Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:176

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
Ghis 72740 – H 277/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlies arbeidsvermogensschade. doorbreking causaliteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnisno.:

Registratienummer: Ghis 72740 – H 277/16

Uitspraak: 26 september 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap FATUM GENERAL INSURANCE N.V.,

gevestigd op Curacao,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

thans appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

gemachtigden: mrs. M.R. Hammoud en T.B. de Palm,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende op Curacao,

oorspronkelijk eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

thans geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer.

Partijen worden hierna Fatum en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curacao (GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 23 mei 2016. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2

Fatum is in hoger beroep gekomen door indiening op 2 juni 2016 van een daartoe strekkende akte. Op 14 juli 2016 heeft Fatum een memorie van grieven met producties ingediend, waarbij vijf grieven zijn voorgedragen en toegelicht. Fatum heeft in de memorie geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en de vordering van Fatum zal toewijzen, alsmede om [geïntimeerde] te veroordelen om een bedrag van NAf 15.000,- dat hij als voorschot ontving na het bestreden vonnis aan Fatum terug te betalen, met veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van beide instanties, daaronder begrepen de door Fatum in hoger beroep betaalde griffierechten.

1.3 [

geïntimeerde] heeft op 30 augustus 2016 een memorie van antwoord alsmede voorwaardelijk appel met producties ingediend, waarin hij heeft geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens het door [geïntimeerde] ingediende voorwaardelijk appel, met veroordeling van Fatum in de proceskosten van beide instanties. In het voorwaardelijk appel heeft [geïntimeerde] geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, voor zover het Hof in de zaak ten principale tot een ander oordeel zal komen.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnota’s ingediend.

1.5

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Het GEA heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld die het tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het Hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan.

3 De beoordeling

3.1 [

geïntimeerde] heeft gevorderd dat Fatum wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van NAf 905.850,46 aan schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen vanaf de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, althans een bedrag aan schadevergoeding, naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen. Fatum heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van NAf 38.550,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf betaling van de diverse voorschotten onder algemene titel en vergoeding verlies arbeidsvermogen, dan wel met ingang van indiening van de eis in reconventie.

3.2

Het GEA heeft geoordeeld dat de aansprakelijkheid van Fatum vaststaat en dat [geïntimeerde] daarom een vordering tot schadevergoeding heeft op Fatum. Ten aanzien van de schadevergoeding heeft het GEA geoordeeld dat het rapport van dr. Zahavi van 26 mei 2014 (2.6 vonnis GEA), met name de conclusie dat bepaalde restverschijnselen hoogstwaarschijnlijk het gevolg zijn van het ongeval uit 2008 niet voldoende is gemotiveerd en dat nader onderzoek daarom voor de hand ligt. Dit wordt echter bemoeilijkt door het feit dat [geïntimeerde] recent ernstig letsel heeft opgelopen, zodat het GEA nader onderzoek niet zinvol acht. Het GEA gaat vervolgens over tot schatting van de schade en komt tot een veroordeling van Fatum van NAf 99.061, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 maart 2015. Hiertegen richt zich het hoger beroep.

3.3

Het Hof zal alvorens in deze zaak verdere beslissingen te nemen een comparitie van partijen bepalen omdat het nader inlichtingen behoeft omtrent de hierna te vermelden vragen. Het Hof stelt eerst het volgende voorop.

3.4

Over de aansprakelijkheid bestaat geen geschil. [geïntimeerde] vordert arbeidsvermogensschade en stelt daartoe dat hij als gevolg van het ongeval van 20 maart 2012 volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Vast staat dat [geïntimeerde] als gevolg van een schietincident in 2016 (volgens [geïntimeerde] op 10 februari 2016) ernstig letsel heeft opgelopen. Hierbij doet zich het probleem voor dat sprake is van twee gebeurtenissen die mogelijkerwijs geheel of gedeeltelijk hebben geleid tot dezelfde schade. Wanneer bij voortdurende inkomensschade blijkt dat de gelaedeerde, ook indien het ongeval niet had plaatsgevonden, op enigerlei tijdstip geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zou zijn geworden ten gevolge van een omstandigheid die voor zijn risico komt, is er geen reden om de inkomensschade vanaf het tijdstip dat de voor eigen risico komende arbeidsongeschiktheid zou zijn ingetreden, nog toe te rekenen aan degeen die voor het ongeval aansprakelijk is. In geval van voor eigen risico komende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid geldt hetzelfde voor het deel van de inkomensschade dat van die gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid het gevolg zou zijn (vgl HR 2 februari 1990, nr. 13789, NJ 1991, 292; zie ook HR 7 december 2001, NJ 2002, 576). Het Hof laat op dit moment nog in het midden of de schietpartij op 10 februari 2016 een doorbreking van het causale verband oplevert, waarbij het volgende van belang is.

3.5

Het Hof sluit niet uit dat [geïntimeerde] ten tijde van het schietincident geen verlies aan arbeidsvermogen als gevolg van het ongeval van 2012 meer had en dat alle verlies aan arbeidsvermogen die hij sinds het schietincident heeft, aan het schietincident toe te rekenen is als een gevolg daarvan en niet langer, dan wel niet langer mede aan het ongeval van 2012. Hierbij betrekt het Hof de bevindingen uit het rapport van de revalidatie-arts Zahavi. Van het totaal aan klachten en beperkingen wordt slechts een deel door hem toegerekend aan het ongeval van 2012, terwijl andere beperkingen zijn terug te voeren op een eerder ongeval uit 2008. Het is dan de vraag of de beperkingen uit het ongeval van 2012 (door Zahavi geduid als de klachten aan de rechter elleboog, onderarm en hand en linker knieklachten, alsmede mogelijke geheugenstoornissen) ook in 2016 werkhervatting in de weg zouden hebben gestaan. Dit kan bij de comparitie nader aan de orde komen.

3.6

Als door Fatum onbestreden gesteld neemt het Hof als vaststaand aan dat het rapport van dr. Zahavi op gezamenlijk verzoek van partijen tot stand is gekomen, waarbij ook gezamenlijk de kaders zijn bepaald waarbinnen het onderzoek door dr. Zahavi moest plaatsvinden. In beginsel moet er dan ook van worden uitgegaan dat partijen hiermee hebben beoogd het rapport van dr. Zahavi als uitgangspunt te nemen en dat het rapport dus als bindend heeft te gelden. [geïntimeerde] heeft, ook in hoger beroep, geen dusdanige bedenkingen tegen het rapport aangevoerd, dat een andere conclusie gerechtvaardigd is.

3.7

Van [geïntimeerde] wordt tijdens de comparitie verwacht dat hij gedocumenteerd antwoord geeft op de volgende vragen:

  • -

    Had [geïntimeerde] inkomen ten tijde van het ongeval en zo ja uit welk beroep en wat was de hoogte van dat inkomen (in dit verband ook inzicht verschaffen in de jaren voor het ongeval);

  • -

    Tot wanneer werkte [geïntimeerde] als lasser en vanaf wanneer als buschauffeur (bestuurde hij automatisch of handgeschakeld);

  • -

    Kon [geïntimeerde] na het ongeval van 2012 nog een bus besturen (automatisch of handgeschakeld);

  • -

    Waar woonde [geïntimeerde] ten tijde van het ongeval;

  • -

    Wat was, toen [geïntimeerde] in Nederland ging wonen, de verwachting ten aanzien van het daar te verdienen inkomen;

  • -

    Welke stappen heeft [geïntimeerde] ondernomen om te revalideren;

  • -

    Wat waren de omstandigheden die hebben geleid tot de schietpartij op 10 februari 2016?

3.8

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

Het Hof:

alvorens verder te beslissen:

- gelast een comparitie van partijen als bedoeld onder 3.3;

- bepaalt dat partijen, Fatum vertegenwoordigd door een gevolmachtigde, en desgewenst vergezeld van raadslieden, zullen verschijnen voor mr. E.A. Saleh op donderdag 26 oktober om 10.00 uur in één van de zalen van het Stadhuis aan het Wilhelminaplein 4 te Willemstad, Curaçao;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en J. Sap, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 26 september 2017.