kan worden afgeleid dat die termijn op het moment van klagen was verstreken.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

draagt Klassy op te bewijzen dat zij op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten dat de aan haar afgeleverde kleding echte merkkleding zou zijn, en dat de afgeleverde kleding, zoals gespecificeerd op de lijst die bij conclusie van antwoord is overgelegd, nagemaakte merkkleding is;

bepaalt dat Klassy, indien zij daartoe getuigen wil doen horen, deze kan voorbrengen op vrijdag 12 mei 2017 op een nader te bepalen uur voor een nader aan te wijzen lid van het Hof, in het Court House te Philipsburg,

Sint Maarten;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 7 april 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.