Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:224

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
400.00022/16 en H 125/2016
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkrachting van ex-vriendin en diefstal van twee mobiele telefoons. 1). Het na de eerste zittingsdag in hoger beroep inbrengen van een (aanvullende) medische verklaring is niet in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. 2). In beginsel is een gevangenisstraf van 4 jaren, zoals door het Gerecht in eerste aanleg is opgelegd, een passende reactie. Het Hof is er echter van overtuigd geraakt dat de verdachte een positieve wending aan zijn leven wenst te geven. Een succesvol behandeltraject lijkt mogelijk, indien de verdachte zich 14 maanden klinisch laat opnemen. De verdachte is daartoe bereid. Het Hof deelt het standpunt van de raadsvrouw dat het wenselijk is dat met het behandeltraject op (relatief) korte termijn wordt aangevangen. Daarom veroordeelt het Hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren onder nader geformuleerde algemene en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Strafzaken over 2016 | AV

Datum uitspraak: 11 januari 2017

Zaaknummer: H 125/2016

Parketnummer: 400.00022/16

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

S T R A F V O N N I S

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 12 mei 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam van de verdachte],

geboren op [een datum in het jaar] 1984 in Bonaire,

wonende in Bonaire, [adres],

thans gedetineerd in Bonaire.

Procesgang en onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 mei 2016, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, alsmede van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 10 november 2016 in Bonaire en 21 december 2016 in Curaçao, door middel van een videoconference verbinding met het gerechtsgebouw in Bonaire.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur-generaal, mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw, mr. M.M.A. Domingo-van Lieshout, naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen [naam medewerker], medewerker van de stichting Krusada, naar voren heeft gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden zal bevestigen, behoudens de opgelegde straf en – in zoverre opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren onder de algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften van de reclassering en dat hij zich ter behandeling van zijn verslaving laat opnemen bij de Stichting Krusada.

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Omvang hoger beroep

Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep slechts aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het Hof komt tot een andere bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde dan het Gerecht in eerste aanleg. Het vonnis waarvan beroep kan daarom niet in stand blijven.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks de nacht van 21 op 22 januari 2016, althans in of omstreeks de maand januari 2016, op het eiland Bonaire, met [A] (een) handeling(en) heeft gepleegd die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [A], terwijl hij wist dat zij, [A], in zodanige staat van lichamelijke onmacht verkeerde dat zij niet of onvolkomen in staat was om haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, immers heeft verdachte terwijl zij, [A], in diepe slaap was, zijn vinger(s) in de vagina van die [A] heeft geduwd/gestoken;

althans, indien het bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de nacht van 21 op 22 januari 2016, althans in of omstreeks de maand januari 2016, op het eiland Bonaire, door geweld of (een) ander(e) feitelijhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) ander(e) feitelijkhe(i)d(en) [A] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [A], immers heeft verdachte haar gedwongen te dulden dat hij, verdachte, haar met zijn vinger(s) meermalen, althans éénmaal, vaginaal heeft gepenetreerd, bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte onverhoeds zijn vinger(s) in de vagina van die [A] heeft geduwd/gestoken;

3.

hij in of omstreeks de nacht van 21 op 22 januari 2016, althans in of omstreeks de maand januari 2016, op het eiland Bonaire, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, in/uit een woning (gelegen aan [adres 1]) – alwaar de verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond – heeft weggenomen: twee, althans één, mobiele telefoon(s) en/of een geldbedrag, en/of een telefoonkaart, en/of in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [A], en/of [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die woning heeft verschaft en/of dat goed/die goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of door gebruikmaking van (een) valse sleutel(s).

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde

Het Hof is met het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft gepleegd. De verdachte zal daarvan dan ook worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair en 3 is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 21 op 22 januari 2016, althans in of omstreeks de maand januari 2016, op het eiland Bonaire, door geweld of (een) ander(e) feitelijhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) ander(e) feitelijkhe(i)d(en) dan geweld of bedreiging met geweld [A] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [A], immers heeft hij, verdachte, haar gedwongen te dulden dat hij, verdachte, haar met zijn vinger(s) meermalen, althans éénmaal, vaginaal heeft gepenetreerd, bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, onverhoeds zijn vinger(s) in de vagina van die [A] heeft geduwd/gestoken;

3.

hij in of omstreeks de nacht van 21 op 22 januari 2016, althans in of omstreeks de maand januari 2016, op het eiland Bonaire, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een woning (gelegen aan [adres 1]) – alwaar hij, de verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond – heeft weggenomen: twee, althans één, mobiele telefoon(s) en/of een geldbedrag, en/of een telefoonkaart, en/of in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele respectievelijk toebehorende aan [A], en/of [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die woning heeft verschaft en/of dat goed/die goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of door gebruikmaking van (een) valse sleutel(s).

Het Hof acht niet bewezen hetgeen meer of anders aan de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen 1

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Op 22 januari 2016, omstreeks 08:55 uur, heeft [A] aangifte gedaan van verkrachting en diefstal. Zij heeft bij die gelegenheid onder meer het volgende verklaard:

“Ik wil aangifte doen tegen de man genaamd [de verdachte], bijgenaamd ‘[bijnaam verdachte]’. Vannacht was [bijnaam verdachte] in de woning van mijn vriend binnengedrongen en had (…) 2 mobiele telefoons weggenomen. Hij heeft (…) mij ook gepenetreerd in mijn vagina met zijn vinger. (…) Het verhaal is als volgt.

Ik heb een vriend (…) genaamd [B] (het Hof: [B]). (…) Vannacht voor 4 uur, lagen [B] en ik te slapen naast elkaar op het bed in de slaapkamer (het Hof: van [B]). Ik had een topje aan en een kleine broek. Op een gegeven moment voelde ik dat iemand mijn broek opzij schoof. Vervolgens voelde ik dat mijn onderbroek ook opzij werd geschoven. Hierna voelde ik een vinger mijn vagina binnendringen. Ik dacht in eerste instantie dat het [B] was die dat deed. Ik liet het gebeuren. (….) Op een gegeven moment stopte hij en voelde ik geen betasting meer. Vervolgens voelde ik hoe iemand de hand onder mijn kussen schoof. (…) Toen ik de hand onder mijn kussen voelde, opende ik mijn ogen en zag meteen de schaduw van een mannelijk postuur op de muur. Ik keerde mijn hoofd meteen om en zag de achterkant van een mannelijk postuur. Ik herkende dit meteen als zijnde [voornaam verdachte] ‘[bijnaam verdachte]’ [achternaam verdachte]. [Bijnaam verdachte] rende de slaapkamer uit. (…) Ik sprong van het bed en maakte [B] wakker. Ik begon tegen hem te schreeuwen van dat er iemand in de woning was. (…)

[B] werd wakker en deed het licht aan. Hij keek naar de plaats waar hij zijn telefoon aan het opladen was en merkte dat zijn telefoon weg was. De telefoon lag te laden op een rek bij de muur (…). Hierna besloot ik onder mijn kussen te kijken en zag dat ook mijn telefoon weg was.

[B] liep toen naar de woonkamer en kwam kort hierna terug. [B] zei tegen mij dat de keukendeur wijd open stond. (…) Het slot is defect. (…) Als [B] gaat slapen of niet thuis is, doet hij een schroevendraaier in het oog van een slot aan de binnenkant (…).

Toen ik aan het douchen was, voelde ik een branderig gevoel binnen in mijn vagina. (…) Ik zal naar de dokter gaan om behandeld te worden (…). 2

2. A] is nog diezelfde dag door haar huisarts dr. E.J. Bernabela onderzocht.3 Zij heeft over dit onderzoek een schriftelijke verklaring opgesteld, die het volgende inhoudt:

“Ondergetekende, E.J. Bernabela, huisarts te Dokterskliniek Antriol, verklaart middels dit schrijven dat zij op 22 januari 2016 op haar praktijk op spreekuur had mevr. [A].

Nadat zij verteld had dat zij seksueel misbruikt was door iemand die haar huis was binnengedrongen heeft ondergetekende als volgt gehandeld.

Onderzoek gedaan middels inspectie en speculoscopie. Bij ingang van vaginakanaal een ragade geconstateerd. Ragade vond ik passend bij wat geconstateerd (het Hof: verklaard) was, aangezien het iets dieper ging dan een huidlaceratie. Omringende weefsel gezond. Geen tekenen van infectie.” 4

3. De vriend van [A], [B], heeft over de bewuste nacht het volgende verklaard:

“Het feit waarvan [A] aangifte heeft gedaan op 22 januari 2016, is gepleegd in mijn woning te [adres 1] te Bonaire. (…) [A] en ik hebben een liefdesrelatie (…). Af en toe verblijft zij een paar dagen bij mij. (…) In die bewuste nacht werd ik door [A] (…) wakker gemaakt met een schreeuw dat zonet iemand in de slaapkamer was en dat hij weggerend was. (…) Ik (..) zag dat de keukendeur wijd open stond. (…) De keukendeur heeft geen slot. Ik gebruik altijd een schroevendraaier om dit in een oog van het slot (…) te steken om zodoende de keukendeur af te sluiten. (…)

De 2 telefoons, van [A] en mij, waren weggenomen.” 5

4. De verdachte heeft op vragen tijdens het tweede politieverhoor onder meer het volgende verklaard:

“[Verbalisant]: Hoe word je in de volksmond genoemd?

[Verdachte]: [Bijnaam verdachte]. […]

[Verbalisant]: Wat kan jij vertellen over de mobiele telefoon die wij in jouw woning in de rugleuning van de bank hebben aangetroffen (…) tijdens de doorzoeking gisteren (…)?

[Verdachte]: Dit is een van de telefoons welke ik vanuit de woning waar [A] verblijft, heb weggenomen gedurende de bewuste nacht.

[Verbalisant]: [A] verklaarde jou te hebben gezien in de woning van haar vriend in de slaapkamer (…). Wat deed jij daar in die woning?

[Verdachte]: Ik heb in het verleden een liefdesrelatie met [A] gehad. (…) Ik ben die bewuste nacht naar haar toegegaan om seks te hebben met haar. Terwijl ik hier aan de deur trok, zag ik dat er een schroevendraaier op de grond van de keuken viel. De deur bleek toen gewoon open te zijn. Ik ben toen de slaapkamer van [A] binnen gegaan.

Ik zag hier twee mensen liggen. Een man en [A]. Ik liep toen naar de rechterzijde van het bed en zag hier een telefoon liggen, de telefoon welke jullie bij mij hebben aangetroffen. Deze telefoon lag op een rek tegen de muur en lag aan de oplader.

In eerste instantie dacht ik dat dit de telefoon van [A] was. Ik had eerder die avond naar [A] gebeld en wilde kijken of deze telefoon mijn gemiste oproepen had. Ik keek naar de telefoon en zag dat deze op ‘lock’ stond. Ik heb de telefoon toen in mijn broekzak gestopt. Vervolgens ben ik naar het bed gelopen naar [A]. Ik heb (…) haar geprobeerd wakker te maken door zachtjes tegen haar gezicht te tikken. (…) Ik zag dat [A] zich in haar slaap omdraaide en een telefoon in haar handen had. Ik zag dit terwijl zij zich omdraaide. Ik zag dat zij haar hand, met de telefoon hierin, onder haar kussen bracht. Ik schoof vervolgens mijn hand onder haar kussen om haar telefoon uit haar handen te pakken (…). Terwijl ik hiermee bezig was werd [A] wakker (…). Zij begon direct te schreeuwen. (…) Ik besloot met de telefoon in mijn hand weg te rennen en ben via de keukendeur de woning uitgerend. (…) Nogmaals, het was (het Hof: van tevoren) niet mijn bedoeling om hun te bestelen. Ik was naar de woning van [A] gegaan om seks met haar te hebben.” 6

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten geconformeerd aan het oordeel van het Hof. Wel heeft zij zich gekeerd tegen het gebruik van de hiervoor als bewijsmiddel 2 weergegeven verklaring, die door de procureur-generaal voorafgaand aan de laatste zittingsdag is ingebracht. Anders dan de raadsvrouw is het Hof van oordeel dat de procureur-generaal daarmee niet in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde. De procureur-generaal heeft dit onderzoek ingesteld naar aanleiding van vragen van de verdediging over de medische verklaring en heeft de resultaten van dit onderzoek tijdig voor de laatste zittingsdag aan het dossier toegevoegd. Bovendien vormen die resultaten slechts een bevestiging van de inhoud van de eerder opgestelde medische verklaring. Voor de verdediging heeft naar het oordeel van het Hof voldoende gelegenheid bestaan om naar aanleiding hiervan zijn standpunt te bepalen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de onderhavige zaak niet complex van aard is.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 248 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Verkrachting.

Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 324a van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt.

Dit bewezen verklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

Oplegging van straf

Bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting, bestaande uit het penetreren met een vinger in de vagina van zijn ex-vriendin, en diefstal in een woning van twee mobiele telefoons.

Het Gerecht in eerste aanleg heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren onder de algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften van de reclassering en dat hij zich ter behandeling van zijn verslaving laat opnemen bij de Stichting Krusada.

De raadsvrouw heeft bepleit dat deze gecombineerde strafoplegging zal worden gematigd, zodat de verdachte zo snel mogelijk kan worden behandeld bij Stichting Krusada.

Het Hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en het feit dat de verdachte daartoe binnen drie dagen na een eerdere detentie is overgegaan, is het Hof van oordeel dat de door het Gerecht in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren in beginsel een passende reactie is.

Het Hof is er echter van overtuigd geraakt dat de verdachte een positieve wending aan zijn leven wenst te geven. In hoger beroep is uitgebreid aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte om te bezien in hoeverre een stabiele toekomst, zonder middelengebruik en zonder recidive, met hulpverlening kan worden bereikt. Naar aanleiding van de intake heeft [naam medewerker], medewerker van Stichting Krusada, ter terechtzitting als informant gehoord, geconcludeerd dat een succesvol behandeltraject mogelijk is, maar dat de verdachte daarbij wel een spreekwoordelijke stok achter de deur kan gebruiken. Hij acht een gedwongen opname voor de duur van minimaal 14 maanden nodig om het gewenste resultaat te kunnen bereiken. De verdachte heeft zich daartoe bereid verklaard.

Het Hof is met de procureur-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat onder die omstandigheden deze kans aan de verdachte moet worden gegeven. Daarvan kan niet alleen de verdachte, maar ook de samenleving profiteren. Het Hof deelt het standpunt van de raadsvrouw dat het wenselijk is dat met het behandeltraject op (relatief) korte termijn wordt aangevangen. Tegelijkertijd moet ook de ernst van het bewezen verklaarde in de strafoplegging tot uitdrukking worden gebracht.

Het Hof is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat de verdachte bij deze stand van zaken moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, onder de hierna geformuleerde algemene en bijzondere voorwaarden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 17d, 31 en 59 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 12 mei 2016, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen verklaard, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 3 (drie) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering Caribisch Nederland, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt;

- zich voor behandeling van zijn verslaving, voor de duur van 14 maanden of zoveel korter als door zijn behandelaar verantwoord wordt geacht, klinisch zal laten opnemen bij de Stichting Krusada in Bonaire en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door zijn behandelaar worden gegeven;

- zich na afloop van de klinische opname onder ambulante behandeling zal stellen voor zijn problematiek, zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

geeft de genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden bijstand te verlenen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. S.A. Carmelia, E.J. van der Poel en H.J. Fehmers, leden van het Hof, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Bonaire uitgesproken op 11 januari 2017.

mr. E.J. van der Poel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in de wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die zijn opgenomen in het ongenummerde eindproces-verbaal van het Korps Politie Caribisch Nederland d.d. 7 maart 2016 met registratienummer 201601220855.

2 Proces-verbaal van aangifte [A] d.d. 22 januari 2016.

3 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 december 2016, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 20161209.1452.227 en in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant], dat geen deel uitmaakt van het onder voetnoot 1 vermelde eindproces-verbaal.

4 Schriftelijk bescheid van dr. E.J. Bernabela d.d. 9 december 2016, als bijlage A gevoegd bij het onder voetnoot 3 vermelde proces-verbaal van bevindingen.

5 Proces-verbaal van getuigenverklaring [B] d.d. 12 februari 2016.

6 Proces-verbaal van 2de verhoor verdachte [de verdachte] d.d. 23 januari 2016.