Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:18

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
20-01-2017
Datum publicatie
19-04-2017
Zaaknummer
AUA2016H00010
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appelante exploiteert een hotel op Aruba. In geschil is de ingangsdatum waarop het verlaagde tarief van invoerrechten van toepassing is en voor welke goederen de tariefverlaging van 22% naar 12% toegepast moet worden. Het Hof oordeelt, gelijk het Gerecht in eerste aanleg, dat de ingangsdatum van het door de Minister van Financiën aangekondigde begunstigend beleid inzake het tarief van invoerrechten 19 november 2013 is. De eerder gemaakte afspraken inzake de verlaging van invoerrechten behelzen geen expliciete, onvoorwaardelijke toezegging, waaraan appellante in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen. Voor de uitleg van de begrippen ‘furniture’ en ‘fittings’ is voorts beslissend de omschrijving die de Minister daaraan gegeven heeft (‘meubilair, apparatuur, sanitair en matrassen’). De begrippen ‘meubilair’ etc. moeten naar het spraakgebruik worden uitgelegd. Daartoe behoren niet tapijten, behang, wandversieringen en gordijnen. De in hoger beroep overgelegde gezamenlijke verklaring van de Minister-President en Minister van Algemene Zaken, Innovatie, Duurzame Ontwikkeling en Wetenschap en de senior-beleidsadviseur van de Minister-President van Aruba leidt niet tot andere conclusies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

AUA2016H00010

Datum uitspraak: 20 januari 2017

Gemeenschappelijk Hof van Justitie

VanAaruba, Curacao, Sint Maarten

en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Uitspraak op het hoger beroep van:

[ X.],
gevestigd te Aruba,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (het Gerecht) van 19 februari 2016 in zaak BBZ nr. 75548 van 2015 in het geding tussen:

appellant,
en

de inspecteur der invoerrechten en accijnzen in Aruba,
verweerder.

1.1. Appellant heeft in de periode maart 2013 tot en met september 2014 aangiften ten invoer gedaan en de daarop verschuldigde invoerrechten voldaan.

1.2. Appellant heeft op 29 januari 2015 een verzoek om restitutie van (een deel van de voldane) invoerrechten gedaan.

1.3. Verweerder heeft het verzoek op 7 mei 2015 bij beschikking afgewezen.

1.4. Appellant is op 29 mei 2015 in bezwaar gekomen tegen de afwijzende beschikking.

1.5. Op 16 juni 2015 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan waarbij het bezwaar is afgewezen.

1.6. Op 15 juli 2015 is appellant in beroep gekomen tegen bovengenoemde uitspraak op bezwaar.

1.7. Op 19 februari 2016 heeft het Gerecht het beroep van appellant gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, teruggaaf van invoerrechten verleent tot een bedrag van Afl. 594.978, met nevenbeslissingen zoals in de uitspraak vermeld.

1.8. Appellant heeft op 18 april 2016 hoger beroep ingesteld

1.9.Verweerder heeft op 1 juli 2016 een verweerschrift ingediend.

1.10. Het Hof heeft de zaak ter zitting te Oranjestad behandeld op 4 oktober 2016, waar appellant, vertegenwoordigd door [ mrs. A. ] en [ B. ], en verweerder, vertegenwoordigd door [ mrs. I. en V.], zijn verschenen.

2 Feiten

2.1.

Door het Gerecht zijn de volgend feiten vastgesteld (in de uitspraak van het Gerecht is appellant aangeduid, als belanghebbende en verweerder als de inspecteur):

"2.1 Belanghebbende exploiteert een hotel in Aruba. Zij heeft in de periode maart 2013 tot en met september 2014 tot een bedrag van Afl. 17.213.272 investeringen verricht ter renovatie van haar hotelkamers. In dat kader is ter zake van de invoer van goederen een bedrag van Afl. 3.487.168,53 aan invoerrechten betaald. Daarbij zijn, afhankelijk van de soort goederen, tarieven gehanteerd van 6%, 12% en 22%.

2.2

Belanghebbende heeft op 29 januari 2015 een verzoek ingediend tot restitutie van invoerrechten tot een bedrag van Afl. 1.289.830. Het verzoek heeft betrekking op vanaf 1 maart 2013 ingevoerde goederen. Belanghebbende heeft dit verzoek gebaseerd op punt 18 van het Protocol Sociale Dialoog van 9 november 2012 (hierna: het Protocol).

2.3

Het Protocol luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"PROTOCOL

Van de gedurende de periode van 21 augustus t/m 9 november 2012 gehouden

SOCIALE DIALOOG inzake Belastingen

Overwegende

  • Dat er tijdens de formatieperiode voor het kabinet Mike Eman door zowel werkgevers- als werknernerszijde nadrukkelijk de behoefte is geuit om een sociale dialoog ter bepaling van het sociaal-economisch beleid van het Land te institutionaliseren;

  • …..

  • Dat eveneens is overeengekomen om een tripartite commissie

    Belastinghervorming in te stellen, bestaande uit vertegenwoordigers van de werkgevers, werknemers en regering (elk 3 leden);

  • …..

  • Dat de sessies van de Sociale Dialoog over de Belastinghervorming hebben plaatsgevonden op 21, 22 en 23 augustus 2012, alsmede op 30, 31 oktober 2012 en 2 november 2012, alsmede de laatste op 9 november 2012; Is door werkgevers, werknemers en regering consensus bereikt over:

18 het feit dat ter bevordering van de kwaliteit van het toeristische product van Aruba

in het verlengde van de kwaliteitsslag die de regering maakt, de invoerrechten

furniture and fittings met ingang van 1 maart 2013 worden verlaagd van 22% naar 12% bij een minimale investering van USD 10.000,- per kamer;

……

De deelnemers zetten zich in voor de gemaakte afspraken in dit akkoord met dien verstande, dat de eindbeslissing na interne besluitvorming binnen de organisatie die zij vertegenwoordigen, binnen twee weken bekend moet worden gemaakt.

…..”

Het Protocol is ondertekend door [ mr. K. ], Minister-President en ing.[ L. ], Minister van Financiën namens de regering, en verder door een aantal personen namens de werknemers-, de werkgevers- en andere organisaties.

2.4

De Inspecteur heeft, onder verwijzing naar het door de Minister van Financiën, Communicatie, Utiliteiten en Energie (hierna: de Minister) op 28 juni 2013 aangekondigde begunstigend beleid (hierna: het Begunstigend Beleid) het standpunt ingenomen dat toepassing van het verlaagde tarief pas toepassing kan vinden vanaf 19 november 2013, dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarde van een minimale investering van USD 10.000 per hotelkamer en dat om die reden belanghebbende geen recht heeft op enige teruggaaf van invoerrechten. Op grond daarvan heeft hij het verzoek afgewezen en de afwijzende beschikking gehandhaafd.

2.5

Het Begunstigend Beleid luidt, voor zover hier van belang, als volgt: "AANKONDIG1NG BEGUNSTIGEND BELEID

…..

Vooruitlopend op de behandeling van de wetsvoorstellen die zijn opgesteld naar aanleiding van het getekende protocol inzake belastingen d.d. 9 november 2012 is het wenselijk dat de voorzieningen reeds beschikbaar zullen zijn voor de lokale bevolking evenals voor mogelijke in Aruba geïnteresseerde investeerders.

…..

Op grond van het voorgaande keur ik goed, dat vooruitlopend op de invoering van de voorgestelde wijzigingen in de ....... Landsverordening tarief van invoerrechten, de hieronder genoemde onderdelen reeds van kracht zullen zijn met ingang van de datum van ondertekening en publicatie van deze aankondiging, tenzij anders bepaald in dit begunstigend beleid

…..

7. Verlaging van invoerrechten op "furnitures" en 'fittings" van 22% naar 12% bij een minimale investering van USD 10.000,- per kamer

Indien een hotel overgaat tot het inrichten of vernieuwen van die inrichting van haar kamers, zullen de invoerrechten voor de benodigde 'furniture en fittings" worden verlaagd van 22% naar 12% indien het hotelbedriff, logement of timesharevereniging kan aantonen dat de minimale besteding per kamer USD 10.000,- is. ...

Onder 'furniture en fittings" dient te worden verstaan: meubilair, apparatuur, sanitair,

matrassen. Deze bepaling zal ingaan per 1 juli 2013 onder voorbehoud dat de landsverordeningen milieubelasting op timeshare en hotels en de milieubelasting op autoverhuur per 1 juli in werking zijn getreden. Indien het tijdstip onverhoopt niet wordt gehaald treedt de bepaling in werking op het moment dat het wetsvoorstel daadwerkelijk is aangenomen.

….. 23

2.6

De Landsverordening bijzondere belasting op verhuurauto's en verhuurmotorfietsen, die als laatste van de twee bovenvermelde landsverordeningen in werking is getreden, is op 19 november 2013 aangenomen.

2.7

Op 16 oktober 2015 is door [ Y. ] een Memorandum opgesteld en aan de Minister van Financiën en Overheidsorganisatie overgelegd. Bij mail van 20 oktober 2015 heeft de betreffende Minister zich akkoord verklaard met alle in het Memorandum gegeven adviezen. In het Memorandum is, voor zover Kier van belang bet volgende opgenomen:

“…..

I. Furnitures en fittings

Het Begunstigend Beleid bepaalt dat onder furnitures en fittings' dient te worden verstaan meubilair, apparatuur, sanitair en matrassen.

Door de Douane wordt in de uitvoering letterlijk aan deze begrippen vastgehouden, waardoor bijvoorbeeld goederen als tapijt, gordijnen, tegels, verf, deurklinken, verlichtingsarmaturen en fancyartikelen niet in aanmerking komen voor een verlaagd tarief.

Door de belanghebbende worden de begrippen veel ruimer uitgelegd. Deze stelt dat alle goederen die worden aangeschaft om de kamer in te richten en op te knappen, zoals verf, gordijnen, tapijt en tegels onder het begrip furnitures en fittings' vallen.

Wij adviseren met verwijzing naar de letterlijke tekst van het beleid om de interpretatie van de Douane te hanteren. "

Verder wordt in het Memorandum een soepelere uitleg gegeven aan de vereiste minimum-investering van $10.000 per hotelkamer."

2.2.

Het Hof zal eveneens van deze feiten uitgaan waaraan het nog toevoegt:

2.3

Tot de gedingstukken behoort een schrijven van appellant van 30 december 2015 aan het Gerecht waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

"U hebt verzocht om nadere informatie ten aanzien van bovengenoemde zaak. Meer specifiek hebt u gevraagd om aan te geven (uitgemeten in de tijd) welke bedragen volgens de Inspecteur der Douane en volgens belanghebbende te restitueren zijn aan invoerrechten. In overleg met de Inspecteur hebben wij de volgende tabel (beneden) opgesteld (bedragen in AWG):

1 maart 2013 t/m

28 juni t/m

19-Nov-13

totaal

27 juni 2013

18-Nov-13

en later

Meubilair

415,111,56

102,422.06

594,977.37

1,112,510,99

Standpunt Inspecteur: beperkte uitleg furniture & fittings

Tapijt

27,693.52

58,668.75

86,362.27

Behang

11,700.00

6,250.18

17,950.18

Gordijnen

12,952.90

13,174.50

19,010.18

45,137.58

Kussens

4,286.19

86.40

4,794.36

9,166.95

Comforters

3,281.21

3,281.21

Overige

15,419.50

15,419.50

487,163.67

115,682.96

686,982.05

1,289,828,68

Standpunt belanghebbende: ruime uitleg furniture & fittings

2.4.

Ter zitting van het Hof is door appellant een gezamenlijke verklaring van [ mr. K. ] (Minister-President en Minister van Algemene Zaken, Innovatie, Duurzame Ontwikkeling en Wetenschap) en [ mr. drs. S. ] (senior-beleidsadviseur van de Minister-President van Aruba), (hierna ook "de gezamenlijke verklaring") overgelegd. Hierin is opgenomen:

"1. Ten tijde van de onderhandeling over en ondertekening van het Protocol Sociale Dialoog van 9 november 2012 (hierna: het Protocol) was ondergetekende [ mr. K. ] de Minister-President en ondergetekende [ mr. drs. S. ] beleidsadviseur van de regering van Aruba. Beide ondergetekenden hebben aan de beraadslagingen en onderhandelingen met de sociale partners deelgenomen welke hebben geleid tot het ondertekende Protocol. Ondergetekende [ mr. K. ] en de Minister van Financiën hebben het Protocol op 9 november 2012 mede ondertekend namens de Regering van Aruba, evenals de deelnemende sociale partners.

2. Partijen bij het Protocol hebben afgesproken dat partijen bij het Protocol twee weken bedenktijd kregen, bijvoorbeeld voor overleg met hun leden of bestuur, en binnen die twee weken een eindbeslissing over de gemaakte afspraken bekend moesten maken. De betrokken partijen hebben na ondertekening van het Protocol niet verklaard dat zij het akkoord niet ondersteunen.

3. Daarmee zijn de afspraken die in het Protocol zijn gemaakt vast komen te staan en onherroepelijk geworden, en dienen deze conform te worden uitgevoerd."

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij Gerecht is in hoger beroep in geschil de ingangsdatum waarop het verlaagde tarief van toepassing is en het antwoord op de vraag voor welke goederen de tariefverlaging van 22% naar 12% toegepast moet worden.

De ontvankelijkheid van het bezwaar en beroep is in hoger beroep geen onderwerp van geschil meer.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4. Het oordeel van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba

Het Gerecht heeft, voor zover aan de orde, het volgende overwogen (in de uitspraak van het Gerecht is appellante aangeduid als belanghebbende en verweerder als de inspecteur):

"Ingangsdatum Begunstigend Beleid

5.2.1

Het Gerecht stelt voorop dat de fiscus niet gebonden kan worden geacht aan alle uitlatingen (mondeling dan wel schriftelijk) die door haar of daartoe bevoegde personen zijn gedaan en waardoor bij een belastingplichtige mogelijk verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van een door de fiscus te volgen gedragslijn. Indien het een uitlating betreft die is gedaan door een bevoegd persoon en die op te vatten is als een expliciete toezegging, zonder voorbehoud gemaakt, dan is de fiscus daaraan gebonden en dient die onvoorwaardelijke toezegging door de fiscus te worden

gehonoreerd. Indien het daarentegen gaat om uitlatingen die ofwel minder expliciet zijn of die onder voorbehoud zijn gemaakt dan zullen in het algemeen de verwachtingen die hierdoor bij de belastingplichtige mogelijk gewekt zijn, niet door de fiscus behoeven te worden gehonoreerd.

5.2.2

De door de Minister-President en de Minister van Financiën in het Protocol gemaakte afspraken inzake de verlaging van de invoerrechten vormen naar het oordeel van het Gerecht geen expliciete, onvoorwaardelijke toezegging, waaraan belanghebbende in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen. Het betreft immers afspraken die onder voorbehoud zijn gemaakt en die, zoals verwoord in de

slotpassage van het Protocol, nog besproken moeten worden in de organisaties die zij vertegenwoordigen en waarbij de eindbeslissing daarover pas later zal vallen. De afspraken vormen, zoals de Inspecteur heeft verdedigd, een inspanningsverplichting: partijen, waaronder de genoemde ministers, zullen zich bij hun achterban inzetten voor de gemaakte afspraken maar dat betekent niet dat die afspraken ook zonder meer onherroepelijk vaststaan of dat belanghebbende daar op mocht vertrouwen. Ook niet nadat, anders dan het Protocol voorschrijft, de eindbeslissing na interne besluitvorming niet binnen twee weken is bekendgemaakt. Het Gerecht verwerpt het standpunt van belanghebbende dat door het niet-reageren van partijen binnen de afgesproken twee weken aangenomen moet worden dat partijen akkoord zijn met de afspraken en de inspanningsverplichting op dat moment is overgegaan in een resultaatsverplichting. Stilzitten is daarvoor onvoldoende. Dit stilzitten levert evenmin in rechte te honoreren vertrouwen op dat de afspraken in het Protocol onherroepelijk zouden zijn geworden.

5.2.3

Het voorgaande houdt in dat niet het Protocol maar het Begunstigend Beleid van 28 juni 2013, waarin uitvoering wordt gegeven aan het voornemen tot verlaging van invoerrechten, bepalend is voor de ingangsdatum ervan. Nu de Landsverordening bijzondere belasting op verhuurauto's en verhuurmotorfietsen als laatste van de twee in het Begunstigend Beleid opgenomen landsverordeningen, op 19 november 2013 is aangenomen, vindt het begunstigend beleid vanaf 19 november 2013 toepassing. Voor goederen die vanaf dat tijdstip zijn ingevoerd en die onder het 22 % tarief vallen, bestaat recht op teruggaaf. Het gelijk op dit punt is aan de Inspecteur.

Uitleg van de begrippen ‘furniture’en 'fittings’

5.3.1

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is ook voor de uitleg van de begrippen `furniture' en 'fittings' beslissend de omschrijving die daaraan in het Begunstigend Beleid van 28 juni 2013 is gegeven: ‘meubilair, apparatuur, sanitair, matrassen'. Het is aan de opsteller van het begunstigend beleid om de reikwijdte en de invulling ervan te bepalen en dat heeft de Minister gedaan door de begrippen 'furniture' en 'fittings' nader te omschrijven.

5.3.2

Het voorgaande betekent dat niet van belang is wat onder de Engelse begrippen 'furniture' en 'fittings' verstaan wordt. Doorslaggevend is de betekenis die aan de hierboven genoemde Nederlandse begrippen dient te worden toegekend. Die betekenis hoeft niet identiek te zijn aan die van de Engelse begrippen 'furniture' en `fittings'. Gelet daarop is de omschrijving die [ Z. ] heeft gehanteerd (los van het feit dat die ook de niet in het Begunstigend Beleid voorkomende begrippen 'fixtures' en `equipment' in de omschrijving meeneemt), niet bepalend voor het antwoord op de vraag voor welke goederen recht bestaat op teruggaaf van invoerrechten.

5.3.3

De begrippen `meubilair, apparatuur, sanitair en matrassen' dienen naar het normale spraakgebruik worden uitgelegd. In het normale spraakgebruik behoren naar het oordeel van het Gerecht tapijten, vloerbedekking tegels, behang, tafelkleden, schilderijen en andere wandversieringen, kussens en ander comforters en gordijnen niet tot het meubilair (en zeker niet tot de andere begrippen). Het Gerecht is met de Inspecteur van oordeel dat de betreffende begrippen specifiek en duidelijk genoeg zijn en dat er geen misverstand kan bestaan over de uitleg ervan. Als de Minister een veel uitgebreidere uitleg had willen geven aan met name het begrip `meubilair', dan zou dat een afwijking inhouden van wat normaal gebruikelijk was en dat had hij dat nader toe moeten lichten. Bij de ruimere uitleg die belanghebbende voorstaat zou het voor de hand gelegen hebben dat de Minister juist minder specifieke termen had gebruikt (bijvoorbeeld de algemene term: inrichting van de hotelkamers). Dat heeft hij niet gedaan waaruit het Gerecht afleidt dat de Minister bedoeld heeft om de goederen waarvoor het Begunstigend Beleid geldt nauwkeurig of te bakenen. Voor zover belanghebbende heeft willen stellen dat in de hotelwereld een ruimere uitleg van die begrippen gebruikelijk is, heeft zij die stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet voldoende aannemelijk gemaakt.

5.3.4

Voor zover belanghebbende heeft willen stellen dat op grond van het doel van het Begunstigend Beleid (het stimuleren van de kwaliteit van de hotelsector) het voor de hand had gelegen om alle investeringen in de hotelkamers onder het Begunstigend beleid te laten vallen geldt het volgende. Het staat de Minister vrij om, bij vaststelling van begunstigend beleid, die begunstiging naar eigen inzicht te omschrijven en eventueel in te perken. Naar het oordeel van het Gerecht is dat alleen anders indien het Begunstigend Beleid zou leiden tot willekeur. Daarvan is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake. Het gelijk op dit punt is aan de Inspecteur.

5.4

Gelet hetgeen is vermeld in 4.2 is het beroep gegrond en bestaat recht op teruggaaf van invoerrechten tot een bedrag van Afl. 594.978."

5 Beoordeling van het geschil

Ingangsdatum begunstigend beleid

5.1.

Ook in hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat de ingangsdatum van de toepassing van het verlaagde tarief overeenkomstig het Protocol 1 maart 2013 is. Het Protocol is volgens belanghebbende een getekende en derhalve bindende overeenkomst die rechtsgeldig door de Minister-President en de Minister van Financiën is aangegaan. Vanaf dat moment mochten partij en, op basis van de beginselen van behoorlijk bestuur, erop vertrouwen dat de gemaakte afspraken zoals deze in het Protocol zijn opgenomen, zouden worden nagekomen en uitgevoerd. Voorts was de inhoud van het Protocol bij alle belanghebbenden bekend gemaakt voor interne besluitvorming terwijl door geen van de partijen binnen de afgesproken twee weken is aangegeven dat niet akkoord wordt gegaan met de inhoud (dan wel dat enig voorbehoud is gemaakt). Dat betekent volgens appellant dat de inspanningsverplichting na die twee weken is overgegaan in een resultaatsverplichting waaraan alle partijen gebonden zijn en aldus door alle partij en hieraan vertrouwen kan worden ontleend. Appellant is feitelijk afgegaan op de beleidstoezegging van de Minister van Financiën en is gaan investeren, in de gerechtvaardigde verwachting dat hij een

gunstiger invoerrechtentarief zou gaan betalen vanaf 1 maart 2013. Had appellant geweten dat de ingangsdatum (veel) later zou zijn, dan had hij gewacht

met investeren, aldus appellant. Appellant heeft zich voorts in hoger beroep aangaande de ingangsdatum beroepen op de onder 2.4. opgenomen gezamenlijke verklaring. In zijn pleitnota motiveert hij dit aldus:

"7. Op basis van de in het beroepsschrift aangedragen motivering maar in het bijzonder op basis van voorgaande expliciete verklaring, kan volgens belanghebbende niet anders worden geconcludeerd dan dat de gemaakte afspraken absoluut als vaststaande afspraken dienden te worden beschouwd waaraan belanghebbende aldus een gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen omtrent de tariefstelling en ingangsdatum en dat er aldus in casu geenszins sprake is van een "politieke verbintenis", wat dat ook moge zijn, of een

inspanningsverplichting. zoals de Inspecteur der Invoerrechten stelt.

8. Nu vast is komen te staan dat het te allen tijde de bedoeling van alle partijen is geweest dat de afspraken, zoals die in het Protocol zijn vastgelegd, onherroepelijk zijn geworden en deze conform dienden te worden uitgevoerd, heeft dit tot gevolg dat ook voor wat betreft de invulling van het begrip "furniture en fittings" de bedoeling van de partijen die direct betrokken waren bij de totstandkoming van het Protocol doorslaggevend dient te zijn en ook hierbij de ingangsdatum onverkort 1 maart 2013 is.

9. In dit verband zijn, naar de mening van belanghebbende, de diverse interpretaties achteraf van instanties en personen die in zijn geheel niet betrokken waren bij de onderhandelingen, zoals [ Y. ]. de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen en de huidige Minister van Financiën van minder tot geen belang aangezien genoemde personen en instanties achteraf nimmer hebben kunnen vaststellen wat de bedoeling van de betrokken partijen is geweest, getuige ook voornoemde verklaring van de direct betrokkenen zijdens de Regering, die gelijk is aan het standpunt van belanghebbende."

5.2.

Het Hof verenigt zich met de onder 5.2.1 tot en met 5. 2.3 van de uitspraak weergegeven overwegingen en beslissingen van het Gerecht aangaande de ingangsdatum, de gronden waarop deze berusten en maakt deze tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof het volgende. De door appellant overgelegde gezamenlijke verklaring (onder 2.4) en appellantes uitleg daarvan (zie 5.1) maken voormelde conclusie niet anders. Uit deze verklaring leidt het Hof, anders dan appellant kennelijk voorstaat, niet of dat op dat moment onherroepelijk vaststond dat de invoerrechten van 'furniture' en 'fittings' met ingang van 1 maart 2013 zouden worden verlaagd van 22% naar 12%. Daarvoor was nog uitvoering (zulks volgt ook uit het onder punt. 3 van de verklaring) nodig. Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat stilzitten daarvoor onvoldoende is geweest. Deze uitvoering is gegeven in het Begunstigend Beleid van 28 juni 2013 (zie ook 5.2.3 van de uitspraak van het Gerecht).

Uitleg van de begrippen furniture' en fittings'

5.3.

Het Hof verenigt zich voorts met de onder 5.3.1 tot en met 5.3.4 van de uitspraak weergegeven overwegingen en beslissingen van het Gerecht aangaande de uitleg van de begrippen 'furniture' en 'fittings', de gronden waarop deze berusten en maakt deze tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof als volgt. Ook met betrekking tot de invulling van de begrippen `furniture'en 'fittings' beroept appellant zich op de in hoge beroep overgelegde gezamenlijke verklaring. Hij stelt in dit verband dat nu (in het bijzonder door de overgelegde gezamenlijke verklaring) vast is komen te staan dat het te allen tijde de bedoeling van alle partijen is geweest om de in het Protocol vastgelegde afspraken, nadat deze onherroepelijk zouden zijn geworden, conform die vastleggingen uit te voeren, dit tevens tot

gevolg heeft dat ook de begrippen 'furniture' en 'fittings' overeenkomstig de bedoeling van de direct bij de totstandkoming van het Protocol betrokken partijen worden uitgelegd. Het Hof merkt op dat ter zake de uitleg van de begrippen 'furniture' en 'fittings' niets is opgenomen in de gezamenlijke verklaring; alsdan kunnen daaruit ook geen conclusies omtrent de bedoeling destijds van de direct betrokkenen worden getrokken. Het Hof verwerpt dan ook dit betoog van appellant. Voorts heeft appellante ook in hoger beroep verwezen naar een brief van de

[ Z. ] ( Z ) van 29 oktober 2015, waarin een (ruime) invulling van de begrippen wordt uiteengezet. Het Hof acht de door [ Z. ] (een belangenorganisatie voor de toeristische sector in Aruba) gehanteerd invulling niet bepalend voor het antwoord op de vraag voor welke goederen recht bestaat op teruggaaf van invoerrechten. Het stond in de optiek van het Hof (gelijk het Gerecht heeft geoordeeld) de Minister van Financiën, Communicatie, Utiliteiten en Energie vrij om in zijn op 28 juni 2013 aangekondigde begunstigend beleid een bepaalde (in sommige opzichten beperkende) uitleg te geven aan deze begrippen. Daarbij dient in ogenschouw worden genomen dat het bier gaat om van de wet (Landsverordening tarief van invoerrechten) afwijkend beleid ten gunste van de toeristische hotelsector van Aruba. Het staat de Minister vrij om aan begunstigend beleid voorwaarden en/of beperkingen te verbinden.

5.4.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant ongegrond is. De uitspraak van het Gerecht dient te worden bevestigd.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht.

De uitspraak is gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, M.J. Leijdekker, en P.A.M. Pijnenburg, leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc, als griffier. De beslissing is op 20 januari 2017 in het openbaar uitgesproken.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is

ingesteld bij de Hoge Read der Nederlanden. U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2 onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.