Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:167

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
Ghis 82340 – KG 2495/16 – H 11/17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Kort geding
Inhoudsindicatie

82340 – KG 2495/16 – H 11 van 2017 verbod. dwangsom verbeurd. executierechter. uitleg verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN 2017 VONNIS NO.

Registratienrs. Ghis 82340 – KG 2495/16 – H 11/17

Uitspraak: 19 september 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Vonnis in kort geding in de zaak van:

de stichting STICHTING WASHINGTON JEUGDCENTRUM EN EVANGELISCH WEESHUIS (CENTRO JUVENIL WASHINGTON),

gevestigd in Aruba,

hierna te noemen: de stichting,

oorspronkelijk eiseres, thans appellante,

gemachtigde: mrs. A.A. Ruiz en I.R. Wever,

tegen

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

beiden wonende in Aruba,

hierna te noemen (in enkelvoud): [geïntimeerde sub 1],

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R.C. Samuels.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met nummer KG 2495 van 2016 in kort geding gewezen en op 30 november 2016 uitgesproken vonnis. De inhoud van dit vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2.

De stichting is door op 20 december 2016 een akte van hoger beroep, met productie, in te dienen in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. In een op dezelfde dag ingekomen memorie van grieven, met productie, heeft zij twee grieven voorgedragen en toegelicht en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en haar vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] in de kosten van beide instanties, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad.

1.3. [

[Geïntimeerde sub 1] heeft in een memorie van antwoord, met producties, het hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, kosten rechtens.

1.4.

Op 20 juni 2017, de voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, hebben de gemachtigden van partijen pleitaantekeningen, met producties, ingediend.

1.5.

Op 22 augustus 2017 heeft de stichting een akte uitlating producties genomen.

1.6.

Partijen hebben om vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2 De ontvankelijkheid

De stichting is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kan daarin worden ontvangen.

3 De grieven

Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 Beoordeling

4.1.

Deze zaak betreft een executiegeschil waarin het gaat om de vraag of de stichting al of niet heeft voldaan aan een door het GEA bij kort gedingvonnis van 18 mei 2016 (KG 377/16) (productie 5 bij inleidend verzoekschrift) uitgesproken veroordeling, inhoudende een verbod, en of de stichting in verband daarmee dwangsommen heeft verbeurd.

4.2.

In het bestreden vonnis van 30 november 2016 heeft het GEA als executierechter geoordeeld dat het verbod is overtreden en heeft het de door de stichting verzochte voorzieningen (bevel tot staking van verdere executie en tot restitutie van de reeds ontvangen gelden) geweigerd. Hiertegen richt zich het hoger beroep van de stichting.

4.3.

De stichting heeft, anders dan [geïntimeerde sub 1] in de memorie van antwoord stelt, (spoedeisend) belang. Ook al zou zij in een bodemprocedure gelijk krijgen, dan blijven verbeurde dwangsommen verbeurd (HR 22 december 1998, NJ 1990/434).

4.4.

Tussen partijen speelt een geschil over de voorgenomen bouw van een sporthal voor de jeugd op het terrein van de stichting aan de achterzijde van de woning van [geïntimeerde sub 1]. In het door [geïntimeerde sub 1] aangespannen kort geding 377/16 heeft het GEA in voornoemd vonnis van 18 mei 2016 een verbod gegeven, luidende:

‘5.1 verbiedt de stichting de sporthal te realiseren op de locatie als bedoeld in de bouwvergunning van 9 juli 2015, tot dat bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is komen vast te staan dat de stichting het recht heeft de voorgenomen bouw van de sporthal op de in deze bouwvergunning bedoelde locatie uit te voeren, op straffe van een dwangsom van (…).’

4.5.

De stichting heeft op 8 juni 2016 een nieuwe bouwvergunning verkregen (productie 6 bij inleidend verzoekschrift), met naar het Hof veronderstelt opnieuw de mogelijkheid voor [geïntimeerde sub 1] van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen. Ingevolge de nieuwe bouwvergunning is de sporthal dertig meter opgeschoven vanaf de achtermuur van het perceel van [geïntimeerde sub 1]. De bouw is aangevangen en de vraag is of de stichting daarmee het verbod heeft overtreden.

4.6.

In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel tot nakoming niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE9500, NJ 2004/410, Van der Valk v. Eilandgebied Curaçao). Niet uitgesloten is dat de gedingstukken, voor zover bekend, een rol spelen bij de uitleg van het dictum (HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1852). Het staat de rechter vrij bij zijn uitleg van de veroordeling maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hanteren (HR 20 mei 1994, NJ 1994/652, Van Weezenbeek v. FD). Voorts geldt dat een in algemene termen vervat verbod – dat (wél) afdoende moet worden afgebakend – naar redelijkheid in beginsel aldus moet worden uitgelegd dat de draagwijdte daarvan beperkt is te achten tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij inbreuken als door de rechter verboden opleveren, mede gelet op de belangen tegen de aantasting waarvan het verbod werd gegeven (HR 3 januari 1964, 1964/445, Lexington, en 18 februari 1966, NJ 1966/208, klokkenspel).

4.7.

Anders dan het GEA in het bestreden vonnis heeft gedaan, beantwoordt het Hof de vraag of het verbod is overtreden ontkennend. In het verbod wordt tweemaal concreet gerefereerd aan de bouwvergunning van 9 juli 2015. De stichting bouwt niet op basis van die bouwvergunning, maar op basis van een nieuwe bouwvergunning van 8 juni 2016. De locatie waarop gebouwd wordt is evenmin dezelfde, ook al zou er een zekere overlap zijn, zoals in het bestreden vonnis – volgens de stichting ten onrechte – is aangenomen. Aan de door het GEA in het vonnis van 18 mei 2016 zwaarwegend geachte bezwaren van [geïntimeerde sub 1] wordt in de huidige bouw in zekere mate tegemoetgekomen. Weliswaar is het terrein van de stichting groot, maar door de stichting is aangevoerd dat ten aanzien van de situering van de sporthal zekere beperkingen gelden. Het GEA overweegt dat ‘DOW bereid is om mee te denken over een alternatieve locatie’. Onbestreden is door de stichting gesteld dat DOW betrokken was bij de verkrijging van de nieuwe bouwvergunning van 9 juni 2016.

4.8.

De grief van de stichting slaagt derhalve. In het midden kan blijven de juistheid van de stelling van de stichting (memorie van grieven, p. 3 onder) dat de in het bestreden vonnis beslissend geachte overlap niet bestaat omdat de bouwvergunning van 9 juli 2015 daarop geen betrekking had (wegens bestaande toiletten die niet zouden worden gesloopt).

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De door de stichting gevorderde voorzieningen zijn toewijsbaar, met maximering van de verlangde dwangsom. [geïntimeerde sub 1] dient de kosten van deze procedure te dragen.

5 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:

- beveelt [geïntimeerde sub 1] de executie van het kort gedingvonnis van 18 mei 2016 (KG 377/16) binnen 24 uur na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Afl. 10.000,-- per dag of gedeelte van een dag, met een maximum van Afl. 500.000,--;

- beveelt [geïntimeerde sub 1] tot restitutie over te gaan binnen 24 uur na betekening van dit vonnis van de reeds ontvangen gelden uit het gelegde executoriaal beslag;

- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] in de kosten van deze procedure aan de zijde van de stichting gevallen, tot op heden begroot voor de eerste aanleg op Afl. 1.750,-- aan gemachtigdensalaris en Afl. 909,60 aan verschotten en voor het hoger beroep op Afl. 6.000,-- aan gemachtigdensalaris en Afl. 1.122,25 aan verschotten;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Hof, en ter openbare terechtzitting van 19 september 2017 in Aruba uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.