Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:200

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
100.00391/13 en H 46/2015
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek in Bada Bing-zaken. De verdachte is in hoger beroep - na een uitvoerige beschouwing van het wettelijk kader - vrijgesproken van de ten laste gelegde vrouwenhandel. De overige feiten die aan hem zijn ten laste gelegd (kort gezegd: ambtelijke omkoping, gebruikmaken vervalst geschrift, belastingontduiking en witwassen), zijn daarentegen opnieuw bewezen verklaard. De verdachte is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden waarvan 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Strafzaken over 2017 | AV

Datum uitspraak: 13 december 2017

Zaaknummer: H 46/2015

Parketnummer: 100.00391/13

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

S T R A F V O N N I S

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 6 maart 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte A],

geboren op [een datum in het jaar] 1965 in Nederland,

wonende in Sint Maarten, [adres].

Procesgang en onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 7 mei 2014, 21 augustus 2014, 26 augustus 2014, 14 januari 2015, 11 februari 2015, 12 februari 2015 en 13 februari 2015, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal van die terechtzittingen.1 Het is voorts gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 10 en 11 augustus 2017 in Sint Maarten; dat onderzoek is op 23 augustus 2017 gesloten in Curaçao en daarna – vanwege de gevolgen van de orkaan Irma – heropend om op 22 november 2017 in Curaçao, via een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Sint Maarten, actuele informatie te vergaren over de actuele omstandigheden van de verdachte.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. J. Spaans, en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden, mrs. C.H.J. Merx en E.A. Jansen, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van de onder 4 ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie, de onder 8 ten laste gelegde overtreding van de Landsverordening arbeid vreemdelingen en partieel ook van het onder 5 ten laste gelegde medeplegen van vrouwenhandel, namelijk voor wat betreft de vrouwen [vrouw 1] en [vrouw 2].

De volgende ten laste gelegde feiten zijn bewezen verklaard:

  • -

    het onder 1 subsidiair ten laste gelegde gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift;

  • -

    de onder 2 ten laste gelegde omkoping van een ambtenaar;

  • -

    het onder 3 ten laste gelegde feitelijk leidinggeven aan het door [bedrijf van verdachte] begaan van gewoontewitwassen;

  • -

    het onder 3a ten laste gelegde gewoontewitwassen;

  • -

    het onder 5 ten laste gelegde medeplegen van vrouwenhandel voor wat betreft de vrouwen [vrouw 3], [vrouw 4] en [vrouw 5];

  • -

    het onder 6 ten laste gelegde niet doen van aangiften winstbelasting;

  • -

    het onder 7 ten laste gelegde onjuist doen van aangiften bedrijfsomzetten.

De verdachte is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich derhalve ook tegen de door het Gerecht in eerste aanleg gegeven vrijspraken.

Gelet op het bepaalde in artikel 434 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen (hierna: SvNA) staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Dat geldt ook voor vrijspraken van impliciet cumulatief ten laste gelegde feiten. De onder 5 ten laste gelegde verdenkingen van (het medeplegen van) vrouwenhandel ten opzichte van [vrouw 1] en [vrouw 2] zijn als zodanig aan te merken. Deze vrijspraken hebben daarom naar het oordeel van het Hof, gelijk de vrijspraak van de onder 4 en 8 ten laste gelegde feiten, te gelden als beschermde vrijspraken.

Bijgevolg is het vonnis waarvan beroep slechts aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op hetgeen overigens is ten laste gelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu het Hof tot andere beslissingen komt dan het Gerecht in eerste aanleg.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na de wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 februari 2015 en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 april 2006 tot en met 27 juni 2006 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een geschrift, te weten: een huurovereenkomst (Commercial lease agreement) voor de duur van 2 jaar, waaruit enig recht, enige verbintenis of enige bevrijding van schuld kan ontstaan, of dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk ) die huurovereenkomst voorzien van parafen en de handtekening van [verdachte] en voorzien of laten voorzien van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], althans van een vertegenwoordiger van het [bedrijf 1],

met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 15 april 2006 tot en met 27 juni 2006 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste huurovereenkomst (Commercial lease agreement) voor de duur van 2 jaar – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die huurovereenkomst heeft gevoegd en/of heeft laten voegen bij een aanvraag van 15 april 2006 gericht aan The Executive Council of the Island Territory of St. Maarten en/of een aanvraagformulier ten behoeve van het verkrijgen van een hotel- koffiehuis-, restaurant A vergunning op de locatie [adres 1] en

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die huurovereenkomst (Commercial lease agreement) zijn, verdachte’s, parafen en handtekening was geplaatst en een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [betrokkene 1] en/of mevrouw [betrokkene 2], althans een vertegenwoordiger van het [bedrijf 1]

terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan;

2

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2011 tot en met 30 september 2012, in elk geval op of omstreeks 30 september 2012, in Sint Maarten, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

een ambtenaar, te weten [medeverdachte B], werkzaam als onafhankelijk Statenlid van het land Sint Maarten,

een of meer gift(en) of belofte(n) heeft gedaan, te weten een (totaal) geldbedrag van $ 150.000,- (USD) en/of het equivalent van dat geldbedrag in Antilliaanse guldens, althans geld met het oogmerk om genoemde ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht iets te doen of na te laten te weten het:

(anders dan om zakelijke redenen) begunstigen van verdachte [verdachte] en/of [bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) en/of aangaan en/of onderhouden van een relatie tussen [medeverdachte B] en verdachte [verdachte] en/of [bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) en/of teneinde (aldus) voor verdachte [verdachte] en/of [bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen en/of

teneinde te bewerkstelligen dat [medeverdachte B] zou bevorderen en/of zorgdragen en/of opdragen en/of zich er voor zou inspannen dat:

  • -

    het verzoek om wijziging van een vestigings/c.q. exploitatievergunning (Operational License), betrekking hebbend op het adres [adres 1] ([bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) door het Ministerie van Economische zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling met voorrang in behandeling wordt genomen en/of (versneld) wordt afgehandeld en/of

  • -

    het verzoek om wijziging van een vestigings/c.q. exploitatievergunning (Operational License), betrekking hebbend op het adres [adres 1] ([bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte] door het Ministerie van Economische Zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling wordt ingewilligd en/of verleend en/of toegekend en/of

  • -

    het (mondelinge) verzoek om verruiming van de openingstijden, betrekking hebbend op het adres [adres 1] ([bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) door het Ministerie van Economische zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling met voorrang in behandeling wordt genomen en/of (versneld) wordt afgehandeld en/of

  • -

    het (mondelinge) verzoek om verruiming van de openingstijden, betrekking hebbend op het adres [adres 1] ([bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) door het Ministerie van Economische zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling wordt ingewilligd en/of verleend en/of toegekend en/of

  • -

    het verzoek om verhuizing van [bedrijf van verdachte], althans van de registratie van de wijziging van het vestigingsadres (van het adres [adres 2] naar [adres 3], althans [adres 1], te Simpsonbay ) door het Ministerie van Economische zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling met voorrang in behandeling wordt genomen en/of (versneld) wordt afgehandeld en/of

  • -

    het verzoek om verhuizing van [bedrijf van verdachte], althans van de registratie van de wijziging van het vestigingsadres (van het adres [adres 2] naar [adres 3], althans [adres 1], te Simpsonbay ) door het Ministerie van Economische zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling wordt ingewilligd en/of verleend en/of toegekend en/of

  • -

    de duur van de tewerkstellingsvergunning van een of meer van de in [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte] werkzame dames wordt verlengd;

3

[bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2013 in het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten en/of in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij (telkens),

(een) geldbedrag(en), te weten een totaalbedrag van ruim 1.767.031 Naf (Antilliaanse guldens) althans van het equivalent daarvan of een deel daarvan in US Dollars en/of Euro’s, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl zij (telkens) wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voormeld(e ) geldbedrag(en)

– onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

immers heeft zij verdachte:

  • -

    op of omstreeks 26 januari 2011 een bedrag van 36.000,- betaald aan Super Bikes voor de aanschaf van een personenauto en/of

  • -

    op 11 maart 2011 een bedrag van USD 10.000,- en/of

  • -

    op 16 maart 2012 een bedrag van USD 10.000,- en/of

  • -

    op 21 mei 2012 een bedrag van USD 10.216,21 en/of

  • -

    op 20 augustus 2012 een bedrag van USD 10.000,- en/of

  • -

    op 31 december 2012 een bedrag van USD 10.000,-

  • -

    overgemaakt aan [bedrijf 1]

tot het plegen van welk(e) feit(en) hij, verdachte (in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/ [handelsnaam bedrijf van verdachte]) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte (in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) feitelijk leiding heeft gegeven;

3a.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2013 in het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten en/of in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij (telkens)

(een) geldbedrag(en), te weten een totaalbedrag van USD 244.538,31, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij (telkens) wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voormeld(e) geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf

immers heeft hij, verdachte, met gebruikmaking van de creditcard met het nr. [creditcardnummer] ten name van [bedrijf van verdachte] een totaalbedrag van USD 244.538,31 opgenomen en/of besteed;

5.

[bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2013 tot en met 13 oktober 2013 in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens)

heeft gehandeld in een of meerdere vrouwen, te weten [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5],

immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk genoemde vrouw(en) aangeworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk die genoemde vrouw(en) in een ander land (Sint Maarten) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en/of het oogmerk van uitbuiting van die genoemde vrouw(en), door:

nadat die [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] kenbaar had(den) gemaakt in de [handelsnaam bedrijf van verdachte] te willen komen werken:

  • -

    zelf, dan wel door tussenkomst van derde(n) die [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] vanuit de Dominicaanse Republiek aangeworven (naar Sint Maarten) en/of

  • -

    die [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] naar de [handelsnaam bedrijf van verdachte] doen vervoeren en/of vervoerd en/of

  • -

    (aldaar) tegen betaling onderdak verschaft in een van de kamers in de [handelsnaam bedrijf van verdachte] en (vervolgens) die [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] in de prostitutie gebracht en/of

  • -

    (vervolgens) genoemde vrouwen uitgebuit door die [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] een fors bedrag (US 60,- per dag) te laten betalen voor een kamer, die met een of meer (andere) perso(o)n(en) moest worden gedeeld, terwijl zij in deze kamer zowel moest(en) wonen als werken en/of

  • -

    die [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] de kosten voor het (door verdachte en/of zijn mededader(s)) aangeschafte vliegticket laten betalen en/of

  • -

    die [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] de kosten voor condooms laten betalen en/of

  • -

    die [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] een contract laten tekenen, waarin is vermeld op welke tijden zij het gebouw mocht(en) verlaten en/of

  • -

    tegen die [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] gezegd op welke tijden zij het gebouw mocht(en) verlaten en/of binnen moest(en) zijn en/of

  • -

    die [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] slechts een vrije dag in een week laten hebben en/of

  • -

    die [vrouw 3] en/of [vrouw 4] en/of [vrouw 5] een bedrag laten betalen indien zij het gebouw wilde(n) verlaten,

tot het plegen van welk(e) feit(en) hij, verdachte (in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte (in zin hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) feitelijk leiding heeft gegeven;

6

[bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) in of omstreeks de periode 1 januari 2008 tot en met 9 oktober 2010 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten en/of in of omstreeks de periode van 10 oktober 2010 tot en met 31 december 2013 in Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

terwijl zij ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelasting verplicht is/was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, te weten:

  • -

    een aangifte winstbelasting 2008 en/of

  • -

    een aangifte winstbelasting 2009 en/of

  • -

    een aangifte winstbelasting 2010 en/of

  • -

    een aangifte winstbelasting 2011

(telkens) opzettelijk voornoemde aangifte(n) niet binnen de door of namens de Inspecteur der Belastingen, althans binnen de door de Algemene Landsverordening Landsbelastingen gestelde termijn (te weten de aangifte winstbelasting 2008 uiterlijk op 31 december 2010, de aangifte winstbelasting 2009 uiterlijk op 31 december 2011, de aangifte winstbelasting 2010 uiterlijk op 31 december 2012, de aangifte winstbelasting 2011 uiterlijk op 31 december 2013) heeft/hebben gedaan,

terwijl van dat/die feit(en) het gevolg zou kunnen zijn dat daardoor (telkens) nadeel voor de toenmalig Nederlandse Antillen en/of het land Sint Maarten kon ontstaan,

tot het plegen van welk(e) feit(en) hij, verdachte (in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte (in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) feitelijk leiding heeft gegeven;

7.

[bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 9 oktober 2010 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten en/of in of omstreeks de periode van 10 oktober 2010 tot en met 15 januari 2013 in Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) terwijl zij ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelastingen verplicht is/was tot het binnen een gestelde termijn doen van (de hierna vermelde) aangifte(n),

(telkens) opzettelijk, al dan niet, binnen de gestelde termijn:

(een) aangifte(n) belasting op de bedrijfsomzetten (Turnover Tax) ten name van [bedrijf van verdachte] (CRIB nummer [nummer]) betreffende de/het aangiftetijdvak(ken) of maand(en):

- januari 2008 en/of februari 2008 en/of maart 2008 en/of april 2008 en/of mei 2008 en/of juni 2008 en/of juli 2008 en/of augustus 2008 en/of september 2008 en/of oktober 2008 en/of november 2008 en/of december 2008 en/of;

- januari 2009 en/of februari 2009 en/of maart 2009 en/of april 2009 en/of mei 2009 en/of juni 2009 en/of juli 2009 en/of augustus 2009 en/of september 2009 en/of oktober 2009 en/of november 2009 en/of december 2009 en/of;

- januari 2010 en/of februari 2010 en/of maart 2010 en/of april 2010 en/of mei 2010 en/of juni 2010 en/of juli 2010 en/of augustus 2010 en/of september 2010 en/of oktober 2010 en/of november 2010 en/of december 2010 en/of;

- januari 2011 en/of februari 2011 en/of maart 2011 en/of april 2011 en/of mei 2011 en/of juni 2011 en/of juli 2011 en/of augustus 2011 en/of september 2011 en/of oktober 2011 en/of november 2011 en/of december 2011 en/of;

- januari 2012 en/of februari 2012 en/of maart 2012 en/of april 2012 en/of mei 2012 en/of juni 2012 en/of juli 2012 en/of augustus 2012 en/of september 2012 en/of oktober 2012 en/of november 2012 en/of december 2012;

onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/althans heeft/hebben laten doen door (een) ander(en), namelijk [betrokkene 3], in elk geval (een) ander(en) dan zij, verdachte, en/of haar mededader(s),

immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) op/in het/de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Sint Maarten ingeleverde/gezonden aangifte(n)/aangiftebiljet(ten) op de bedrijfsomzetten (Turnover Tax/Tax Return Form):

(telkens) (een) te la(a)g(e) (belastbaar) bedrag(en) aan vergoedingen/bedrag omzet (Amount turnover) en/of Bedrag aan Belasting (Amount Tax) en/of belastbare (bedrijfs)omzet (Taxable turnover) en/of totale (bedrijfs)omzetten (Total turnover) en/of (een) te (la(a)g(en) belastba(a)r(e) bedrag(en) opgegeven en/of vermeld en/althans door (die) ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat daardoor (telkens) nadeel voor de Nederlandse Antillen en/of het land Sint Maarten kon ontstaan,

tot het plegen van welk(e) feit(en) hij, verdachte (in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte (in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) feitelijk leiding heeft gegeven.

Geldigheid van de dagvaarding

Raadsman mr. Merx heeft bepleit dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit nietig zal worden verklaard. Het Hof is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. Op grond van de tekst van de tenlastelegging is, zeker tegen de achtergrond van het dossier, volstrekt helder waartegen de verdachte zich had te verdedigen. Uit het verhandelde ter terechtzitting kan bovendien worden opgemaakt dat de verdachte dit ook daadwerkelijk heeft begrepen. De inleidende dagvaarding voldoet aan de wettelijke eisen. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadslieden hebben primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en daartoe het volgende aangevoerd:

(i). de verdachte is onrechtmatig aangehouden en in verzekering gesteld, nu de verdachte was toegezegd dat geen dwangmiddelen zouden worden toegepast;

(ii). het opsporingsonderzoek heeft een aanvang genomen met de mededeling dat de procureur-generaal de advocaat-generaal heeft gemachtigd om het onderzoek te starten, terwijl uit geen wettelijke regel blijkt dat de procureur-generaal zijn bevoegdheid kan mandateren. Verder geldt dat de advocaat-generaal niet de bevoegdheid heeft tot het opsporen van strafbare feiten;

(iii). de rechter-commissaris kon in redelijkheid niet komen tot zijn beslissing tot het afgeven van de machtigingen tot het opnemen van telecommunicatie, nu de mede daaraan ten grondslag gelegde verdenking van een criminele organisatie nergens op was gebaseerd;

(iv). de geheimhoudergesprekken zijn niet onverwijld vernietigd en daarover is bovendien een proces-verbaal opgesteld waarvan de inhoud tegenstrijdig is;

(v). de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren niet tot opsporing bevoegd;

(vi). ter zake van het onder 6 ten laste gelegde niet doen van aangiften winstbelasting is sprake van een schending van het ne bis in idem-beginsel.

Het Hof overweegt als volgt.

Bij de beoordeling van dit verweer wordt vooropgesteld dat het in artikel 413 SvNA bedoelde rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats indien de normschending daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daar komt bij dat de toepassing van dat rechtsgevolg is beperkt tot onherstelbare normschendingen en dat telkens rekening dient te worden gehouden met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt en de mate van verwijtbaarheid van de degene die de norm schond.

Van de verdediging mag worden verlangd dat aan de hand van deze beoordelingsfactoren – het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt en de mate van verwijtbaarheid van de degene die de norm schond – duidelijk wordt gemotiveerd waarom een vermeende normschending tot het zwaarste rechtsgevolg dient te leiden. Aan dit vereiste heeft de verdediging niet voldaan. Alleen daarom al kan het verweer worden gepasseerd. Desalniettemin zal het Hof op de afzonderlijke onderdelen van het verweer ingaan.

(i).

Anders dan raadsman mr. Merx heeft bepleit, heeft naar het oordeel van het Hof ook naar Sint Maartens recht te gelden dat de onrechtmatige toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen op een verdachte in het kader van het voorbereidend onderzoek in zijn strafzaak, een normschending is waarop artikel 413 SvNA van toepassing is, indien die normschending niet aan de rechter-commissaris kon worden voorgelegd. In dit geval kon de normschending aan de rechter-commissaris worden voorgelegd en is dat ook gebeurd. In haar beslissing van 10 oktober 2013 heeft de rechter-commissaris daarover het volgende overwogen:

“Uit hetgeen de (raadsman van de) verdachte en de officier van justitie dienaangaande hebben aangevoerd, maakt de rechter-commissaris op dat door de officier van justitie inderdaad zodanige uitlatingen zijn gedaan die bij de, niet ter zake deskundige, verdachte de verwachting hebben gewekt dat zijn bewaring niet zou worden gevorderd.

Gelet echter op de ernst van het verweten gedrag en de geschokte rechtsorde, zal daaraan niet de conclusie worden verbonden, zoals door de raadsman van de verdachte voorgestaan.” 2

De rechter-commissaris heeft vervolgens het bevel tot bewaring met acht dagen verlengd. Tegen die beslissing staat geen hogere voorziening open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zou op een onaanvaardbare wijze worden doorkruist, indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw een beroep zou kunnen worden gedaan op normschendingen die aan de rechter-commissaris zijn voorgelegd.

(ii).

Ingevolge de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (artikel 4, tweede lid, juncto artikel 9, tweede lid) geldt dat het openbaar ministerie belast is met de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Anders dan de raadsman veronderstelt is de advocaat-generaal als lid van het openbaar ministerie evenzeer met onder meer de opsporing en vervolging belast als de procureur-generaal. Reeds daarom gaat het standpunt van de raadsman niet op. Los van de vraag of in dit geval mandatering had kunnen plaatsvinden, had de advocaat-generaal zelfstandig de bevoegdheid tot het starten van een onderzoek.

(iii).

De officier van justitie heeft aan de vordering tot het opnemen van de telecommunicatie door middel van het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd:

“Het onderzoek is geïnitieerd naar aanleiding van de verschenen berichtgeving in het Nederlandse blad “De Telegraaf” van 7 en 8 maart 2013, betreffende de omkoping van een parlementariër van Sint Maarten, genaamd [medeverdachte B].

Bij de berichtgeving (videobeeldopname van 30 december 2012 en geplaatst op de website) is tevens vermeld dat voornoemde parlementariër in het kantoor van een bekend bordeel ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) op Sint Maarten, door de bordeeleigenaar [verdachte] zou zijn betaald voor het doen verrichten van handelingen (…).

Uit de videoconversatie tussen voornoemde bordeelhouder en de parlementariër [medeverdachte B], kan worden vastgelegd (het Hof begrijpt: vastgesteld) dat de heer [medeverdachte B] zijn bezoek allereerst rechtvaardigt door te stellen dat hij namens [betrokkene 4], de gewezen minister van justitie op Sint Maarten zaken is komen doen. Daarbij is ook de naam van [betrokkene 5], zijnde hoofd van de IND, door de heer [medeverdachte B] genoemd. [betrokkene 5] zou volgens de parlementariër zijn medewerking willen verlenen voor de te verrichten handelingen.” 3

De officier van justitie stelt naar aanleiding hiervan dat de verdachte ervan kan worden verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de artikelen 146 en 183 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (hierna: SrNA), met andere woorden: aan deelneming aan een criminele organisatie en omkoping van een ambtenaar. De rechter-commissaris heeft die redenering gevolgd en de machtiging verleend. Naar het oordeel van het Hof is naar de toenmalige stand van zaken de machtiging terecht verleend, aangezien in de videobeeldopnamen de namen van meerdere personen genoemd werden en het er op dat moment de schijn van had dat deze bij de omkoping betrokken waren. Het onderzoek heeft zich vervolgens ook over deze personen uitgestrekt en aan de verdachte is dit feit, deelneming aan een criminele organisatie met onder meer als oogmerk de omkoping van een ambtenaar, ook tenlastegelegd. Dat de verdachte hiervan door de rechter in eerste aanleg is vrijgesproken, maakt niet dat – achteraf bezien – er geen grond voor de machtiging van de rechter-commissaris aanwezig was.

(iv).

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad leidt het niet tijdig vernietigen van geheimhoudergesprekken niet zonder meer tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Dat geldt des te meer in een geval als het onderhavige, nu geen aanleiding bestaat – ook niet volgens raadsman mr. Merx – te veronderstellen dat dit doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is gebeurd.

Het Hof begrijpt daarom dat raadsman mr. Merx het verweer met name heeft gevoerd vanwege hetgeen hieromtrent is geverbaliseerd. De raadsman meent dat er sprake is van een tegenstrijdige inhoud en dat daarom moet worden getwijfeld aan het waarheidsgehalte. Die twijfel is naar het oordeel van het Hof ongegrond. Het Hof leest het desbetreffende proces-verbaal aldus: op 12 maart 2013 heeft het onderzoeksteam ontdekt dat telefonische gesprekken tussen het telefoonnummer van de verdachte en dat van de raadsman waren opgenomen, waarna direct de officier van justitie op de hoogte is gesteld en deze het besluit heeft genomen dat de gesprekken per direct moesten worden vernietigd. Dat besluit is, zo begrijpt het Hof, mondeling genomen en is later, op 19 maart 2013, in een schriftelijk bevel tot vernietiging geformaliseerd. De gesprekken waren in de tussentijd nog niet vernietigd en werden daarom op 19 maart 2013 alsnog vernietigd.4 Daarmee is het bevel van de officier van justitie tot onverwijlde vernietiging van de geheimhoudergesprekken niet (tijdig) uitgevoerd, zoals hiervoor al is overwogen, maar daarover is niet tegenstrijdig geverbaliseerd.

Het Hof volstaat daarom met de enkele constatering dat een norm is geschonden.

(v).

Het Hof is van oordeel dat de bevoegdheid van de verbalisanten voortvloeit uit artikel 184 SvNA. Uit de stukken blijkt dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] bij ministeriële beschikkingen van respectievelijk 26 maart 2009 en 14 december 2011 zijn benoemd tot buitengewoon agent van politie.

Uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd kan niet worden afgeleid dat zij buiten de grenzen van hun bevoegdheid zijn getreden. Dat zij voorafgaand aan hun benoeming opsporingshandelingen hebben verricht, is gesteld noch gebleken.

(vi).

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat aan de verdachte voor de jaren 2008-2011 naheffingsaanslagen winstbelasting zijn opgelegd met verzuimboetes van NAf 10.000,-. Deze naheffingsaanslagen dateren van ruim voor de aanvang van het opsporingsonderzoek in deze zaak.

Het Hof is van oordeel dat van schending van het ne bis in idem-beginsel geen sprake is. De verzuimboetes zijn opgelegd vanwege het niet of niet tijdig doen van de aangiften winstbelasting. Blijkens de tenlastelegging ziet de strafvervolging op het opzettelijk niet doen van aangifte terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat door de Nederlandse Antillen dan wel het Land Sint Maarten nadeel wordt geleden. Verder volgt uit het bepaalde in artikel 27 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) dat een opgelegde boete vervalt indien de belastingplichtige wegens het vergrijp waarvoor de boete verschuldigd is wordt vrijgesproken, ontslagen van rechtsvervolging dan wel veroordeeld. Onder deze omstandigheden is er geen plaats voor toepassing van artikel 70 van het SrNA.

Uit de door de verdediging aangehaalde noch uit overige rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan worden afgeleid dat strafvervolging niet meer mogelijk is na oplegging van een verzuimboete.

Bijgevolg wordt het verweer van de raadslieden in al zijn onderdelen verworpen.

Vrijspraak van de onder 1 primair ten laste gelegde valsheid in geschrifte

Het Hof zal de verdachte overeenkomstig de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg en de vordering van de procureur-generaal vrijspreken van de primair ten laste gelegde valsheid in geschrifte nu het daarvoor noodzakelijke wettig bewijs ontbreekt.

Integrale vrijspraak van de onder 5 ten laste gelegde vrouwenhandel

Het door raadsman mr. Merx subsidiair gevoerde bewijsverweer slaagt. Anders dan het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal is het Hof met de raadsman van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich aan het ten laste gelegde medeplegen van vrouwenhandel schuldig heeft gemaakt.

Het Hof overweegt daartoe het navolgende.

Wettelijk kader: betekenis van de term vrouwenhandel

Voor een goede beoordeling is allereerst van belang om vast te stellen welke betekenis moet worden gegeven aan de term ‘vrouwenhandel’ in de zin van artikel 260 van het SrNA.

Die strafbepaling is immers van toepassing – deze is eerst na de ten laste gelegde periode buiten werking gesteld en vervangen door een bepaling in het huidige Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten, die een hoger strafmaximum kent en dus niet gunstiger is voor de verdachte – en daarin is volstaan met de strafbaarstelling van deze verder niet omschreven term:

“Vrouwenhandel (…) wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.”

Het Hof volgt niet het standpunt dat namens het openbaar ministerie in eerste aanleg is ingenomen, dat uitbuiting voor het aannemen van vrouwenhandel geen vereiste is. Het Hof volgt evenmin het oordeel van het Gerecht in eerste aanleg dat moet worden uitgegaan van de definitie die is neergelegd in artikel 2 van het Verdrag van 4 mei 1910 tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes (Stb. 1912, 355).

In dit verband stelt het Hof voorop dat het SrNA zonder memorie van toelichting is opgesteld. Voor zover het Hof heeft kunnen nagaan, is vanuit het ontwerp van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht een exemplaar voor de toenmalige kolonie opgesteld en is het SrNA daarvan het resultaat. Het Gerecht in eerste aanleg heeft daarom met juistheid verwezen naar de toelichting bij het Nederlandse equivalent van artikel 260 SrNA. Uit die toelichting volgt dat aan de invoering van deze strafbepaling het Verdrag van Parijs van 4 mei 1910 mede ten grondslag heeft gelegen. Juist is eveneens dat artikel 260 SrNA, anders dan het Nederlandse equivalent, sinds de inwerkingtreding niet is gewijzigd. Dat laat naar het oordeel van het Hof echter onverlet dat de bepaling een ruimere strekking heeft gekregen door het Internationaal Verdrag van Genève van 1933 ter bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen, aangezien dat voor heel het Koninkrijk der Nederlanden is bekrachtigd (Stb. 1935, 598 en Trb. 1961, 104).

Artikel 1 van dit Verdrag van Genève verplicht staten tot de volgende strafbaarstelling:

“Gestraft wordt ieder, die, ter voldoening van eens anders lusten, eene meerderjarige vrouw of meisje, zelfs met haar goedvinden, met het oog op het plegen van ontucht in een ander land, heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen, die de bestanddeelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn. (…)”

Deze strafbaarstelling verschilt op één onderdeel van de definitie in het Verdrag van Parijs: de zinsnede “door bedrog of met behulp van geweld, bedreiging met geweld, bedreiging, misbruik van gezag of enig ander dwangmiddel” is geschrapt en de zinsnede “zelfs met haar goedvinden” is daarvoor in de plaats getreden. Hieruit is ook de jurisprudentie van de Hoge Raad voortgekomen die bepaalt dat de term ‘aanwerven’ de betekenis heeft van iedere daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen, zonder dat behoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid heeft beperkt (HR 18 april 2000, NJ 2000/443).

De jurisprudentie nadien heeft verder ten aanzien van (deze vorm van) vrouwenhandel uitgemaakt dat gedragingen slechts als vrouwenhandel kunnen worden aangemerkt, indien zij zijn “begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld”; ‘uitbuiting’ moet daarom als impliciet bestanddeel van vrouwenhandel worden aangemerkt (HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857).

Het Hof is tot de slotsom gekomen dat aan de hand van het voorgaande het juridisch kader van artikel 260 SrNA verder moet worden vormgegeven. Naar het oordeel van het Hof moet worden geconcludeerd dat de term ‘vrouwenhandel’ in elk geval de volgende impliciete bestanddelen omvat:

  • -

    aanwerven, medenemen of ontvoeren van een meerderjarig€ vrouw of meisje (de handelingen);

  • -

    met het oogmerk haar in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen, begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (opzet en doel).

Dwang is in beginsel geen impliciet bestanddeel van deze vorm van vrouwenhandel. Dat is alleen anders wanneer sprake is van ontvoering, nu daaronder moet worden verstaan dat iemand onder dwang wordt meegenomen.

Opmerking verdient nog dat op 15 november 2000 het VN-Verdrag ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad met het daarbij behorende Mensenhandelprotocol (voluit: het protocol ter voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel) tot stand is gekomen, waarin een definitie van mensenhandel is opgenomen die ook andere vormen van vrouwenhandel omvat (Trb. 2010, 86). Het Hof is van oordeel dat met deze definitie geen verdere betekenis is gegeven aan artikel 260 SrNA. Weliswaar is het protocol voor de Nederlandse Antillen op 9 september 2010 in werking is getreden en sinds 10 oktober 2010 ook voor Sint Maarten gaan gelden, maar in een eerder stadium heeft de regering van de Nederlandse Antillen kenbaar gemaakt dat medegelding pas tot stand kan worden gebracht wanneer in de uitvoeringswetgeving is voorzien (Kamerstukken I/II 2004-2005, 30 157 (R 1792), nr. 1).

Niet is gebleken dat de regering van de Nederlandse Antillen c.q. de regering van Sint Maarten dit standpunt naderhand heeft verlaten. Aangezien pas in de uitvoeringswetgeving is voorzien met het op 1 juni 2015 in werking getreden Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten, moet het ervoor worden gehouden dat het Mensenhandelprotocol slechts betekenis geeft aan de nieuwe strafbepaling (artikel 2:239) en niet aan de daarvoor geldende strafbepaling van artikel 260 SrNA.

Handelingen: aanwerven, medenemen of ontvoeren

In de tenlastelegging zijn twee van de drie handelingen opgenomen die als impliciete bestanddelen van vrouwenhandel worden gezien, te weten het aanwerven en medenemen (uitgedrukt als vervoeren) van vrouwen.

Het Hof verstaat onder de term ‘aanwerven’ het aantrekken of rekruteren van personeel, met dien verstande dat daartoe enig initiatief is genomen en dat dit is voorafgegaan aan de tewerkstelling. In de jurisprudentie is dit tot uitdrukking gebracht als iedere daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen, zonder dat behoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid heeft beperkt (HR 18 april 2000, NJ 2000/443). Het aanwerven van een persoon in het buitenland is ook strafbaar wanneer de aangeworven persoon daarmee heeft ingestemd en/of al eerder in de prostitutie werkzaam is geweest (HR 6 juli 1999, NJ 1977/701). Ook indien het initiatief voor de tewerkstelling is genomen door de aangeworven persoon zelf en zij haar wilsbesluit hieromtrent dus reeds had gevormd, kan van aanwerving worden gesproken (HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:669).

In dit geval staat niet ter discussie dat de in de tenlastelegging genoemde vrouwen al in de Dominicaanse Republiek in de prostitutie werkzaam waren en dat zij op eigen initiatief, al dan niet via een vriendin die al bij [handelsnaam bedrijf van verdachte] had gewerkt of via een agent in Santo Domingo, in contact zijn gekomen met medeverdachte [medeverdachte C], die werkzaam is als manager van [handelsnaam bedrijf van verdachte]. Dat betekent echter niet dat medeverdachte [medeverdachte C] uit hoofde van zijn functie geen enkel initiatief heeft genomen. Integendeel: hij heeft hierop ingehaakt, een agent ingeschakeld en de nodige zaken voor de vrouwen geregeld. Zo heeft hij de vrouwen documenten laten opsturen (algemene medische keuring, bewijs van goed gedrag, resultaat van een hiv-test, een kopie van het identiteitsbewijs en foto’s) om vervolgens voor de vrouwen een tewerkstellingsvergunning aan te vragen, de daarvoor in rekening gebrachte leges (indertijd een bedrag van NAf 800,--) te betalen, een schuldbekentenis te laten ondertekenen, een vliegticket te boeken en een ziektekostenverzekering af te sluiten. Het Hof is gelet daarop met het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal van oordeel dat er sprake is geweest van het aanwerven van de vrouwen.

Anders dan het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal is het Hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de vrouwen ook zijn vervoerd/medegenomen. Onder de term ‘medenemen’ verstaat het Hof het in het kader van de overbrenging naar een ander land met zich voeren van een persoon, met dien verstande dat die overbrenging nog niet is voltooid bij het passeren van de landsgrenzen. Voldoende is dat die persoon op enig moment tijdens de overbrenging, zoals (direct) na aankomst op het vliegveld, onder begeleiding is vervoerd/medegenomen (HR 20 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3425, NJ 2006/35). Hoezeer dit laatste wellicht ook voor de hand lijkt te liggen, constateert het Hof dat hiervoor geen bewijs voorhanden is.

Opzet en doel: seksuele handelingen in een ander land en uitbuiting

Uit de verschillende verklaringen blijkt genoegzaam dat het oogmerk van de verdachte (als directeur), medeverdachte [medeverdachte C] (als manager) en [bedrijf van verdachte] (als bedrijf) erop was gericht dat deze uit de Dominicaanse Republiek afkomstige vrouwen ertoe zouden worden gebracht zich in Sint Maarten beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen.

Dat hebben de verdachte en zijn medeverdachten overigens ook niet ontkend. Wat zij wel ten stelligste hebben ontkend en waarvan het tegendeel naar het oordeel van het Hof niet kan worden bewezen, is dat de vrouwen zijn uitgebuit of dat sprake was van omstandigheden waarbij die uitbuiting kan worden verondersteld.

In zijn algemeenheid is sprake van uitbuiting bij een tewerkstelling onder dwang of het maken van misbruik van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. De vraag of, en zo ja, wanneer, sprake is van 'uitbuiting' als hiervoor bedoeld is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Sint Maartense samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Niet bewezen hoeft te worden dat het slachtoffer daadwerkelijk is uitgebuit. Wel moet worden bewezen dat sprake was van omstandigheden waarbij de uitbuiting kan worden verondersteld. Daarbij kan worden gedacht aan misbruik van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. In het geval van prostituees is daarvan sprake als zij verkeren of komen te verkeren in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Sint Maarten pleegt te verkeren. Aspecten die daarbij een rol kunnen spelen zijn illegaliteit, het niet kunnen beschikken over het paspoort, het aangaan van schulden voor de reis naar Sint Maarten, het afkomstig zijn uit een ontwikkelingsland, verslaafdheid en minderjarigheid (HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7097, en HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857).

Het Hof stelt vast dat in dit geval geen sprake was van tewerkstellingen onder dwang. De vrouwen zijn, zo kan uit hun verklaringen worden afgeleid, vrijwillig naar Sint Maarten gekomen om seksuele werkzaamheden te verrichten en vervolgens niet belemmerd in hun vrijheid om daarmee op te houden. Het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal hebben dit niet in twijfel getrokken, maar zijn van oordeel dat misbruik is gemaakt van een uit de feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en dat bovendien sprake is van uitbuiting. Het Hof is, zoals overwogen, een ander oordeel toegedaan.

Het Hof kan het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal in zoverre volgen dat aanwijzingen bestaan dat de vrouwen zich tot op zekere hoogte in een kwetsbare positie bevonden. De vrouwen hebben daarover in algemene bewoordingen verklaard. Zo verklaarden [vrouw 3] en [vrouw 5] dat zij vanwege hun schulden bij [handelsnaam bedrijf van verdachte] zijn gaan werken. Voor [vrouw 4] lag het anders. Zij verklaarde dat zij weliswaar een schuld bij de bank had, maar dat zij was gekomen om haar doel te bereiken: het kopen van een appartement in de Dominicaanse Republiek. Verder onderzoek naar de mate van kwetsbaarheid is uitgebleven. Er is derhalve niets bekend geworden over de hoogte van de schulden en de hoogte van het inkomen dat zij in de Dominicaans Republiek genoten. Evenmin is iets bekend over de urgentie van terugbetaling van de schulden en de consequenties van het uitblijven daarvan. Bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van het Hof niet de conclusie worden getrokken dat de vrouwen een dermate afhankelijke positie hadden dat zij redelijkerwijs geen andere keuze hadden dan zich in een ander land beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen. De enkele omstandigheid dat zij uit de Dominicaanse Republiek afkomstig zijn, waar zij onder armoedige omstandigheden zouden wonen en geringe mogelijkheden zouden hebben om daar geld te verdienen, is daarvoor onvoldoende.

Het Hof stelt vast dat de vrouwen een tewerkstellingsvergunning hadden verkregen voor de duur van drie maanden. Uit de verklaringen van de vrouwen kan worden afgeleid dat zij tevreden waren met hun verdiensten. Volgens medeverdachte [medeverdachte C] verdienden de vrouwen in normale tijden gemiddeld meer dan $ 1.500,-- per week.

Daartegenover staat dat de vrouwen een schuld van $ 800,-- bij [handelsnaam bedrijf van verdachte] hadden voor de vliegtickets (heen en terug) die werden voorgeschoten. Nog daargelaten dat geen van de vrouwen heeft verklaard of laten doorschemeren dat dit voor hen problematisch was, acht het Hof niet aannemelijk geworden dat deze schuld ook als pressiemiddel werd gebruikt. Dit geldt te meer nu de verdachte heeft verklaard dat, hoewel het de bedoeling was dat de vrouwen drie maanden zouden blijven, zij desgewenst eerder naar huis konden terugkeren zonder het (gehele) bedrag terug te betalen. Er bestaan geen aanwijzingen dat [handelsnaam bedrijf van verdachte] op het voorschieten van de tickets geld heeft verdiend. Het gaat met andere woorden om de terugbetaling van daadwerkelijk gemaakte kosten, die de vrouwen gemakkelijk uit hun verdiensten konden voldoen.

De vrouwen betaalden iedere dag ook een bedrag voor de huisvesting (een volgens de vrouwen ruime kamer met twee grote bedden, een douche en toilet, die zij met twee à drie anderen moesten delen), maaltijden, een ziektekostenverzekering en de voor de tewerkstellingsvergunning betaalde leges. Aan de hand van de verklaringen van zowel medeverdachte [medeverdachte C] als de vrouwen kan worden vastgesteld dat in normale tijden $ 60,-- per dag in rekening werd gebracht en $ 30,-- of niets als er weinig of geen klandizie was. Op zichzelf kan dat naar het oordeel van het Hof niet als onredelijk worden aangemerkt.

Het Hof oordeelt op grond van het vorenstaande dat het ervoor moet worden gehouden dat de vrouwen in de ten laste gelegde periode een behoorlijk economisch voordeel hebben behaald.

Voor het Hof resteert vervolgens de vraag of er beperkingen aan de vrouwen zijn opgelegd, die neerkomen op misbruik van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Desgevraagd hebben alle vrouwen verklaard dat hun paspoort niet is ingenomen. Wel waren hen andere beperkingen opgelegd. Met de vrouwen was immers afgesproken dat zij zes dagen per week, steeds van 22:00 uur tot 05:00 uur, zouden werken en dat zij op die zes dagen vóór 17:00 uur aanwezig moesten zijn. De vrouwen hadden slechts één vrije dag per week. Het Hof begrijpt de zorgen die spreken uit de overwegingen van het Gerecht in eerste aanleg, maar concludeert dat ook op grond van deze omstandigheden niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat daaruit een overwicht voortvloeit waarvan misbruik is gemaakt. Datzelfde geldt voor de aangeboden huisvesting. De vrouwen hebben daarover louter in positieve zin verklaard.

Al met al kan naar het oordeel van het Hof niet worden vastgesteld dat beperkingen zijn opgelegd die een mondige prostituee in Sint Maarten niet zou accepteren.

Conclusie

Het voorgaande brengt het Hof tot de slotsom dat de in de tenlastelegging genoemde vrouwen weliswaar waren aangeworven met het oog op het in Sint Maarten verrichten van seksuele handelingen, maar dat niet is aangetoond dat zij werden uitgebuit en evenmin dat er sprake was van omstandigheden waarbij de uitbuiting kan worden verondersteld. Het ten laste gelegde kan daarom niet worden bewezen en de verdachte zal daarvan dan ook worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair, 2, 3, 3a, 6 en 7 is ten laste gelegd, met dien verstande:

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 april 2006 tot en met 27 juni 2006 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste huurovereenkomst (Commercial lease agreement) voor de duur van 2 jaar – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die huurovereenkomst heeft gevoegd en/of heeft laten voegen bij een aanvraag van 15 april 2006 gericht aan The Executive Council of the Island Territory of St. Maarten en/of een aanvraagformulier ten behoeve van het verkrijgen van een hotel- koffiehuis-, restaurant A vergunning op de locatie [adres 1] en

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die huurovereenkomst (Commercial lease agreement) zijn, verdachtes, parafen en handtekening was geplaatst en een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [betrokkene 1] en/of mevrouw [betrokkene 2], althans van een vertegenwoordiger van het [bedrijf 1]

terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan;

2

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2011 tot en met 30 september 2012, in elk geval op of omstreeks 30 september 2012, in Sint Maarten, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

een ambtenaar, te weten [medeverdachte B], werkzaam als onafhankelijk Statenlid van het land Sint Maarten,

een of meer gift(en) of belofte(n) heeft gedaan, te weten een (totaal) geldbedrag van $ 150.000,- (USD) en/of het equivalent van dat geldbedrag in Antilliaanse guldens, althans geld, met het oogmerk om genoemde ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht iets te doen of na te laten, te weten het:

(anders dan om zakelijke redenen) begunstigen van verdachte [verdachte] en/of [bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) en/of aangaan en/of onderhouden van een relatie tussen [medeverdachte B] en verdachte [verdachte] en/of [bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) en/of teneinde (aldus) voor verdachte [verdachte] en/of [bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) een voorkeursbehandeling te bewerkstelligen en/of teneinde te bewerkstelligen dat [medeverdachte B] zou bevorderen en/of zorgdragen en/of opdragen en/of zich er voor zou inspannen dat:

  • -

    het verzoek om wijziging van een vestigings-/c.q. exploitatievergunning (Operational License), betrekking hebbend op het adres [adres 1] ([bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) door het Ministerie van Economische Zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling met voorrang in behandeling wordt genomen en/of (versneld) wordt afgehandeld en/of

  • -

    het verzoek om wijziging van een vestigings-/c.q. exploitatievergunning (Operational License), betrekking hebbend op het adres [adres 1] ([bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte] door het Ministerie van Economische Zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling wordt ingewilligd en/of verleend en/of toegekend en/of

  • -

    het (mondelinge) verzoek om verruiming van de openingstijden, betrekking hebbend op het adres [adres 1] ([bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) door het Ministerie van Economische Zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling met voorrang in behandeling wordt genomen en/of (versneld) wordt afgehandeld en/of

  • -

    het (mondelinge) verzoek om verruiming van de openingstijden, betrekking hebbend op het adres [adres 1] ([bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) door het Ministerie van Economische Zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling wordt ingewilligd en/of verleend en/of toegekend en/of

  • -

    het verzoek om verhuizing van [bedrijf van verdachte] tot, althans van de registratie van de wijziging van het vestigingsadres (van het adres [adres 2] naar [adres 3], althans [adres 1], te Simpson Bay) door het Ministerie van Economische zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling met voorrang in behandeling wordt genomen en/of (versneld) wordt afgehandeld en/of

  • -

    het verzoek van verhuizing van [bedrijf van verdachte] tot, althans van de registratie van de wijziging van het vestigingsadres (van het adres [adres 2] naar [adres 3], althans [adres 1], te Simpson Bay) door het Ministerie van Economische Zaken en/of een bevoegde overheidsinstelling wordt ingewilligd en/of verleend en/of toegekend en/of

  • -

    de duur van de tewerkstellingsvergunning van een of meer van de in [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte] werkzame dames wordt verlengd.

3

[bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 26 januari 2011 tot en met 30 september 2013 31 december 2012 in het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten en/of in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij (telkens),

(een) geldbedrag(en), te weten een totaalbedrag van ruim 1.767.031 Naf (Antilliaanse guldens) althans van het equivalent daarvan of een deel daarvan in US Dollars en/of Euro’s, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl zij (telkens) wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voormeld(e) geldbedrag(en)

– onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

immers heeft zij verdachte:

  • -

    op of omstreeks 26 januari 2011 een bedrag van USD 36.000,- betaald aan Super Bikes voor de aanschaf van een personenauto en/of

  • -

    op 11 maart 2011 een bedrag van USD 10.000,- overgemaakt aan [bedrijf 1] en/of

  • -

    op 16 maart 2012 een bedrag van USD 10.000,- overgemaakt aan [bedrijf 1] en/of

  • -

    op 21 mei 2012 een bedrag van USD 10.216,21 overgemaakt aan [bedrijf 1] en/of

  • -

    op 20 augustus 2012 een bedrag van USD 10.000,- overgemaakt aan [bedrijf 1] en/of

  • -

    op 31 december 2012 een bedrag van USD 10.000,- overgemaakt aan [bedrijf 1],

tot het plegen van welk(e) feit(en) hij, verdachte , (in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/ [handelsnaam bedrijf van verdachte]) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte,(in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) feitelijk leiding heeft gegeven;

3a.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 7 mei 2008 tot en met 30 september 2013 9 oktober 2010 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten en/of in de periode van 10 oktober 2010 tot en met 4 maart 2013 in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij (telkens) (een) geldbedrag(en), te weten een totaalbedrag van USD 244.538,31, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij (telkens) wist of begreep, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat voormeld(e) geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf

immers heeft hij, verdachte, met gebruikmaking van de creditcard met het nr. [creditcardnummer] ten name van [bedrijf van verdachte] een totaalbedrag van USD 244.538,31 telkens een geldbedrag opgenomen en/of besteed;

6

[bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) in of omstreeks de periode 1 januari 2008 tot en met 9 oktober 2010 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten en/of in of omstreeks de periode van 10 oktober 2010 tot en met 31 december 2013 in Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

terwijl zij ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelasting verplicht is/was tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, te weten:

  • -

    een aangifte winstbelasting 2008 en/of

  • -

    een aangifte winstbelasting 2009 en/of

  • -

    een aangifte winstbelasting 2010 en/of

  • -

    een aangifte winstbelasting 2011

(telkens) opzettelijk voornoemde aangifte(n) niet binnen de door of namens de Inspecteur der Belastingen, althans binnen de door de Algemene Landsverordening Landsbelastingen, gestelde termijn (te weten de aangifte winstbelasting 2008 uiterlijk op 31 december 2010, de aangifte winstbelasting 2009 uiterlijk op 31 december 2011, de aangifte winstbelasting 2010 uiterlijk

op 31 december 2012, de aangifte winstbelasting 2011 uiterlijk op 31 december 2013) heeft/hebben gedaan,

terwijl van dat/die feit(en) het gevolg zou kunnen zijn dat daardoor (telkens) nadeel voor de toenmalige Nederlandse Antillen en/of het land Sint Maarten kon ontstaan,

tot het plegen van welk(e) feit(en) hij, verdachte (in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte (in zin hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) feitelijk leiding heeft gegeven;

7.

[bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 9 oktober 2010 in het Nederlands Antilliaans gedeelte van het eiland Sint Maarten en/of in of omstreeks de periode van 10 oktober 2010 tot en met 15 januari 2013 in Sint Maarten,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) terwijl zij ingevolge de Algemene Landsverordening Landsbelastingen verplicht is/was tot het binnen een gestelde termijn doen van (de hierna vermelde) aangifte(n),

(telkens) opzettelijk, al dan niet, binnen de gestelde termijn:

op (een) aangifte(n) belasting op de bedrijfsomzetten (Turnover Tax) ten name van [bedrijf van verdachte] (CRIB nummer [nummer]) betreffende de/het aangiftetijdvak(ken) of maand(en):

- januari 2008 en/of februari 2008 en/of maart 2008 en/of april 2008 en/of mei 2008 en/of juni 2008 en/of juli 2008 en/of augustus 2008 en/of september 2008 en/of oktober 2008 en/of november 2008 en/of december 2008 en/of;

- januari 2009 en/of februari 2009 en/of maart 2009 en/of april 2009 en/of mei 2009 en/of juni 2009 en/of juli 2009 en/of augustus 2009 en/of september 2009 en/of oktober 2009 en/of november 2009 en/of december 2009 en/of;

- januari 2010 en/of februari 2010 en/of maart 2010 en/of april 2010 en/of mei 2010 en/of juni 2010 en/of juli 2010 en/of augustus 2010 en/of september 2010 en/of oktober 2010 en/of november 2010 en/of december 2010 en/of;

- januari 2011 en/of februari 2011 en/of maart 2011 en/of april 2011 en/of mei 2011 en/of juni 2011 en/of juli 2011 en/of augustus 2011 en/of september 2011 en/of oktober 2011 en/of november 2011 en/of december 2011 en/of;

- januari 2012 en/of februari 2012 en/of maart 2012 en/of april 2012 en/of mei 2012 en/of juni 2012 en/of juli 2012 en/of augustus 2012 en/of september 2012 en/of oktober 2012 en/of november 2012 en/of december 2012;

onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/althans heeft/hebben laten doen door (een) ander(en), namelijk [betrokkene 3], in elk geval (een) ander(en) dan zij, verdachte, en/of haar mededader(s),

immers heeft/hebben zij, medeverdachte [bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]), en/of haar mededader(s) (telkens) op/in het/de naar bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst in Sint Maarten ingeleverde/gezonden aangifte(n)/aangiftebiljet(ten) op de bedrijfsomzetten (Turnover Tax/Tax Return Form):

(telkens) (een) te la(a)g(e) (belastbaar) bedrag(en) aan vergoedingen/bedrag omzet (Amount turnover) en/of Bedrag aan Belasting (Amount Tax) en/of belastbare (bedrijfs)omzet (Taxable turnover) en/of totale (bedrijfs)omzetten (Total turnover) en/of (een) te (la(a)g(en) belastba(a)r(e) bedrag(en) opgegeven en/of vermeld en/althans door (die) ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden,

terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat daardoor (telkens) nadeel voor de Nederlandse Antillen en/of het land Sint Maarten kon ontstaan,

tot het plegen van welk(e) feit(en) hij, verdachte (in zijn hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte (in zin hoedanigheid als directeur van [bedrijf van verdachte]/[handelsnaam bedrijf van verdachte]) feitelijk leiding heeft gegeven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen 5

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Feit 1. Gebruikmaken vals/vervalst geschrift

1. Bij de afdeling Economische Vergunningen van het Ministerie van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie van Sint Maarten (hierna: TEZVT) zijn documenten in beslag genomen die betrekking hebben op [bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]). Een van die documenten is het schriftelijk verzoek d.d. 15 april 2006, dat [verdachte] (het Hof: de verdachte) namens [bedrijf van verdachte] heeft ingediend bij “The Executive Council of the Island Territory of Sint Maarten”. Dat verzoek houdt onder meer het volgende in:

“Re: License Request for Live Entertainment.

Hereby we, [bedrijf van verdachte], request for an “Exotic Dancers” Permit. I would like to have your sincere attention for the following.

Finally we found in March 2006 a location that suits business vision.

As far as we understand there is a possibility to replace a withdrawn non-operational license, and that this license can be issued for another location.

At this moment we have an investment of approximately US$ 320.000, and a long-term lease agreement that can’t be used because of before mentioned (withdrawing of the license).

The location we found is situated at the [adres 1] in Simpson Bay. At the moment it is used as a Hotel, and downstairs as a restaurant. Before this location was also used as a bar/restaurant (Don Carlos). The N.V. that we want to use [bedrijf van verdachte] has also bar/restaurant, and entertainment mentioned as “doelstellingen”.

Based on above mentioned, we sincerely hope that your Council will grant us an exotic dancers license for the location at [adres 1] in Simpson Bay.

Yours truly,

[verdachte]

Managing Director [bedrijf van verdachte]” 6

2. Een ander document dat daar in beslag is genomen, is een “commercial lease agreement”, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“This lease agreement made this 15th day of April, 2006 by and between:

1. [bedrijf 1], a limited liability company established on Sint Maarten, hereinafter referred to as the “Lessor”; and

2. [bedrijf van verdachte], a limited liability company established on Sint Maarten, hereinafter referred to as the “Lessee”.

The premises locally known as [bedrijf 1], located at [adres 1], Simpson Bay, hereinafter referred to as “premises”.

Now therefor, it is mutually agreed upon as follows:

1. The premises will be leased for a term of (2) two years, commencing on April 15, 2006 and ending on April 14, 2008 for the use and occupancy by the Lessee as a Dance Club, Bar & Restaurant, herein referred to as the “Club”.

3. The Lessee shall pay a monthly rent of US$ 20.000 payable on the fifteenth day of each month starting on April 15, 2006.

6. At the signing of this agreement Lessee shall pay the (non-refundable) amount of US$ 150.000 as keymoney to Lessor.

In witness whereof parties have executed this agreement in duplicate on Sint Maarten, Netherlands Antilles on this 15the day of April, 2006.

(het Hof neemt waar: een handtekening) (Het Hof neemt waar: een handtekening)

[bedrijf 1] [bedrijf van verdachte]” 7

3. Bij de in beslag genomen stukken bevond zich ook een advies d.d. 19 juni 2006, opgesteld door een beleidsmedewerker van het Kabinet Gezaghebber en gericht tot het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten, waar het op 27 juni 2006 is binnengekomen. Het advies houdt onder meer het volgende in:

“Naar aanleiding van het verzoek van [bedrijf van verdachte] d.d. 15-4-2006, voor een ‘exotic dansers permit’, voor de locatie: [adres 1] te Simpson Bay, het volgende.

In het verzoek van [bedrijf van verdachte] wordt aangegeven dat hun onderneming een geschikte locatie gevonden heeft, gelegen aan [adres 1], waar zij een gebouw hebben gehuurd om een hotel en bar/restaurant daar te opereren. Een kopie van deze ‘agreement’ is meegestuurd met het verzoek (zie ‘commercial lease-agreement’). Bij nader onderzoek van de ingezonden stukken blijkt dat het gebouw, onder de naam van [bedrijf 1] ([afkorting bedrijf 1]) geregistreerd staat en gelegen is aan [adres 1].

De vestigings- en directeursvergunning zijn verleend aan mw. [betrokkene 2], waarmee zij haar hotel, bar & restaurant aan derden verhuren. In de ‘commercial lease-agreement’ staat dat [afkorting bedrijf 1] een huurovereenkomst is aangegaan voor 2 jaar, beginnend op 15 april 2006 t/m 15 april 2008. Maandelijks moet [bedrijf van verdachte] $ 20.000,- aan huur betalen om een ‘dans club, bar & restaurant’ te mogen opereren ‘on the premises’ van [afkorting bedrijf 1]. [bedrijf van verdachte] heeft ook een ‘non-refundable’ bedrag van $ 50.000,- (het Hof begrijpt gelet op hetgeen hierna is opgenomen dat dit een kennelijke misslag is en dat is bedoeld: $ 150.000,-) betaald als ‘keymoney’ aan [afkorting bedrijf 1].

Geconcludeerd kan worden dat:

- [bedrijf van verdachte] een verzoek voor het opereren van een bar, restaurant heeft ingediend voor de locatie Maho Shopping Center. Hiernaast is [bedrijf van verdachte] een ‘commercial lease agreement’ aangegaan met [afkorting bedrijf 1] om hun ‘premises’ te mogen gebruiken voor het opereren van een club, bar & restaurant. Hiervoor hebben zij een bedrag van $ 150.000,- betaald als ‘keymoney’ dat ‘non-refundable’ is en $ 20.000,- voor de maandhuur van mei.

- De locatie [adres 1] is volgens VROM een commerciële omgeving. De locatie heeft 35 parkeerplaatsen en het gebouw is geluidsdicht gemaakt om de luide muziek en andere geluiden van de bar voor omliggende te kunnen dempen/verzachten.

- [afkorting bedrijf 1] heeft een directeurs- en een vestigingsvergunning om een hotel, bar & restaurant aan [adres 1] te Simpson Bay te opereren. Op basis van hun doelstelling kunnen zij hun gebouw aan derden verhuren.

Gezien het vorenstaande wordt geadviseerd om,

Toestemming te verlenen aan [bedrijf van verdachte] om een stripclub aan [adres 1] in het gebouw van [bedrijf 1] Bar & Restaurant N.V. te mogen opereren.” 8

4. Betrokkene 1], een van de directeuren van [bedrijf 1], heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

“I bought the building on the address [adres 1]. When I bought the building I named it “[bedrijf 1]”. I run this business till 2006 and then I was approached by [verdachte] to rent the place over from me.

My ex wife [betrokkene 2] and me are the directors of [bedrijf 1]

The [bedrijf 1]. made a rental agreement with [bedrijf van verdachte], [handelsnaam bedrijf van verdachte].” 9

Nadat aan hem twee leaseovereenkomsten waren voorgehouden, heeft hij voorts het volgende verklaard:

“This agreement – dated April 27th 2006, for a period of 5 years, commencing May 1st 2006 and ending April 30th 2011, was made because [verdachte] didn’t live to the agreement that was first purposed. He didn’t pay his rent. In my presence my ex-wife, [betrokkene 2], signed, the agreement.

You presented an agreement made between [bedrijf 1] and [bedrijf van verdachte] dated April 15th 2006, for a period of 2 years, commencing April 15th 2006 and ending April 14th 2008, that was found in documents regarding [bedrijf van verdachte], that has been confiscated from the department of Economic Affairs.

This is probably the one that [verdachte] made. I don’t know anything about this one. Not even the signature is from anybody of the [bedrijf 1]. The only authorized persons who are authorized to sign on behalf of [bedrijf 1] is my ex-wife, [betrokkene 2], and I.” 10

5 In een schriftelijke verklaring liet [betrokkene 2] nog het volgende weten:

“I was presented with a signed copy of an agreement made between [bedrijf 1] and [bedrijf van verdachte] dated 4/15/2006, for a period of 2 years commencing 4/15/2006. I do not recognize the signature on this contract and I deny that this is my signature, or [betrokkene 1]’s signature. If I had signed this contract, I would have also initialed every page of this contract.” 11

6. Verdachte] heeft hierover tijdens zijn vierde politieverhoor het volgende verklaard:

“Mij wordt voorgehouden een ‘commercial lease agreement’ d.d. 15 april 2006, dat dezelfde datum heeft als mijn verzoek voor exotische danseressen, namelijk 15 april 2006. Mij wordt voorgehouden dat mijn verzoek op 20 april 2006 is ingeboekt. Mij wordt gevraagd wat ik hierover kan verklaren. Ik heb het ingediend bij Economische Zaken om te tonen dat ik een lease agreement had. De eigenaar van het [bedrijf 1] heeft het ‘draft concept’ opgesteld. Ik heb het bij Economische Zaken ingediend. Ik heb het getekend. Als de draft bij Economische Zaken werd gevonden, dan kan ik alleen dat hebben gebracht. Daar ben ik verantwoordelijk voor.” 12

Feit 2. Ambtelijke omkoping

7. Naar aanleiding van berichten in de media is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen onafhankelijk parlementariër [medeverdachte B], (het Hof: de verdachte) en [bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]). Het dagblad “The Daily Herald” heeft, daartoe gevorderd door het openbaar ministerie in Sint Maarten, videobeelden verstrekt waarop de berichtgeving betrekking had. De verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben de beelden, die zijn voorzien van geluid, bekeken en beluisterd.

De verbalisanten zagen op de beelden dat als aanvangstijdstip 30 september 2012 te 05:18:25 PM was vermeld en als eindtijdstip 30 september 2012 te 05:26:02 PM.

Op de eerste beelden is te zien dat [verdachte] achter een bureau zit, waarna op een gegeven moment [medeverdachte B] binnenkomt en op een stoel voor dat bureau plaatsneemt.

In onderstaand schema is, voor zover in dit kader van belang, de omschrijving opgenomen van hetgeen zich heeft afgespeeld. Daarin zijn handelingen van verdachten cursief gezet.

Tijdstip

Beschrijving verbalisanten

05:18:38 PM

[medeverdachte B]

Say… The minister… was trying to meet you before… but then it tight nuh…

05:18:48 PM

[verdachte]

One second [medeverdachte B]… what things we need now? … Do we know that?

05:18:56 PM

[medeverdachte B]

We need a the copy… oke the license… from [betrokkene 4] … that… heb je dat?

[verdachte]

Ja… heb ik…

05:19:48 PM

[verdachte]

Nou een ander vraagje… omdat ehhh… vergeet het verhuis als alstublieft niet… verhuisadres…

05:19:48 PM

[medeverdachte B]

No… I then… we have that already… from uhh [adres 1]… you going… you coming from the [adres 2]….?

[verdachte]

Nou… nou…. Kan die er alsjeblieft inzetten… dat wij de… dat hadden we… dat was normaal bij Maho… dat sluitingstijd 5 uur ochtend is of zo… weet je wel… dat het niet… dat ze gaan zeggen… je moet dicht om 5 uur of 4 uur. Je weet maar nooit hoe ze weer eens gaan zeggen… ja alle bedrijven moet zo en zo laat dicht… al die bullshit…

[medeverdachte B]

But how late you could close then?

[verdachte]

Nou… omdat het nooit is overgeschreven is van Maho… dat is het verhaal… ze kunnen niks doen… maar… ik bedoel ze kunnen lastig…

05:20:15 PM

[medeverdachte B]

Ok well… then… ok, I will have to tell him…

05:20:52 PM

[verdachte]

Oke… [betrokkene 4] papier… registratie… Kamer van Koophandel… license wat ik gehad heb in 2006… verhuis… Ehhh… oke… dat regel jij… verhuis… ehh

05:21:00 PM

[medeverdachte B]

No… we already have that, remember that day you gave me the paper… [adres 2]… Maho… [adres 2]… to [adres 1]… [adres 1]…

05:21:12 PM

[verdachte]

Hey… niet… niet gelijk schreeuwen… maar ik heb 15… heb ik nou op het moment alleen… ja maar… we zijn er bijna man… Wij zijn er bijna… toch bijna geregeld…

[medeverdachte B]

I need… I go tomorrow with ehmm…

[verdachte]

[verdachte] staat op van zijn stoel en haalt een stapel vermoedelijk (Hof: op basis van de overige bewijsmiddelen blijkt dat dit vermoeden van de verbalisanten juist is) bankbiljetten uit een kast.

[verdachte]

We zijn er bijna… nou nog alleen 30 nog… zo dat is… weet je waarom… we hebben een fucking rustige maand… ik kan gewoon niet te veel uit de zaak halen… wacht effe. Als ik te veel uit de zaak haal, valt dat op natuurlijk…

05:21:51 PM

[verdachte]

[verdachte] overhandigt het stapeltje bankbiljetten aan [medeverdachte B].

[verdachte]

Snap je wat ik bedoel?... Ik heb nou mijn eigen salaris erbij gedaan… Van september en van ehh.. oktober… Ik wil er ook zo snel mogelijk van af [medeverdachte B]…

[verdachte]

Terwijl hij dit zegt, haalt hij drie stapels bankbiljetten uit de lade en legt deze op tafel voor [medeverdachte B].

05:22:21 PM

[medeverdachte B]

I told you… Listen here… I told you from day one… we… we… I don’t think that you trust us or whatever…

[medeverdachte B]

[medeverdachte B] neemt de stapeltjes bankbiljetten van het bureau, bekijkt het geld en plaatst deze tussen zijn benen.

05:22:25 PM

[verdachte]

Ik wil er ook zo snel mogelijk van af.

05:22:40 PM

[medeverdachte B]

We… we definitely ehmmm… get that thing with the Immigration… [betrokkene 5]

[verdachte]

With who?

[medeverdachte B]

The last time while you was away… [medeverdachte C] told me… I think that you wanted to extend one of the girls… some girls… they stay…

05:22:59 PM

[verdachte]

Noo… sometimes… soms he… meiden die zijn echt goed… die willen dan… Ik geef nou een voorbeeld… die we nou net aangenomen hebben, kunnen tot eind februari blijven. Ik zou ze het liefst nog een week of twee erbij willen hebben, niet meer… de moeten gewoon gaan, maar dan hebben ze er net de Heineken Regatta erbij… snap je… ze zitten nou op…

05:23:06 PM

[medeverdachte B]

But i can work with [betrokkene 5]… That’s why I am telling you…

[verdachte]

Dat is goed…

05:23:28 PM

[verdachte]

Hey luister wat is dat verhaal nou… met die fucking [betrokkene 7] bullshit. Hey ik heb het gewoon gehoord he! … Dat [betrokkene 7]… ehhh… tegen jou aan loopt te lullen…

05:23:45 PM

[medeverdachte B]

… Listen, fuck him… we control the government. I don’t mess with him and I just told him the time when I think, listen don’t… Just do what the fuck you got to do…

05:23:58 PM

[medeverdachte B]

Call me… when you reach… call me. Then I’ll go to the girl, because he appoint a lady to work along with me on this.

05:24:57 PM

[verdachte]

… You wanna have a drink?

[verdachte]

[verdachte] staat op.

[medeverdachte B]

[medeverdachte B] pakt de stapeltjes bankbiljetten tussen zijn benen en staat op.

05:25:05 PM

[medeverdachte B]

Ehh… Okay, give me a… we have to put this shit away

[verdachte]

Put it in your zak joch…

[medeverdachte B]

[medeverdachte B] doet de bankbiljetten in zijn rechter broekzak.

[verdachte]

Nu maar hopen dat je niet overvallen wordt… Hahaha…13

8. Een aantal van de bij de afdeling Economische Vergunningen van het Ministerie van TEZVT in beslag genomen documenten, kunnen hiermee in verband worden gebracht. Verbalisant [verbalisant 6], die de documenten heeft onderzocht, heeft hierover het volgende gerelateerd:

“Bij besluit van 23 mei 2006 werd aan [bedrijf van verdachte]/[verdachte] een vergunning verleend tot het houden van een koffiehuis en restaurant A, ter exploitatie in perceel [adres 2], onder de naam “[bedrijf 2]”.

Bij besluit van 21 juni 2006 is een vergunning verleend aan [bedrijf van verdachte]/[verdachte] voor het vestigen en drijven van een onderneming te [adres 2] (vestigingsvergunning/operational license).

Bij besluit van 21 juni 2006 is een vergunning verleend aan [verdachte] om op te treden als directeur van [bedrijf van verdachte]

[Bedrijf van verdachte]/[verdachte] heeft op 27 juni 2006, naar aanleiding van zijn verzoek d.d. 15 april 2006, toestemming gekregen van het Bestuurscollege om een stripclub aan [adres 1] in het gebouw van [bedrijf 1] te mogen opereren.

[Bedrijf 1] beschikt over een hotelvergunning, handelend onder de naam “[bedrijf 1]”, en een koffiehuis/restaurant A-vergunning, handelend onder de naam “[bedrijf 3]”, met sluitingstijd 12:00 uur middernacht.

[Bedrijf van verdachte]/[verdachte] heeft op 3 juli 2006 een verzoek ingediend bij Economische Zaken om het adres van [bedrijf van verdachte] te wijzigen van [adres 2] naar [adres 3] (het Hof begrijpt gelet op de opmerking aan het slot van het proces-verbaal en de verklaringen van [verdachte]: [adres 1]) te Simpson Bay.

Opgemerkt wordt dat tussen de stukken met betrekking tot dit verzoek van [verdachte] geen brief/antwoord/besluit van het Bestuurscollege ligt.” 14

9. In de stukken bevindt zich ook een door [verdachte] namens [bedrijf van verdachte] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) ingediend verzoek, binnengekomen op 26 maart 2007 en inhoudende onder meer een aanvraag voor “additional closing hours – untill: 06.00 AM”.15

10 [Verdachte] heeft tijdens zijn eerste verhoor het volgende verklaard:

“Mij zullen vragen worden gesteld over de opname van een gesprek met parlementariër [medeverdachte B]. Mij wordt gevraagd waar en wanneer het gesprek heeft plaatsgevonden. De plaats is mijn kantoor te [adres 1]. Ik ga ervanuit dat de datum en het tijdstip op de beelden, dus 30 september 2012 tussen 05:18:25 en 05:26:02 PM, kloppen.

Mij worden fragmenten van de videobeelden getoond. [medeverdachte B] zegt tegen mij dat de minister mij wilde ontmoeten. Mij wordt gevraagd welke minister dat was. De minister van Economische Zaken, [betrokkene 6].

Bij het fragment waar ik aan [medeverdachte B] vraag wat ik nodig heb voor de adreswijziging, zegt [medeverdachte B] dat ik de vergunning van [betrokkene 4] en de registratie van de Kamer van Koophandel nodig heb. De bedoeling is dat minister [betrokkene 6] deze stukken krijgt.

Mij wordt gevraagd wat de vergunning van [betrokkene 4] is. Ik heb deze aanpassende vergunning in 2011 gekregen van de minister van justitie [betrokkene 4]. Hierop staat het juiste adres van mijn bedrijf, [adres 1]. In maart 2011 heeft de minister van justitie, [betrokkene 4], de vergunning voor animeermeisjes/danseressen aangepast naar 35 meisjes/danseressen.

In dit fragment praten [medeverdachte B] en ik over de vergunning van 2006, om die bij te doen in de enveloppe met documenten die nodig zijn voor de adreswijziging. Ik heb ook aan [medeverdachte B] gevraagd om niet te vergeten om de vergunning van maart 2011 bij de documenten te doen.

Over het fragment waar ik [medeverdachte B] vraag om rekening te houden met de sluitingstijden, kan ik het volgende zeggen. Ik had voor [adres 2] een sluitingstijd van 05:00 uur (AM). Bij controle van Economische Zaken, arbeid, brandweer die worden geassisteerd door VKS, kunnen ze lastig doen omdat de verhuizing nog niet is geregeld. Bij de laatste controle heb ik mijn vergunning van [adres 2] getoond en ze hebben mij gezegd dat ik het adres moet wijzigen. Dat was ergens in juni 2012. Verder zei ik tegen [medeverdachte B] dat ik tot 05:00 uur (AM) wilde openblijven, wat dezelfde sluitingstijd is als wat ik bij [adres 2] had.

Jullie tonen mij een fragment waar ik aan [medeverdachte B] vraag niet gelijk te schreeuwen, omdat ik alleen vijftienduizend gulden had. En ik had hem beloofd dat ik het laatste deel in een keer zou betalen. Ik had hem beloofd dat ik het laatste deel in een keer zou betalen. Ik heb hem hiervoor reeds dertigduizend gulden in zes termijnen betaald. De eerste betaling was in augustus 2011.

Jullie tonen mij een fragment waar ik tegen [medeverdachte B] zeg dat wij er bijna zijn en hem een stapeltje van tweeduizendvijfhonderd US dollars overhandig. Ik nam toen drie stapeltjes en overhandigde deze aan [medeverdachte B]. In totaal heb ik hem toen achtduizendvijfhonderd US dollar gegeven.

Mij wordt gevraagd welke frequentie er was in de betaling en welke bedragen per keer. Zes keer vijfduizend en een keer vijftienduizend (Hof: gulden). Mij wordt gevraagd wanneer en waar de betalingen hebben plaatsgevonden. Allemaal bij [bedrijfsnaam] ([handelsnaam bedrijf van verdachte]) buiten en slechts die ene keer op 30 september 2012 in mijn kantoor. Ik ben begonnen te betalen in augustus 2011 en vervolgens vijf keren om de maand en die ene keer in mijn kantoor. Dus ik heb zeven keer betaald.” 16

Tijdens zijn tweede politieverhoor heeft [verdachte] voorts het volgende verklaard:

“Mij wordt gevraagd wanneer ik een onderneming ben gaan exploiteren aan [adres 1]. In 2006. Mij wordt gevraagd naar het precieze adres van de onderneming. Het adres is [adres 1].

Mij wordt gevraagd wat de naam van deze onderneming is en wat voor onderneming het is. Het is [bedrijf van verdachte] (meegenomen van [adres 2]). Met [bedrijf van verdachte] heb ik [handelsnaam bedrijf van verdachte] opgericht. [handelsnaam bedrijf van verdachte] is een ‘Adult Entertainment-bedrijf’. Voor de adult entertainment heb ik rond april 2006 apart een vergunning aangevraagd. [Handelsnaam bedrijf van verdachte] heeft een restaurant gedeelte, dat [bedrijf] heet.

Mij wordt gevraagd of ik persoonlijk met de minister van Economische Zaken, [betrokkene 6], over de adreswijziging heb gesproken. Ja. Ik heb hem in de tijd zeker twee keer gesproken. Beide keren bij [bedrijfsnaam]. Het ging een keer over de adreswijziging. [medeverdachte B] was toen ook aanwezig. Minister [betrokkene 6] heeft toen een vrouw van Economische Zaken aangewezen om mij te helpen. Deze vrouw heeft mij toen gebeld. De minister heeft mij toen te [bedrijfsnaam] ook zijn businesscard gegeven, zodat ik hem telefonisch of via zijn e-mailadres kon bereiken.

Mij wordt voorgehouden dat ik sinds 2006 verschillende keren Economische Zaken heb benaderd met betrekking tot de adreswijziging. Mij wordt voorgehouden dat ik onder meer in 2007 een verzoek heb gedaan voor een hotel en koffiehuisvergunning voor [handelsnaam bedrijf van verdachte] op het adres [adres 1] te Simpson Bay, waarbij ik ook een aanvraag heb gedaan voor “additional closing hours – untill 06:00 AM”. Dat klopt. Ik heb daarop toen geen antwoord gekregen.

Mij wordt voorgehouden dat ik in het bezit ben van een vestigingsvergunning en een vergunning tot het houden van een koffiehuis en restaurant A ter exploitatie in het perceel [adres 2], maar dat ik geen vergunning ter exploitatie heb voor het drijven van een onderneming in het perceel [adres 1]. Ik heb brieven geschreven met het verzoek om een adreswijziging.

Mij wordt voorgehouden dat mij geen vergunning ter exploitatie wordt gegund, omdat eerst de directeuren van [bedrijf 1] hun exploitatievergunning zouden moeten opgeven. In 2006 heb ik geprobeerd hun exploitatievergunning op dat adres stop te zetten. Tot op de dag van vandaag is dit, voor zover mij bekend, niet gelukt.

Mij worden een aantal in de fractiekamer van [medeverdachte B] in beslag genomen documenten voorgehouden. Deze documenten zijn voor de minister van economische zaken, de heer [betrokkene 6]. Ik heb deze documenten aan [medeverdachte B] gegeven om ze door te geven aan minister [betrokkene 6]. Rond september 2012 is [medeverdachte B] begonnen met bemiddelen voor de adreswijziging van [handelsnaam bedrijf van verdachte]. Omstreeks die tijd heb ik de documenten aan [medeverdachte B] gegeven.” 17

Tijdens zijn vijfde verhoor heeft de verdachte het volgende verklaard:

“Mij wordt gevraagd wat er aan de hand zou zijn als de vergunning niet op het adres [adres 1] kon worden gezet, gezien het feit dat het bedrijf ook nu gewoon toestemming heeft om te blijven opereren. Als ik de zaak een keer wil verkopen dan moeten mijn papieren in orde zijn.” 18

Tijdens zijn negende verhoor heeft de verdachte voorts het volgende verklaard:

“Mij wordt voorgehouden dat het in het gesprek hoofdzakelijk gaat over wie wat voor [bedrijf van verdachte] kan doen. Mij wordt gevraagd waarom ik [medeverdachte B] heb gevraagd om handelingen te (doen) verrichten. Ik vraag gewoon aan een parlementariër, die tevens een goede vriend van mij is voordat hij in de politiek stapte en die daar zit, om die verhuisvergunning na 7 jaar wachten er door te krijgen.” 19

11. Medeverdachte B] heeft tijdens zijn eerste politieverhoor hierover het volgende verklaard:

“Mij wordt voorgehouden dat aan mij vragen zullen worden gesteld over videobeelden van een gesprek dat ik met [verdachte] heb gehad. Dat gesprek heeft plaatsgevonden tijdens een weekend van de maand september 2012.

Mij worden fragmenten van de videobeelden getoond. Ik kom in het kantoor van [verdachte] aan. Ik heb hem toen gezegd dat de minister hem wilde ontmoeten, maar dat de minister verhinderd was.

De minister wilde [verdachte] persoonlijk vertellen wat er gaande was met de adreswijziging van [handelsnaam bedrijf van verdachte]. Ik had aan de minister gevraagd om [verdachte] zelf uit te leggen wat er mankeerde aan het proces van de adreswijziging.

Mij wordt gevraagd welke minister ik bedoel. Ik bedoel de minister van Toerisme Economische Zaken, de heer [betrokkene 6].

In dit fragment vertel ik aan [verdachte] dat hij de vergunning van minister [betrokkene 4] en een kopie van de registratie van de Kamer van Koophandel moet bijvoegen bij de documenten die hij nodig heeft voor de adreswijziging.

Op de vergunning van de minister [betrokkene 4] stond het juiste adres van [handelsnaam bedrijf van verdachte]. Op de oude vergunning stond het adres [adres 2] in de Maho-buurt. Daarom vroeg ik aan [verdachte] (het Hof begrijpt: [verdachte], de verdachte) om een kopie van de vergunning van de minister [betrokkene 4] bij de documenten te doen. Hierdoor kon Economische Zaken het verschil van de twee adressen zien.

Mij wordt gevraagd wat de vergunning van [betrokkene 4] is. Dat is een uitbreiding van de vergunning van 2006 van [handelsnaam bedrijf van verdachte]. In het document/de vergunning van minister [betrokkene 4] geeft hij aan [handelsnaam bedrijf van verdachte] toestemming om de animeermeisjes uit te breiden.

Mij wordt gevraagd of ik eerder heb bemiddeld voor [verdachte]. Voor de uitbreiding van de animeermeisjes voor [handelsnaam bedrijf van verdachte] heb ik [verdachte] in contact gebracht met de minister van Justitie. Waar dit plaats heeft gevonden, is hoogstwaarschijnlijk [handelsnaam bedrijf van verdachte] geweest.

Mij wordt nog een fragment van de videobeelden getoond. Dit is een herhaling van welke documenten er nodig zijn voor de adreswijziging. [Verdachte] vraagt om er bij te zetten dat de sluitingstijd ook wordt aangepast naar 05:00 uur AM, zoals dat bij [adres 2] het geval was.

Ik vertel hier verder aan [verdachte] waarom ik wilde dat de minister hem zelf kwam uitleggen wat het probleem was met de sluitingstijden.

In dit fragment herhaalt [verdachte] de documenten die nodig zijn voor de adreswijziging. [Verdachte] heeft mij in het verleden reeds documenten gegeven die te maken hebben met de adreswijziging.

[Verdachte] zegt niet gelijk schreeuwen. Ik heb vijftien. [verdachte] bedoelde hier vijftienduizend gulden. Hij heeft mij die dag met US dollars betaald. Dat was ongeveer USD $ 8.500,--.

[Verdachte] begint in dit fragment weer te praten over de kopieën van de documenten die nodig zijn voor de adreswijziging. De minister van Economische Zaken heeft [betrokkene 9] en [betrokkene 8] aangewezen om dit probleem uit te zoeken en op te lossen.

[Verdachte] betaalde steeds in US-dollars. De bedragen waren ongeveer US 2000,-- of US 2.500,--. Het waren zes betalingen.” 20

Tijdens zijn derde politieverhoor heeft [medeverdachte B] voorts het volgende verklaard:

“Mij wordt voorgehouden dat [verdachte] in de video zegt: “Vergeet het verhuizen alsjeblieft niet… Vergeet het verhuisadres niet.” Mij wordt voorgehouden dat ik daarop zeg: “we have that one already”. Mij wordt gevraagd wie ik met “we” bedoel. My office. He gave me copies before. If follow up is necessary I will make a call or go with the documents to the various departments.”

Mij wordt gevraagd met wie ik de adreswijziging en de exploitatievergunning van [bedrijf van verdachte] heb besproken. Who I recall is the Minister [betrokkene 6], who was dealing with it.” 21

Tijdens zijn vierde verhoor heeft [medeverdachte B] onder meer het volgende verklaard:

“Mij wordt voorgehouden dat ik op de opmerking van [verdachte] in de video “ik wil er ook zo snel mogelijk van af [medeverdachte B]”, direct aansluitend antwoordde: “I told you… listen here, I told you from day one, we we, I don’t think that you did trust us or whatever.” Mij wordt gevraagd wat ik hiermee bedoel. [verdachte] had been complaining about the problem. I told him with the intervention of the minister we will get through. I told him to have confidence, we will get to the bottom of the problem. I let him know that me and the Minister were doing our best to get the problem that he had, solved.

Mij wordt gevraagd wat ik bedoel met “Day one”. From the time that we discussed the problem. It must be during the time that [betrokkene 6] became Minister of TEZVT (Hof: Ministerie van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie). I had closer ties with [betrokkene 6].” 22

Tijdens zijn zesde verhoor heeft [medeverdachte B] onder meer het volgende verklaard:

“Mij wordt voorgehouden dat [verdachte] tegen mij zegt dat hij een groep meisjes wilde laten verlengen tot voorbij de Heineken Regatta en dat ik daarop zeg: “I can work with [betrokkene 5]”. Mij wordt voorgehouden dat [betrokkene 5] de directeur van de Immigratie en Naturalisatiedienst is. I remember the story. It was clear that [verdachte] had a problem with the girls. [Betrokkene 5] is somebody I can discuss the problem with in case there was any legal channel, seeing the problem that was plaguing the bordeelhouders already concerning the girls and their stay.

Mij wordt gevraagd hoe ik als parlementarier kan werken met [betrokkene 5] als het om deze vraag van [verdachte] gaat. As a representative of the people and member of the Justice committee I can inquire by [betrokkene 5] what the legal structures are in place for matters such as [verdachte] has and if necessary I can convey it to [verdachte].

Mij wordt gevraagd waarom ik niet met de minister van justitie in plaats van [betrokkene 5] over dit probleem zou communiceren. I had direct contact with [betrokkene 5].

Mij wordt voorgehouden dat [verdachte] met mij heeft gesproken over een “license”. Mij wordt voorgehouden dat hij het volgende heeft gezegd: “Kan hij er alsjeblief in zetten… dat de sluitingstijd 5 uur ’s ochtends is…”.

Mij wordt gevraagd of ik weet wie [verdachte] hier met “hij” bedoelt. He most probably meant the Minister of TEZVT [betrokkene 6]. I don’t think it could have been another Minister or another person.” 23

12. De toenmalige minister van Economische Zaken, [betrokkene 6], heeft de volgende verklaringen afgelegd:

“[Verdachte] is an acquaintance. I was introduced to him by [medeverdachte B] [medeverdachte B]. That was in September 2012 in [handelsnaam bedrijf van verdachte]. That is the place of mister [verdachte].

[medeverdachte B] came to me in 2012 to the office and to me personally. [Verdachte] had a problem receiving a change of address on his operational license which he already requested in 2006 and 2007.

[Medeverdachte B] intervened to see why [verdachte] was unable to get his address changed and the operational license. He did not have an operational license to the address [adres 1].” 24

“In the period from May 21, 2012 untill June 14, 2013 I held the post of Minister of Economic Affairs. [medeverdachte B] has asked me to look into the reason why the request of mister [verdachte] was not being processed. Request was specifically regarding the changing of the business address and to investigate the operational license. I asked my adviser [betrokkene 9] to find out what was the problem. The type of request concerning the address changing was mandated to the department head miss [betrokkene 8]. The request of mister [medeverdachte B] was in the year of 2012.

Either the first or the second time that I was in [handelsnaam bedrijf van verdachte], [verdachte] mentioned the fact that he had some problems with his change of address. I gave him a card and I said to him give me a chance, I will look into it. And [medeverdachte B] followed up with me to see how it was coming along with the request.

[Medeverdachte B] and I spoke about three or four times about [bedrijf van verdachte] or [handelsnaam bedrijf van verdachte].” 25


13. Het door [betrokkene 6] genoemde afdelingshoofd, [betrokkene 8], heeft de volgende verklaring afgelegd:

“I am acting head at the Department of Economic Licenses since the first of July 2009.

You are showing me a memo dated March 21, 2012 (Hof: March 21, 2013 26 ). I think this is the same day that the Minister of TEZVT, mister [betrokkene 6], asked me to put a summary about the case of [bedrijf van verdachte] pertaining the address change and the operational license request.

After getting a call from the Minister’s office inquiring about the status of [bedrijf van verdachte], I believe I was getting a call from him about the status as well. It was at least once, could be twice as well.” 27

14.De adviseur waarover [betrokkene 6] in zijn verklaring sprak, [betrokkene 9], heeft de volgende verklaringen afgelegd:

“Ik was kabinetsadviseur bij het ministerie van Economische Zaken.

Ik ken [medeverdachte B] van het moment dat hij naar het kabinet kwam en vertelde dat het bedrijf [bedrijf van verdachte] een probleem had. Ik kan mij herinneren dat dat vorig jaar was (Hof: 2012), vermoedelijk in de maand oktober of november. Hij vroeg aan mij of ik bij Economic Affairs wilde nakijken waarom de verzoeken van [bedrijf van verdachte], betreffende het verlenen van een Operationele vergunning, niet werd gehonoreerd.” 28

“Ik heb van eind juli 2012 tot juni 2013 bij het ministerie van Economische Zaken gewerkt.

Mij wordt voorgehouden dat uit onderzoek is gebleken dat er 11 keer contact is geweest tussen mij en [medeverdachte B] via mijn dienstnummer in de periode van 3 oktober 2012 tot 15 november 2012. Tijdens deze gesprekken moet hij gesproken hebben over [bedrijf van verdachte] Ik heb nooit andere zakelijke gesprekken met [medeverdachte B] gevoerd. Ik weet alleen dat ik over [bedrijf van verdachte] gesproken heb en mogelijk dat hij steeds vroeg hoe het met de operationele vergunning ging.” 29

Feiten 3, 3a, 6 en 7. Gewoontewitwassen, niet doen aangiften winstbelasting en onjuist doen van aangiften bedrijfsomzetten: overneming van het door het Gerecht in eerste aanleg gebezigde bewijs

15. Het Hof kan zich verenigen met de door het Gerecht in eerste aanleg met betrekking tot deze feiten gemaakte selectie van de bewijsmiddelen. Het Hof neemt deze bewijsmiddelen daarom over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn bewezenverklaring.

16. Het Hof vult deze bewijsmiddelen allereerst aan met het feit dat de Windward Island Bank, waarbij de bankrekening en de creditcard van [bedrijf van verdachte] behoren, is gevestigd in Sint Maarten.30

17.Voorts vult het Hof de bewijsmiddelen aan met de volgende inhoud uit het ook door het Gerecht in eerste aanleg aangehaalde proces-verbaal van bevinding financiële administratie:

“Op 26 januari 2011 wordt middels cheque nummer 6031 voor de aanschaf van een personenauto, een bedrag van USD 36.000,- bij Super Bikes betaald.

Op 11 maart 2011 wordt aan Tamburo Holdings middels een bank transfer USD 10.000,- betaald.” 31

Bewijsoverwegingen

Feit 1. Valselijk gebruikmaken van een huurovereenkomst

Raadsman mr. Merx heeft, bij wijze van een subsidiair standpunt, bepleit dat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de handtekening op de huurovereenkomst zou moeten doorgaan voor de handtekening van de [betrokkene 1] of [betrokkene 2] dan wel een andere vertegenwoordiger van het [bedrijf 1]. Voorts heeft hij aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij deze huurovereenkomst alleen als ‘draft’ heeft ingediend en dus niet als echt contract. Hij heeft die draft op verzoek ingediend. Er is volgens de raadsman bovendien geen bewijs dat hij deze draft tegelijkertijd heeft ingediend met het verzoek, laat staan dat hij het oogmerk had om de overheid daarmee te misleiden.

Het Hof overweegt als volgt.

In weerwil van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht, concludeert het Hof op grond van de bewijsmiddelen dat de verdachte het verzoek d.d. 15 april 2006 heeft ingediend met daarbij gevoegd de ondertekende huurovereenkomst. Het Hof leidt dit niet alleen af uit het feit dat het verzoek en de huurovereenkomst zijn gedateerd op dezelfde datum, maar ook uit de inhoud van het vervolgens gegeven advies. In dat advies wordt tenslotte evident verwezen naar de inhoud van de huurovereenkomst.

Het Hof concludeert voorts dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat de handtekening die uit naam van het [bedrijf 1] op de huurovereenkomst is vermeld, daarop niet is geplaatst door een vertegenwoordiger van dat hotel. De huurovereenkomst is in die zin vervalst. Als de verdachte de handtekening al niet zelf heeft geplaatst of heeft laten plaatsen – dat acht het Hof niet onwaarschijnlijk –, dan kan het gelet op de gang van zaken niet anders zijn dan dat hij wist dat die handtekening niet afkomstig is van een vertegenwoordiger van het hotel.

Verdachtes verklaring dat het voor het ministerie duidelijk was dat een draft werd ingediend, acht het Hof niet aannemelijk geworden en evenmin geloofwaardig. De tekst van de ingediende overeenkomst bevat daarvoor geen aanwijzingen. Het Hof wijst erop dat een vertegenwoordigster van het Ministerie van TEZVT, [betrokkene 8], heeft verklaard dat op voorhand duidelijk was dat een draft niet zou voldoen: “A lease agreement is one of the documents that was required to submit. If the company was leasing a building, than that company had to proof that they were in the possession of a lease agreement. We never use the word ‘draft’. It is a lease agreement, which is a final agreement signed by both parties. We do not accept ‘draft-agreements’.”32

Het Hof wijst er voorts op dat de verdachte in zijn verzoek niet spreekt van een draft, maar juist spreekt van een vastgestelde overeenkomst: “At this moment we have an investment of approximately US$ 320.000, and a long-term lease agreement.”

De verklaring van de verdachte wordt dan ook van de hand gewezen.

Hieruit volgt dat de handtekening van een vertegenwoordiger van het [bedrijf 1] nodig was voor de inwilliging van het verzoek. De verdachte heeft met het indienen van de vervalste huurovereenkomst opzettelijk daarvan gebruikgemaakt. Dat daardoor nadeel kon ontstaan, is zonneklaar. Het advies werd immers met inachtneming van de valse voorstelling van zaken gegeven. De huurovereenkomst is daarbij nadrukkelijk meegenomen in de besluitvorming.

Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Feit 2. Omkoping van een ambtenaar

De raadsman heeft in subsidiaire zin ook bepleit dat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte B] beiden hebben laten weten wat er in deze zaak is gebeurd: het ging om een afbetaling van een door medeverdachte [medeverdachte B] verstrekte lening van NAf 50.000,-- en zijn bemiddeling bij de verzoeken van de verdachte en zijn onderneming [bedrijf van verdachte] stond daar geheel los van. Er is aan medeverdachte [medeverdachte B] dus niet gevraagd om iets in strijd met zijn plicht als parlementslid te doen. Het opzet van de verdachte was daarop ook niet gericht, aldus de raadsman.

Het Hof overweegt als volgt.

Uit de (beschrijving van de) videobeelden en de geluidsopname lijkt te volgen dat medeverdachte [medeverdachte B] – op dat moment lid van de Staten van Sint Maarten en derhalve ambtenaar in de zin van artikel 86 van het SrNA – is omgekocht door de verdachte, een bordeelhouder, om te bemiddelen bij de namens [bedrijf van verdachte] (bordeel [handelsnaam bedrijf van verdachte]) ingediende verzoeken. Een ander verband met het aan de verdachte overhandigde geld kan op grond van de beelden voorshands niet worden gelegd.

Het Hof heeft zich gebogen over de vraag of uit het onderzoek ter terechtzitting feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die dit scenario onderbouwen of juist tegenspreken. Het Hof is met andere woorden nagegaan of het onderzoek ook in alle opzichten heeft geleid tot betrouwbaar, redengevend en overtuigend bewijs voor de ten laste gelegde omkoping.

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat al sinds het jaar 2006 verzoeken van [bedrijf van verdachte] aanhangig zijn. Die verzoeken houden in een wijziging van het vestigingsadres en daarmee van de vestigingsvergunning, en daarnaast een verruiming van de openingstijden. Dit gegeven bevestigt het geschetste beeld in die zin dat de verzoeken waarover werd gesproken, daadwerkelijk bestonden en dat daarop nog altijd niet was beslist.

Dat beeld wordt verder ondersteund door verklaringen. Zo kan uit de verklaringen van de verdachte worden afgeleid dat hij bewust aan een goede vriend, die inmiddels parlementariër was geworden, heeft gevraagd om deze zaken te regelen.

Verder kan uit zowel de verklaringen van de verdachte als die van medeverdachte [medeverdachte B] worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte B] daarmee had ingestemd en dat een en ander via de voormalig Minister van Economische Zaken, [betrokkene 6], zou worden gespeeld. Uit de verklaringen van deze minister en zijn kabinetsadviseur [betrokkene 9] kan tot slot worden afgeleid dat ook de opmerking van medeverdachte [medeverdachte B] “I’ll go with the girl, because he appointed a lady to work along with me on this” gefundeerd is.

In aanmerking genomen voorts dat een aanzienlijke som geld is gegeven – op 30 september 2012 een bedrag van $ 8.500,-- en in de periode daarvoor zes betalingen van het equivalent van NAf 5.000,-- in Amerikaanse dollars –, is er naar het oordeel van het Hof sprake van omstandigheden die redengevend zijn voor het bewijs van de aan de verdachte ten laste gelegde omkoping.

Het Hof is van oordeel dat zonder contra-indicaties, die ontbreken, zonder meer de conclusie is gerechtvaardigd dat giften zijn gedaan in ruil voor een tegenprestatie die erop neerkwam dat medeverdachte [medeverdachte B] zich er op zijn minst voor zou inspannen dat de verzoeken in behandeling zouden worden genomen en zouden worden ingewilligd. Het Hof acht eveneens de conclusie gerechtvaardigd dat met die giften een relatie met medeverdachte [medeverdachte B] werd onderhouden, waarbij (mede) werd beoogd een voorkeursbehandeling te verkrijgen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is een dergelijke tegenprestatie in strijd met de plicht van een ambtenaar. Het gaat in dit geval bij de tegenprestatie ook om handelen in zijn bediening als ambtenaar. Vereist is immers niet dat een ambtenaar bevoegd is tot de tegenprestatie, maar dat zijn ambt hem daartoe in staat stelt of hem daartoe de gelegenheid biedt en buiten kijf staat dat daarvan in dit geval sprake is: het ambt van Statenlid is tenslotte een positie waarmee invloed kan worden uitgeoefend op ambtenaren die bevoegd zijn om over de desbetreffende verzoeken te beslissen. In het onder deze omstandigheden doen van de giften ligt het opzet van de verdachte besloten. Niet bewezen hoeft te worden of en zo ja, in hoeverre, de beoogde tegensprestatie heeft plaatsgevonden.

Tegen deze achtergrond moet worden bezien of de verdachte voor dit bewijs een redelijke, de redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.

De verdachte heeft verklaard dat hij in april 2011 van medeverdachte [medeverdachte B] een geldbedrag van NAf 50.000,-- heeft geleend. Hij heeft daarover onder meer verklaard dat hij het geld, in een poging zijn huwelijk te redden, heeft gebruikt voor een aantal bezoeken aan zijn (ex-)vrouw in Roemenië en voor een aantal materiële zaken voor haar, zoals de aanschaf van een auto en een huis. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van medeverdachte [medeverdachte B].

Hoewel de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte B] een grote mate van consistentie vertonen, maken zij op het Hof geen geloofwaardige indruk. Het wekt bij het Hof bevreemding dat op geen enkel moment tijdens het op video vastgelegde gesprek over een dergelijke geldlening is gesproken, dat voor zo’n substantiële geldlening ook geen overeenkomst op schrift is gesteld en dat het bestaan van deze geldlening voor het uitkomen van de videobeelden kennelijk ook voor derden verborgen is gebleven.

Daar komt nog bij dat de verdachte, zoals het Gerecht in eerste aanleg terecht heeft overwogen, in de maand april 2011 over ruim 14.000 euro (omgerekend met de toenmalige wisselkoers een bedrag van ruim NAf 35.000,--) beschikte en daarnaast de beschikking had over een creditcard van [bedrijf van verdachte] waarvan hij – ook voor persoonlijke doeleinden – vrijelijk gebruik kon maken en ook heeft gemaakt.33 Het Hof acht het tegen die achtergrond niet geloofwaardig dat de verdachte in diezelfde periode een geldlening zou zijn aangegaan. De enkele omstandigheid dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte B] daarover dezelfde verklaring hebben afgelegd, kan dat niet anders maken, zeker niet nu zij ruim de gelegenheid hebben gehad om, nadat de videobeelden in de openbaarheid kwamen, hun verklaringen op elkaar af te stemmen.

Dat de verdachte de beelden zelf heeft opgenomen werpt geen ander licht op de zaak nu deze daarvoor diverse redenen kan hebben gehad, waaronder de door de verdachte zelf gegeven verklaring dat dit op verzoek van een politicus ([naam politicus]) deed, zodat deze medeverdachte [medeverdachte B] kon chanteren.

Gelet op al het voorgaande is het Hof met het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal van oordeel dat aan de verklaring van de verdachte geen geloof kan worden gehecht. Het Hof is dan ook van oordeel dat de verdachte geen redelijke, redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven voor het bewijs van de aan hem ten laste gelegde omkoping.

Het verweer wordt verworpen.

Feiten 3 en 3a. Gewoontewitwassen

Raadsman mr. Merx heeft ook ten aanzien van deze feiten vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet duidelijk is dat de betalingen waarop wordt gedoeld, een crimineel karakter hadden dan wel dat deze betalingen werden gedaan vanuit een crimineel vermogen. Met betrekking tot de creditcardbetalingen heeft de raadsman voorts aangevoerd dat het opgegeven creditcardnummer niet behoort bij de kaart die de verdachte heeft gebruikt en dat ten aanzien van een aantal van de betalingen niet kan worden bewezen dat deze in Sint Maarten hebben plaatsgevonden, zoals wel ten laste is gelegd.

Het Hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de legale vermogensbestanddelen waarover [bedrijf van verdachte] de beschikking had, zijn vermengd met het door belastingontduiking (zie hierna de feiten 6 en 7) – en daardoor van misdrijf afkomstig – verkregen vermogen. Het legale vermogen is door die vermenging besmet geraakt. Een deel van het vermogen is immers van misdrijf afkomstig. De verdachte heeft vervolgens met de bankrekening en de creditcard betalingen gedaan en daarmee geld dat mede of deels uit misdrijf afkomstig was, overgedragen of omgezet. Daarbij is niet van belang of sprake was van een zakelijke transactie. Het Hof is daarom met het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal van oordeel dat het onder 3 en 3a ten laste gelegde kan worden bewezen.

Voor wat betreft de pleegplaats van de betalingen met de creditcard merkt het Hof op dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een Sint Maartense bankrekening/creditcard, zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, en dat daarom Sint Maarten ook als pleegplaats kan worden aangemerkt.

Het verweer wordt verworpen.

Feit 6. Niet doen aangiften winstbelasting

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat artikel 49 van de ALL het niet doen van aangifte niet strafbaar stelt. Dit verweer wordt verworpen. Een redelijke uitleg van de zinsnede ‘niet binnen de gestelde termijn’ aangifte doen als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder a, van de ALL brengt mee dat daaronder ook valt het in het geheel niet doen van aangifte. Voor zover bedoeld is aan te voeren dat aan de verdachte voor het doen van aangifte geen termijn is gesteld, wordt ook dat verweer verworpen. Artikel 7, eerste lid, van de ALL bepaalt dat het aangiftebiljet aan de belastingplichtige wordt uitgereikt en dat daarbij door de Inspecteur een termijn voor indiening wordt vastgesteld. Uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van [betrokkene 3] (G03-01), de boekhouder van verdachte en [bedrijf van verdachte], blijkt dat de aangiften voor eind maart van het opvolgende jaar moesten zijn ingediend, dat daarvoor telkens uitstel werd verleend tot het einde van dat jaar en dat de aangiften uiteindelijk nooit zijn ingediend. Hieruit volgt dus dat voor de desbetreffende belastingjaren aangiftebiljetten zijn uitgereikt en dat daarbij termijnen voor de indiening daarvan zijn gesteld en dat de aangiften niet binnen die termijnen zijn gedaan.

Door de verdediging is verder naar voren gebracht dat verdachte en [bedrijf van verdachte] geen opzet hebben gehad op het achterwege blijven van indiening van de aangiften winstbelasting. Ook dit verweer slaagt niet. De omstandigheid dat verdachte, bestuurder en eindverantwoordelijke voor de gang van zaken bij [bedrijf van verdachte], aan een boekhouder opdracht heeft gegeven om jaarcijfers en belastingaangiften op te stellen ontslaat hem niet van de verplichting om zelf erop toe te zien dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. Bovendien rust op hem de verplichting om de boekhouder van juiste en volledige gegevens te voorzien. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de aan [bedrijf van verdachte] toekomende inkomsten uit de door de vrouwen verleende seksuele diensten wel bijhield maar dat deze inkomsten niet in de administratie van het bedrijf werden verwerkt. Als gevolg daarvan sloot de administratie niet en konden de jaarcijfers niet worden opgemaakt. Ook dit laatste vindt bevestiging in de bewijsmiddelen, waaruit immers blijkt dat de administratie niet volledig was, dat geen jaarrekeningen zijn opgemaakt en dat om die reden de aangiften winstbelasting niet zijn ingediend. Een en ander brengt mee dat het aan het opzet van verdachte is te wijten dat de aangiften winstbelasting niet zijn ingediend.

Feit 7. Onjuist doen van aangiften bedrijfsomzetten (hierna: BBO)

Door de verdediging is betoogd dat geen onjuiste aangiften BBO zijn gedaan, omdat verdachte slechts een kassiersfunctie had voor de door de vrouwen gegenereerde omzet.

Kennelijk bedoelt de verdediging dat de medeverdachte [bedrijf van verdachte] (een deel van) de niet aangegeven omzet heeft doorbetaald aan de vrouwen. Het verweer vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat de bedragen in de kolommen met het opschrift G (girls) aan verdachte zijn toegekomen (verklaring verdachte, V02-01). Ook als vervolgens een deel daarvan zou zijn doorbetaald, betreft dit door verdachte gerealiseerde omzet die zij in haar aangiften BBO had moeten verantwoorden. Het Hof acht overigens niet aannemelijk dat de in die kolommen vermelde bedragen de (bruto) omzet weergeven. Het ligt niet voor de hand om buiten de administratie lijsten bij te houden waarop alleen de bruto-omzet is vermeld en niet het deel daarvan dat uiteindelijk aan verdachte ten goede kwam. De verdachte en de medeverdachte hebben daar geen bevredigende verklaring voor kunnen geven. Derhalve wordt bewezen geacht dat de gehele verzwegen omzet ten onrechte niet in de aangiften BBO is verwerkt.

Verder heeft de verdediging een beroep gedaan op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in het bijzonder het arrest in de zaak Happy Family van 5 juli 1988 (C289-86). Vooropgesteld wordt dat Sint Maarten geen deel uitmaakt van de Europese Unie en dat de richtlijn waaraan dit arrest uitleg geeft hier niet van toepassing is. Er bestaat geen algemene regel of beginsel op grond waarvan in het kader van de uitoefening van een onderneming verrichte diensten of leveringen onbelast kunnen worden verricht indien deze bij wet verboden zijn. Het feit dat artikel 259 SrNA destijds een bordeelverbod inhield brengt dus niet mee dat daarmee gegenereerde omzet niet hoefde te worden aangegeven en betaald (vgl. HR 3 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9248).

Ook het verweer dat het niet aan het opzet van verdachte is te wijten dat onjuiste aangiften BBO zijn ingediend gaat niet op. De stelling dat verdachte ‘niets met de financiële administratie van doen had’ vindt zijn weerlegging in het bewijs. Daaruit blijkt niet alleen dat verdachte eindverantwoordelijk was voor de gang van zaken bij [bedrijf van verdachte], maar ook dat hij persoonlijk de in zijn kantoor aangetroffen lijsten met daarop de door de vrouwen gegenereerde omzet bijhield. Vast staat ook dat deze bedragen niet (volledig) in de aangiften BBO zijn verantwoord. Ook hier geldt dat het inschakelen van een boekhouder de vennootschap noch zijn bestuurder ontslaat van de verplichting zelf toezicht te houden op het doen van juiste aangiften BBO. Zij moeten de boekhouder ook van juiste informatie voorzien. Nu [de boekhouder] heeft verklaard dat hij de aangiften BBO opstelde aan de hand van door [verdachte] versterkte informatie (G03-01), moet dus worden geconcludeerd dat hij niet van volledige informatie werd voorzien. Het is dan ook aan het opzet van verdachte te wijten dat onjuiste aangiften zijn ingediend.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 230, tweede lid, SrNA. Die bepaling moet worden toegepast, nu de bepaling in het huidige Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten (op 1 juni 2015 in werking getreden) een hoger strafmaximum heeft en dus niet gunstiger is voor de verdachte.

Het onder 1 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Opzettelijk gebruik maken van het vervalschte geschrift als ware het echt en onvervalscht, terwijl uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan.

Het onder 2 bewezen verklaarde is telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 183, aanhef en onder 1°, SrNA. Ook hier geldt dat deze bepaling moet worden toegepast, omdat de huidige bepaling in het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten niet gunstiger is voor de verdachte.

Het onder 2 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijne bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen, meermalen gepleegd.

Raadsman mr. Merx heeft aangevoerd dat het onder 3 en 3a bewezen verklaarde in elk geval niet kan worden gekwalificeerd. Het Hof volgt zijn betoog niet. Het Hof is met het Gerecht in eerste aanleg en de procureur-generaal van oordeel dat in dit geval sprake is van omstandigheden die wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen.

Met betrekking tot het onder 3 en 3a bewezen verklaarde zal het Hof, anders dan het Gerecht in eerste aanleg, niet de strafbepalingen in het SrNA toepassen, aangezien het strafmaximum met de invoering van de nieuwe strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten is verlaagd. De nieuwe strafbepalingen zijn met andere woorden gunstiger voor de verdachte en moeten daarom worden toegepast.

Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:405 juncto de artikelen 1:127, eerste en tweede lid, onder b, en 2:404, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten.

Het onder 3 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Feitelijke leiding geven aan van het plegen van witwassen een gewoonte maken, begaan door een rechtspersoon.

Het onder 3a bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:405 juncto artikel 2:404, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten.

Het onder 3a bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Mr. Jansen heeft aangevoerd dat het niet doen van aangifte niet gelijk kan worden gesteld met het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte. Het Hof oordeelt anders, zoals hiervoor al is overwogen.

Het onder 6 bewezen verklaarde is telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, juncto tweede lid van de ALL en artikel 53, tweede lid en onder b, SrNA.

Het onder 6 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Feitelijke leiding geven aan ingevolge de Algemene landsverordening landsbelastingen verplicht zijnde tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl van de handeling het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor een van de eilandgebieden kan ontstaan, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon.

Het onder 7 bewezen verklaarde is telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, juncto tweede lid van de ALL en artikel 53, tweede lid en onder b, SrNA.

Het onder 7 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Feitelijke leiding geven aan ingevolge de Algemene landsverordening Landsbelastingen verplicht zijnde tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat opzettelijk onjuist doen, terwijl van de handeling het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor een van de eilandgebieden kan ontstaan, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon.

Het onder 1, 2, 3, 3a, 6 en 7 bewezen verklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

Op te leggen straf

Het Hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    opzettelijk gebruikmaken van een vervalst geschrift;

  • -

    omkoping van een ambtenaar;

  • -

    feitelijke leiding geven aan gewoontewitwassen door een rechtspersoon;

  • -

    gewoontewitwassen;

  • -

    niet doen van aangiften winstbelasting;

  • -

    onjuist doen van aangiften BBO.

Het Gerecht in eerste aanleg heeft, uitgaande daarnaast van een bewezenverklaring van het medeplegen van vrouwenhandel, de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De procureur-generaal heeft zich achter deze beslissing geschaard, eerst tijdens zijn op 10 augustus 2017 gehouden requisitoir en vervolgens na de heropening op 22 november 2017. De gevolgen van orkaan Irma vormen voor de procureur-generaal geen aanleiding zijn vordering te matigen.

De verdediging heeft een straftoemetingsverweer gevoerd.

Het Hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de daarop gestelde wettelijke strafmaxima en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich in 2006 schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruikmaken van een vervalste huurovereenkomst. De verdachte heeft die vervalste huurovereenkomst gebruikt om zijn verzoek tot het afgeven van een vergunning voor voorstellingen van exotische danseressen (‘exotic dancers-permit’) op een nieuwe locatie kracht bij te zetten. Dat was nodig, omdat een concept huurovereenkomst niet toereikend was voor inwilliging van het verzoek. Een aantal weken later kwam weliswaar alsnog een huurovereenkomst tot stand, maar dat doet aan de strafwaardigheid ervan niet af. Er was een valse voorstelling van zaken gegeven en op basis daarvan is ook een advies over zijn verzoek uitgebracht. De verdachte heeft daarmee een inbreuk gemaakt op de objectieve besluitvorming bij de overheid.

Dat deed hij zes jaar later opnieuw toen hij zich in 2012 schuldig maakte aan omkoping van een lid van de Staten van Sint Maarten. Hij heeft hem giften gedaan (omgerekend in totaal circa NAf 45.000,--) om ervoor te zorgen dat hij zich zou inspannen dat de namens het bordeel gedane, tot de overheid gerichte, verzoeken in behandeling zouden worden genomen en zouden worden ingewilligd. Het ging daarbij om verzoeken die voornamelijk betrekking hadden op de vestigingsvergunning van het bordeel, namelijk de overschrijving naar het nieuwe adres en de vastlegging van ruimere openingstijden.

Weliswaar opereerde het bordeel al jarenlang met toestemming op dat nieuwe adres en was het open tijdens de gewenste openingstijden, maar de verdachte wilde dit ook schriftelijk vastgelegd zien met het oog op een mogelijke verkoop van het bordeel: “dan moeten de papieren op orde zijn”.

Met dit handelen heeft de verdachte het vertrouwen geschaad dat de burger in het overheidsapparaat moet kunnen hebben dat beslissingen van de overheid op objectieve gronden worden genomen. De overheid moet daarnaast kunnen vertrouwen op de loyaliteit, betrouwbaarheid en onkreukbaarheid van de eigen ambtenaren.

De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan belastingontduiking en gewoontewitwassen. De belastingontduiking, bestaande uit het feitelijk leidinggeven aan het niet doen van aangiften winstbelasting en het doen van onjuiste aangiften bedrijfsomzetten, heeft een aanzienlijk nadeel voor de Nederlandse Antillen en later voor het land Sint Maarten opgeleverd. De verdachte heeft daarmee het financieel voordeel boven het algemeen belang van een juiste belastingheffing ten voordele van het land en daarmee de samenleving in Sint Maarten gesteld.

Naar het oordeel van het Hof kan op dergelijk strafbaar handelen in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het Hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. De verdachte is weliswaar niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten veroordeeld en heeft als gevolg van deze zaak lang in de schijnwerpers gestaan, maar die omstandigheden maken nog niet dat kan worden afgezien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In dat verband merkt het Hof op dat de verdachte de media-aandacht vooral aan zichzelf heeft te danken gezien de voorspelbaarheid dat ontdekking van de omkoping van een Statenlid de nodige publiciteit zou genereren en dat de impact daarvan in een kleine gemeenschap als die van Sint Maarten zeer groot zou zijn. Die gedachte heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om de giften te doen. De verdachte heeft bovendien niet de indruk gegeven dat hij het laakbare van zijn handelen inziet.

In enigszins strafmatigende zin houdt het Hof wel rekening met de ravage die de orkaan Irma heeft aangericht. De schade die de verdachte heeft geleden, is onmiskenbaar groot. Het gebouw waar de [handelsnaam bedrijf van verdachte] is gevestigd, heeft (het grootste deel van) het dak verloren en heeft verder ook flinke (water)schade opgelopen. De bedrijfsactiviteiten zijn daarom gestaakt. Deze situatie zal het voor de verdachte ongetwijfeld lastiger maken om zijn leven na het ondergaan van de op te leggen straf opnieuw op te bouwen. Om die reden zal het Hof dat in de strafbepaling laten meewegen, zij het in beperkte mate nu de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de daarop aangewezen strafrechtelijke reactie (een onvoorwaardelijke gevangenisstraf) daarvoor naar het oordeel van het Hof weinig ruimte laten.

Het Hof is, gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval, van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden is.

Het Hof is echter van oordeel dat strafvermindering op zijn plaats is. Het Hof stelt vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. In dat verband wijst het Hof erop dat de verdachte op 13 maart 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep en dat de behandeling in tweede aanleg eerst vandaag – aldus niet binnen twee jaren – met een eindvonnis is afgerond. Voor deze overschrijding van de redelijke termijn zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen. Het Hof is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval tot strafvermindering moet leiden, in die zin dat het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf met 2 maanden wordt verlaagd.

Dat betekent dat het Hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Beslag

De verdediging heeft ter terechtzitting van 22 november 2017 bepleit dat het Hof het beslag op het tegoed van de bankrekening van de verdachte zal opheffen.

Het Hof overweegt als volgt.

De rechter-commissaris heeft op 29 juli 2013, naar aanleiding van een daartoe strekkende vordering van de officier van justitie van 26 juli 2013, een machtiging verleend tot het leggen van beslag ex artikel 119a SvNA op de tegoeden van de bankrekening van medeverdachte [bedrijf van verdachte] (rekeningnummer [rekening 1] bij Windward Island Bank) en de persoonlijke bankrekening van de verdachte (rekeningnummer [rekening 2] bij de Windward Island Bank), en wel tot een maximum van NAf 500.000,--.

Dit beslag strekt ertoe dat de tegoeden worden bewaard voor het recht tot verhaal voor een op te leggen geldboete ter zake van een misdrijf of misdrijven waarop ten minste vier jaren gevangenisstraf is gesteld, zoals de ten laste gelegde (en inmiddels bewezen verklaarde) feiten.

Het Hof stelt vast dat het beslag door een administratieve misslag van de bank vanaf 1 januari 2016 feitelijk geen effect heeft gehad. Waar het gebruikelijk was om het beslag voor een lange periode te administreren (normaal gesproken wordt als einddatum 31 december 2045 ingevoerd), was ditmaal 1 januari 2016 als einddatum geadministreerd. De verdachte heeft sindsdien zijn bankrekening weer kunnen gebruiken en heeft dat ook gedaan. Dit kwam aan het licht toen de verdediging bij het openbaar ministerie vroeg naar de status van het beslag. Navraag leerde de procureur-generaal dat het beslag vanwege genoemde administratieve fout ten onrechte niet meer werd geëffectueerd. De bank heeft vervolgens het beslag weer op de tegoeden van de bankrekening gelegd. Anders dan de verdediging is het Hof met de procureur-generaal van oordeel dat voor die beslaglegging geen nieuwe machtiging vereist was. De machtiging die de rechter-commissaris op 29 juli 2013 heeft verleend, had geen einddatum en is dan ook niet rechtens vervallen en vormt dan ook de juridische grondslag voor de hernieuwde beslaglegging.

In deze zaak zal het Hof geen geldboete opleggen. Het beslag op het tegoed van de bankrekening van de verdachte moet daarom worden opgeheven. Ten aanzien van het beslag op het tegoed op de bankrekening van medeverdachte [bedrijf van verdachte] zal het Hof in haar strafzaak een beslissing nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 31 en 59 SrNA.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg en doet opnieuw recht als volgt;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 5 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3, 3a, 6 en 7 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen verklaard, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 32 (tweeëndertig) maanden;

bepaalt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op de grond dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op 3 (drie) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

heft op het ten laste van de verdachte gelegde beslag op het tegoed van bankrekeningnummer [rekening 2] van de verdachte bij de Windward Island Bank.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Radder, S.A. Carmelia en H.J. Fehmers, leden van het Hof, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 13 december 2017.

1 Het Hof heeft geconstateerd dat de rechter van het Gerecht in eerste aanleg het onderzoek ter terechtzitting van 14 januari 2015 heeft hervat in de stand waarin het zich bevond op het moment van de schorsing ter terechtzitting van 26 augustus 2014, terwijl de zaak op die terechtzitting door een andere rechter was behandeld. Nu dat kennelijk met instemming van de officier van justitie en de verdediging heeft plaatsgevonden en zonder onderbouwing niet valt in te zien in welk te respecteren belang de verdachte zou zijn getroffen, volstaat het Hof met een constatering hiervan (vgl. HR 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8797).

2 Beschikking bewaring d.d. 10 oktober 2013.

3 Proces-verbaal aanvraag bevel onderzoek van telecommunicatie d.d. 8 maart 2013, vordering machtiging bevel opnemen communicatie d.d. 11 maart 2013 en de machtiging tot een bevel tot opnemen van communicatie en vordering inlichtingen gegevensverkeerd d.d. 12 maart 2013, bijlage 4 van het zogenaamde Methodiekendossier dat met betrekking tot de verdachte is opgemaakt.

4 Proces-verbaal d.d. 19 maart 2013 en bevel tot vernietiging ex artikel 177k lid 2 Wetboek van Strafvordering d.d. 19 maart 2013, bijlage 4.1 van het zogenaamde Methodiekendossier dat met betrekking tot de verdachte is opgemaakt.

5 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in de wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die zijn opgenomen in de verschillende onderdelen van het naar aanleiding van het onderzoek “ORCA” door de Landsrecherche opgemaakte dossier, te weten het zaaksdossier huurovereenkomst, het zaaksdossier omkoping, het getuigendossier, het methodiekendossier en de persoonsdossiers van de verdachten.

6 Schriftelijk bescheid, te weten een verzoek, d.d. 15 april 2006, bijlage 6 van het zaaksdossier huurovereenkomst; schriftelijk bescheid, te weten een lijst van in beslag genomen documenten, bijlage 1 van het zaaksdossier huurovereenkomst.

7 Schriftelijk bescheid, te weten een commercial lease overeenkomst, d.d. 15 april 2006, bijlage 4 van het zaaksdossier huurovereenkomst.

8 Schriftelijk bescheid, te weten een advies, d.d. 19 juni 2006, bijlage 7 van het zaaksdossier huurovereenkomst.

9 Proces-verbaal van 1e verhoor getuige [betrokkene 1] d.d. 5 april 2013, bijlage 1.21.1 van het getuigendossier.

10 Proces-verbaal van 3e verhoor getuige [betrokkene 1] d.d. 2 mei 2013, bijlage 1.21.3 van het getuigendossier.

11 Schriftelijk bescheid, te weten een verklaring van [betrokkene 2], d.d. 24 augustus 2013, bijlage 1.36 van het getuigendossier.

12 Proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 30 september 2013, bijlage 2.4 van het persoonsdossier van voornoemde verdachte.

13 Proces-verbaal van onderzoek digitale gegevens [handelsnaam bedrijf van verdachte] d.d. 19 september 2013, bijlage 2.

14 Proces-verbaal van onderzoek en bevinding met betrekking tot in beslag genomen documenten TEZVT, afdeling Economische Vergunningen, betreffende [bedrijf van verdachte] d.d. 27 april 2013, bijlage 11 van het zaaksdossier omkoping.

15 Schriftelijk bescheid, te weten een “application form for a permit in accordance with the permit ordinance of the central government”, bijlage 13 van het zaaksdossier omkoping.

16 Proces-verbaal 1e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 25 april 2013, bijlage 2.1 van het persoonsdossier van voornoemde verdachte.

17 Proces-verbaal 2e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 mei 2013, bijlage 2.2 van het persoonsdossier van voornoemde verdachte.

18 Proces-verbaal van 5e verhoor [verdachte] d.d. 1 oktober 2013, bijlage 2.5 van het persoonsdossier van voornoemde verdachte.

19 Proces-verbaal van 9e verhoor [verdachte] d.d. 8 oktober 2013, bijlage 2.10 van het persoonsdossier van voornoemde verdachte.

20 Proces-verbaal 1e verhoor verdachte [medeverdachte B] d.d. 26 april 2013, bijlage 2.1.

21 Proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [medeverdachte B] d.d. 21 januari 2014, bijlage 2.3.

22 Proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [medeverdachte B] d.d. 21 januari 2014, bijlage 2.4.

23 Proces-verbaal van 6e verhoor verdachte [medeverdachte B] d.d. 23 januari 2014, bijlage 2.4.

24 Proces-verbaal van 1e verhoor getuige R.f. [betrokkene 6] d.d. 22 maart 2013, bijlage 1.13.1 van het getuigendossier.

25 Proces-verbaal van 3e verhoor getuige R.F. [betrokkene 6] d.d. 25 januari 2014, bijlage 1.13.3 van het getuigendossier.

26 Schriftelijk bescheid, te weten een memo van [betrokkene 8], d.d. 21 maart 2013, bijlage 23 van het zaaksdossier omkoping.

27 Proces-verbaal van 1e verhoor [betrokkene 8] d.d. 3 april 2013, bijlage 1.18.1 van het getuigendossier.

28 Proces-verbaal van 1e verhoor getuige [betrokkene 9] d.d. 31 juli 2013, bijlage 1.37.1 van het getuigendossier.

29 Proces-verbaal van 3e verhoor getuige [betrokkene 9] d.d. 22 augustus 2013, bijlage 1.37.3 van het getuigendossier.

30 Proces-verbaal aanvraag vordering verstrekking gegevens Windward Island Bank d.d. 20 maart 2013, bijlage 10.7 van het methodiekendossier.

31 Proces-verbaal van bevinding financiele administratie d.d. 16 juli 2013, bijlage 1 van het zaaksdossier witwassen.

32 Proces-verbaal van 3e verhoor getuige [betrokkene 8] d.d. 14 oktober 2013, bijlage 1.18.3 van het getuigendossier.

33 Proces-verbaal van bevinding financiële administratie d.d. 16 juli 2013, bijlage 28 van zaaksdossier omkoping.