Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:142

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
EJ 200/15 - ghis 81373 - H 365/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sint Maarten. Gerechtelijke vaststelling vaderschap. Ontvankelijkheid. Verzoek door moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Beschikking no.:

Registratienummer: EJ 200/15 - ghis 81373 - H 365/16

Uitspraak: 15 december 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

[DE MAN],

wonende in het Franse deel van Sint Maarten,

oorspronkelijk verweerder,

thans appellant,

gemachtigde: mr. Z. Bary,

tegen

[DE VROUW],

wonende in het Nederlandse deel van Sint Maarten,

oorspronkelijk verzoekster,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.J. Rogers.

De partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij beroepschrift van 23 november 2016 is de man in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 31 oktober 2016 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA).

Hierbij heeft hij drie grieven tegen de beschikking aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en, naar het Hof begrijpt, het verzoek van de vrouw met betrekking tot het vaderschap alsnog zal afwijzen, kosten rechtens.

1.2

Het beroep is mondeling behandeld op 12 mei 2017. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.3

Zijdens de man is een akte d.d. 4 augustus 2017 ingediend. Hierin verzoekt de man, naar het Hof begrijpt, dat het Hof toestaat dat hij alsnog primair concludeert tot onbevoegdverklaring althans niet-ontvankelijkverklaring.

1.4

Bij akte d.d. 1 september 2017 heeft de vrouw als productie een DNA-rapport in het geding gebracht.

1.5

Bij akte d.d. 17 november 2017 heeft de vrouw zich uitgelaten over de akte van de man d.d. 4 augustus 2017.

1.6

Beschikking is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Van het volgende kan worden uitgegaan. Op 24 februari 2002 is [het kind] (hierna: het kind) geboren. De vrouw is zijn moeder. Niemand heeft erkend de vader van het kind te zijn. Het kind woont bij de vrouw op het Nederlandse deel van Sint Maarten.

2.2

In dit geding heeft de vrouw bij verzoekschrift van 28 september 2015 verzocht, verkort weergegeven, dat het GEA vaststelt dat de man de vader van het kind is en hem veroordeelt tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind van USD 300,00 per maand. Het GEA heeft bij de bestreden beschikking het verzoek met betrekking tot het vaderschap toegewezen en de beslissing op het verzoek met betrekking tot de kosten van verzorging en opvoeding aangehouden in afwachting van een advies van de Voogdijraad.

2.3

De man was in eerste aanleg verweerder. Hij heeft in eerste aanleg geen tegenverzoek gedaan. Hij kan daarom in hoger beroep geen eiswijziging instellen.

2.4

In eerste aanleg is het vaderschap vastgesteld zonder dat er een DNA-onderzoek was verricht. In de loop van het hoger beroep hebben partijen alsnog een DNA-onderzoek doen uitvoeren. Het daarvan opgemaakte rapport is in het geding gebracht en vermeldt als de kans dat de man de biologische vader van het kind is: 99,9999998%.

2.5

Het GEA heeft zichzelf terecht bevoegd geacht om van de verzoeken van de vrouw kennis te nemen op de grond dat het kind in het Nederlandse deel van

Sint Maarten woont.

2.6

Alle grieven houden verband met de omstandigheid dat in eerste aanleg het vaderschap is vastgesteld zonder dat er een DNA-onderzoek was verricht. Vanwege de omstandigheid dat er inmiddels wel een zodanig onderzoek is verricht, zijn de grieven achterhaald en falen zij bij gebrek aan belang.

2.7

Bij akte d.d. 4 augustus 2017 heeft de man het verweer gevoerd dat de moeder ingevolge art. 1:207 lid 1 aanhef en sub a BW niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, omdat zij het verzoek heeft ingediend nadat het kind de leeftijd van twaalf jaren had bereikt. De vrouw heeft op dit verweer gereageerd. Dit verweer is een beroep op een ambtshalve door het Hof te handhaven voorschrift van openbare orde. Daarom is niet van belang in welk stadium van het geding de vader dit verweer heeft gevoerd.

2.8

Het verweer slaagt. Vanaf twaalfjarige leeftijd kan alleen het kind zelf het verzoek doen. Gedurende de minderjarigheid (dus tot achttien jaar) zal het kind moeten worden vertegenwoordigd door een bijzondere curator. Dit kan de Voogdijraad zijn (zie de Memorie van Toelichting bij art. 1:207 BW).

2.9

De ratio van dit wetsvoorschrift is dat vanaf het moment dat het kind de twaalfjarige leeftijd heeft bereikt, de behartiging van het onderhavige belang van het kind niet uitsluitend in de handen van de moeder kan worden gelegd. Daarom kan hier niet worden gesproken van een juridische fictie, zoals door de moeder betoogd, en kan ook niet zonder meer met zekerheid ervan worden uitgegaan dat een bijzondere curator ertoe zal besluiten namens het kind een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in te dienen.

2.10

Het Hof stelt vast dat:

a. vaderloze kinderen in het algemeen een groot belang erbij hebben dat zij een juridische vader krijgen en meestal ook dat hun verwekker hen erkent;

b. uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de biologische vader van het kind is en de man niet langer betwist de verwekker van het kind te zijn; en

c. de man in dit geding geen belang van het kind heeft genoemd dat zich ertegen zou verzetten dat hij het kind erkent of dat gerechtelijk wordt vastgesteld dat hij de vader van het kind is.

Voornoemde vaststellingen kunnen echter niet afdoen aan voornoemd oordeel.

2.11

Voor de goede orde overweegt het Hof dat de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, op de voet van art. 1:394 lid 1 BW verplicht is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. In dit geval is de man daartoe dus verplicht, zonder dat nodig is dat de rechter zijn vaderschap vaststelt. Indien de moeder niettemin wenst dat de rechter het vaderschap van de man vaststelt, kan zij op de voet van art. 1:212 BW een benoeming van een bijzondere curator door het GEA uitlokken. Dit kan de Voogdijraad zijn. De Voogdijraad kan dan als bijzondere curator van het kind een verzoek op de voet van art. 1:207 lid 1 BW doen. Weliswaar kan dat niet op de voet van art. 1:207 lid 1, aanhef en sub c BW, maar dat staat er niet aan in de weg dat het wel kan op de voet van art. 1:207 lid 1, aanhef en sub b BW.

2.12

Het hoger beroep slaagt. De beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd. De vrouw dient alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in het verzoek met betrekking tot het vaderschap. Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij is vastgesteld dat de man de vader is van het kind;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in het verzoek vast te stellen dat de man de vader is van het kind;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.J. van der Poel, G.C.C. Lewin en

H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 15 december 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.