Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:151

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
H 9/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sint Maarten. Watersportdelicten. "Banaan".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Strafzaken over 2017 Vonnis no.

Datum uitspraak: 15 november 2017 (mondeling) BIS

Zaaknummer: H 9/17

Parketnummer: 400.00010/15

Tegenspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

STRAFVONNIS

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg

van Sint Maarten van 19 januari 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteland],

wonende te [adres] in Sint Maarten.

Procesgang en onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 24 november 2016 en 19 januari 2017, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal van die terechtzittingen, en van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2017 in Sint Maarten.

Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. J. Spaans, en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hetgeen onder 1 primair is ten laste gelegd (in de deelnemingsvariant plegen) en hetgeen onder 2 is ten laste gelegd, bewezen zal verklaren, hem zal ontslaan van alle rechtsvervolging ter zake van hetgeen onder 2 bewezen wordt verklaard, en hem ter zake van hetgeen onder 1 primair bewezen wordt verklaard zal veroordelen tot een geldboete van NAf 425,00, te vervangen door acht dagen hechtenis.

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair) hij, op of omstreeks 21 juli 2015 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging, althans alleen, op of in een openbaar water, een banaan/tube, althans een waterski-object met daarop één of meer personen heeft laten voorttrekken/slepen, terwijl op de trekboot geen tweede persoon met zijn gezicht gekeerd naar voornoemde banaan/tube, althans voornoemd waterski-object aanwezig was;

(artikel 4 lid 1 onder d Watersportverordening Sint Maarten)

(subsidiair) hij, op of omstreeks 21 juli 2015 te Sint Maarten, op of in een openbaar water, zich zodanig heeft gedragen dat de veiligheid op/in het openbaar water in gevaar is gebracht, immers heeft hij, een banaan/tube, althans een waterski-object met daarop één of meer personen laten voorttrekken/slepen, terwijl op de trekboot geen tweede persoon met zijn gezicht gekeerd naar voornoemde banaan/tube, althans voornoemd waterski-object aanwezig was;

(artikel 1 Watersportverordening Sint Maarten)

2. hij, op of omstreeks 21 juli 2015 te Sint Maarten, [betrokkene], althans een ander, in de uitvoering van het bedrijf waar hij als verdachte op dat moment leiding gaf, heeft laten optreden als schipper van een waterscooter, althans een vaartuig, zonder in het bezit te zijn van een door de havenbeheerder afgegeven geldig bewijs van bekwaamheid.

(artikel 4 Binnenvaartverordening Sint Maarten)

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het Hof tot andere oordelen komt.

Bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

Het Hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair ten laste gelegd, met dien verstande dat:

hij, op of omstreeks 21 juli 2015 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging, althans alleen, op of in een openbaar water, een banaan/tube, althans een waterski-object met daarop één of meer personen heeft laten voorttrekken/slepen, terwijl op de trekboot geen tweede persoon met zijn gezicht gekeerd naar voornoemde banaan/tube, althans voornoemd waterski-object aanwezig was.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd.

De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde

Indien tegen dit verkorte vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling op het vonnis.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde

In de rechtspraak worden de volgende eisen gesteld aan functioneel daderschap: a. het delict kan functioneel worden geïnterpreteerd, b. de verdachte is te beschouwen als een geadresseerde van de overtreden norm en c. de delictshandeling, die door een ander is uitgevoerd, kan aan de verdachte worden toegerekend.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de feitelijke leiding had over de dagelijkse gang van zaken bij het watersportbedrijf en dat zijn taak als leidinggevende meebracht dat hij ervoor diende te zorgen dat de medewerkers van het bedrijf de veiligheidsregels en andere wettelijke voorschriften in acht namen. Gelet hierop is voldaan aan voornoemde eisen voor functioneel daderschap.

Strafbaarheid van het onder 1 primair bewezen verklaarde

Artikel 4 lid 1, aanhef en onder d, Watersportverordening luidt als volgt:

Onverminderd het bepaalde in artikel 3 is het verboden waterskiërs achter een vaartuig aan te slepen of de waterskisport uit oefenen indien naast de schipper van de trekboot zich geen tweede persoon aan boord bevindt, met zijn gezicht gekeerd naar de waterskiër(s), welke persoon ermee belast is de schipper onverwijld te waarschuwen indien zich omstandigheden voordoen, die gevaar of moeilijkheden opleveren of kunnen opleveren.

In dit geval zijn de bestanddelen "waterskiërs" en "waterskiër(s)" uit deze delictsomschrijving niet vervuld. De personen op het watersportobject, aangeduid met "banaan/tube" kunnen niet als waterskiërs worden aangemerkt. Een uitleg van artikel 4 lid 1, aanhef en onder d, Watersportverordening waarbij personen op een banaan/tube als waterskiërs zouden worden aangemerkt, zou een uitleg naar analogie zijn. Bij de uitleg van delictsomschrijvingen is daarvoor geen plaats in het strafrecht.

Het bewezenverklaarde valt ook niet onder enige andere wettelijke delictsomschrijving. Het bewezenverklaarde is dus niet strafbaar. Ter zake daarvan dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde

Het Hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegd, met dien verstande dat:

1. hij, op of omstreeks 21 juli 2015 te Sint Maarten, op of in een openbaar water, zich zodanig heeft gedragen dat de veiligheid op/in het openbaar water in gevaar is gebracht, immers heeft hij, een banaan/tube, althans een waterski-object met daarop één of meer personen laten voorttrekken/slepen, terwijl op de trekboot geen tweede persoon met zijn gezicht gekeerd naar voornoemde banaan/tube, althans voornoemd waterski-object aanwezig was;

2. hij, op of omstreeks 21 juli 2015 te Sint Maarten, [betrokkene], althans een ander, in de uitvoering van het bedrijf waar hij als verdachte op dat moment leiding gaf, heeft laten optreden als schipper van een waterscooter, althans een vaartuig, zonder in het bezit te zijn van een door de havenbeheerder afgegeven geldig bewijs van bekwaamheid.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde

Indien tegen dit verkorte vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling op het vonnis.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde

Anders dan de procureur-generaal heeft aangevoerd, is ook ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde voldaan aan de eisen die worden gesteld aan functioneel daderschap.

Het Hof leest het onder 2 bewezen verklaarde aldus, dat het niet inhoudt dat de verdachte niet in het bezit was van een bewijs van bekwaamheid, maar dat [betrokkene] die als schipper optrad, niet in het bezit daarvan was. Kennelijk heeft ook de verdachte het zo begrepen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 6 lid 1 van de Watersportverordening Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een aan artikel 6 lid 1 van de Watersportverordening voorafgaande verbodsbepaling.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 33 lid 1 van de Binnenvaartverordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een bepaling van de Binnenvaartverordening.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde feiten uitsluiten. Deze feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte voor het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde.

Oplegging van straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf of maatregel wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft als leidinggevende van een watersportbedrijf toegestaan dat in zijn bedrijf een watersportobject, aangeduid als "banaan/tube", met zes personen erop werd voortgetrokken door een waterscooter, terwijl op die waterscooter slechts één persoon aanwezig was, die de waterscooter bestuurde. Er was geen tweede persoon op de waterscooter aanwezig (een "uitkijker") die in de gaten kon houden of alles goed ging met de personen op de banaan/tube. De bestuurder van de waterscooter was ook niet in het bezit van een geldig vaarbewijs. Dit levert een gevaarlijke situatie op. Het is terecht dat daartegen wordt opgetreden.

Ter zitting is gebleken dat de verdachte een boete van NAf 425,00, die was opgelegd aan de bestuurder van de waterscooter ([betrokkene]), feitelijk voor zijn rekening heeft genomen. Ook heeft de verdachte er blijk van gegeven in te zien dat de bewezen verklaarde gedragingen een gevaarlijke situatie opleveren en dat hij als leidinggevende van het watersportbedrijf ervoor dient te zorgen dat een dergelijke situatie zich niet in zijn bedrijf voordoet. Gelet op dit een en ander is het Hof van oordeel dat kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 19 januari 2017 en doet opnieuw recht, als volgt:

verklaart bewezen dat de verdachte hetgeen onder 1 primair is tenlastegelegd, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde niet strafbaar;

ontslaat de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde van alle rechtsvervolging;

verklaart bewezen dat de verdachte hetgeen onder 1 subsidiair en 2 is tenlastegelegd, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

bepaalt dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H. de Doelder, G.C.C. Lewin en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten mondeling uitgesproken op 15 november 2017 en op schrift gesteld op 17 januari 2018.