Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:124

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
AR 18/15 - ghis 81616 - H 29/17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bonaire. Vereniging van kaveleigenaren in een bungalowpark. Statuten. Verplichting om mee te betalen aan een nieuw zwembad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 18/15 - ghis 81616 - H 29/17

Uitspraak: 24 oktober 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAREN BUNGALOW PARK EXCLUSIEF,

gevestigd op Bonaire,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: mr. A.F. van Toll,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende op Bonaire,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. E.R. Abdul.

De partijen worden hierna de Vereniging en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 9 augustus 2016 is de Vereniging in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 29 juni 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (verder: GEA), zoals hersteld bij herstelvonnis van dezelfde datum.

1.2

Bij op 19 september 2016 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft de Vereniging elf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij op 8 november 2016 memorie van antwoord, met producties, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van de Vereniging in de proceskosten in hoger beroep.

1.4

Op 12 september 2017 hebben partijen pleitnotities overgelegd. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1

In 1990 hebben twee personen een perceel grond op Bonaire verworven met het doel daarop een bungalowpark aan te leggen. In dat jaar is een verkavelingsplan opgesteld. De grond is verkaveld en het bungalowpark is aangelegd. Het bungalowpark heet "Exclusief" of "Bonaire Exclusief".

In de jaren negentig is in het bungalowpark een zwembad aangelegd.

2.1.2

Een geschrift, volgens de vermelding erop "vastgesteld ter algemene ledenvergadering, gehouden (...) op 30 juli 1900 vijfennegentig", heeft de kennelijke bedoeling statuten of concept-statuten in te houden van een vereniging (hierna: (de statuten van) de Vereniging van 1995). Deze vereniging heeft dezelfde naam als de Vereniging en heeft als doelomschrijving (verkort weergegeven):

a. het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de eigenaren van grondkavels in het verkavelingsplan Bungalow Park Exclusief, en

b. het houden en het exploiteren van het tot het verkavelingsplan behorend zwembad met faciliteiten.

Art. 5 van deze statuten luidt in de getypte vorm:

"LIDMAATSCHAP

1. Lidmaat van de vereniging zijn qualitate qua alle eigenaren – hetzij natuurlijke personen, hetzij rechtspersonen –, welk lidmaatschap aanvangt op de dag van verwerving der eigendom met betrekking tot een kavel.

De vereniging kent geen andere lidmaten.

2. Indien meerdere personen gezamenlijk tot de eigendom met betrekking tot een kavel zijn gerechtigd, is ieder hunner lidmaat.

3. Het lidmaatschap eindigt:

a. door de vervreemding door een lidmaat van zijn eigendom, of aandeel daarin;

b. door overlijden."

Op de in het geding gebrachte kopie van het geschrift staan handgeschreven aantekeningen met de strekking dat art. 5 lid 1 van de statuten als volgt is komen te luiden:

"Lidmaat van de vereniging zijn die eigenaren – hetzij natuurlijke personen, hetzij rechtspersonen – die op de dag van verwerving der eigendom met betrekking tot het kavel, het lidmaatschap hebben verworven.

De vereniging kent geen andere lidmaten."

Het geschrift bevat overgangsbepalingen in art. 15. Daaruit blijkt dat met het geschrift is beoogd de Vereniging van 1995 op te richten of om een concept van een daartoe strekkende akte te zijn. Op de laatste pagina van in het geding gebrachte kopie van het geschrift staan handtekeningen.

2.1.3

Een notariële akte van 11 juli 2006 strekt ertoe dat de Vereniging wordt opgericht. De Vereniging heeft dezelfde naam en dezelfde doelomschrijving als de Vereniging van 1995. Art. 5 lid 1 van de statuten van de Vereniging is gelijkluidend aan art. 5 lid 1 van de statuten van de Vereniging van 1995 in de getypte vorm, dus zonder de handgeschreven aantekeningen. Ook voor het overige vertonen de statuten van de Vereniging een grote mate van gelijkenis met die van de Vereniging van 1995. Art. 15 van de akte van 11 juli 2006 houdt echter andere overgangsbepalingen in, onder meer de bepaling dat het eerste boekjaar aanvangt op de datum van vaststelling van "deze" statuten.

2.1.4

Een notariële akte van 4 mei 2007 strekt ertoe dat de oprichters van het bungalowpark twee percelen grond in het bungalowpark overdragen aan de Vereniging. Op (en in) een van de percelen bevindt zich het zwembad van het bungalowpark. Over het andere loopt een weg.

2.1.5

Een notariële akte van 9 maart 2009 strekt ertoe dat de statuten van de Vereniging worden gewijzigd. Art. 5 van de statuten is daarbij niet gewijzigd.

2.1.6

De Vereniging (of een vereniging met dezelfde naam als de Vereniging) is ingeschreven in het Handelsregister van Bonaire. De inschrijving vermeldt dat 9 maart 2009 de datum van oprichting is.

2.1.7

[geïntimeerde] heeft samen met [betrokkene 1] een perceel in het bungalowpark, plaatselijk bekend als nummer [A], gekocht en op 1 september 2011 geleverd gekregen. [geïntimeerde] heeft ook de percelen met de nummers [B] en [C] gekocht. Die heeft zij op 7 september 2011 geleverd gekregen.

Op elk van de drie percelen ([A], [B] en [C]) bevindt zich een bungalow (geschakeld aan elkaar). In het verkavelingsplan van 1990 vormden de drie percelen gezamenlijk één perceel (kavel [nummer]).

2.1.8

De in dit verband opgestelde koopcontracten maken in art. 7 melding van een vereniging van eigenaars.

De beide transportakten vermelden onder het kopje "levering, registergoed, gebruik", na een omschrijving van het geleverde perceel grond met het daarop gebouwde, het volgende:

"Met alle daarmede in verband staande of daaruit voortvloeiende rechten, aanspraken en verplichtingen, waaronder begrepen het

LIDMAATSCHAP VAN DE OP BONAIRE GEVESTIGDE VERENIGING VAN EIGENAREN BUNGALOWPARK EXCLUSIEF".

Verder vermelden beide transportakten onder het kopje "omschrijving erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen" het volgende (hierna: het kettingbeding):

"Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar gemelde akte waarbij verkoper het verkochte in eigendom verkreeg, waarin woordelijk staat vermeld:

"a. zolang de koper zakelijk gerechtigd is tot het verkochte zal hij zijn

lidmaatschap van voornoemde vereniging van eigenaren onderhouden, zulks

met inachtneming van de statuten en reglementen dier vereniging;

Bedoeld lidmaatschap zal uitsluitend eindigen door het feit van vervreemding

in zakelijk genot van het verkochte door koper.

b. ingeval van vervreemding in zakelijk genot van het verkochte, zal koper aan

zijn rechtsopvolger (...) de verplichting opleggen tezelfder tijd lid te worden

van bedoelde vereniging van eigenaren (...);

c. bij vervreemding in zakelijk genot van het verkochte, zullen de bedingen der

leden a, b en c van dit artikel door de vervreemder van de rechtsverkrijger worden bedongen (...)." "

2.1.9

In juli 2013 heeft er een internetstemming plaatsgehad inzake een voorstel van het toenmalige bestuur van de Vereniging om een nieuw zwembad te laten bouwen. Sommigen, onder wie [geïntimeerde], hebben de rechtsgeldigheid van die stemming betwist. Op 19 oktober 2013 heeft een vergadering plaatsgehad.

Vervolgens is een zwembadcommissie ingesteld. Die werd geleid door [geïntimeerde].

2.1.10

In april 2014 is het toenmalige bestuur van de Vereniging afgetreden.

In 2014 is een nieuw bestuur aangetreden.

2.1.11

Het nieuwe bestuur heeft voorgesteld aan [aannemer] opdracht te geven een nieuw zwembad aan te leggen op basis van een offerte met een bouwsom van US$ 115.000,00. Bij brief van 18 juli 2014 heeft de secretaris van het bestuur de leden uitgenodigd voor een ledenvergadering op 2 augustus 2014 om dit voorstel in stemming te brengen. Indien 2/3de meerderheid van de uitgebrachte stemmen vóór zou zijn, zouden de leden US$ 3.000,00 per kavel moeten betalen, aldus de uitnodigingsbrief.

In een bulletin van 28 juli 2014 heeft het bestuur het voorstel toegelicht. In het bulletin staat vermeld dat het vorige bestuur reeds US$ 25.000,00 aan [aannemer] had betaald.

Volgens de notulen van de ledenvergadering waren er 35 kavels vertegenwoordigd en waren er 26 stemmen voor, zodat het voorstel was aangenomen. Wel was het bestuur van mening dat er ondanks de statutair benodigde 2/3de meerderheid te weinig draagvlak voor het voorstel was en dat de leden die geen stem hadden uitgebracht, in de gelegenheid zouden worden gesteld dat alsnog te doen.

In een nieuwsbrief van 26 oktober 2014 heeft het bestuur medegedeeld te hebben besloten niet met [aannemer] verder te gaan en thans in onderhandeling te zijn met een andere bouwer. Volgens deze nieuwsbrief zullen alle leden een bijdrage moeten storten van US$ 3.000,00.

2.1.12

Bij e-mailbericht van 15 december 2014 aan het bestuur van de Vereniging heeft [geïntimeerde] verklaard dat zij haar lidmaatschap van de Vereniging opzegt.

2.2

In dit geding heeft de Vereniging gevorderd, verkort weergegeven, dat het GEA:

a. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] gerechtigd is tot drie percelen;

b. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] in haar hoedanigheid lid is voor elk van die drie percelen;

c. voor recht verklaart dat het lidmaatschap van [geïntimeerde] slechts kan eindigen op de wijzen als bepaald in art. 5 lid 3 van de statuten van 9 maart 2009;

d. [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van US$ 13.900,00 in hoofdsom, met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente;

e. [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten.

2.3.

Het in de vordering onder d genoemde bedrag is als volgt opgebouwd:

d1. Ledencontributie 2013 voor één perceel US$ 700,00

d2. Ledencontributie 2014 voor drie percelen 2.100,00

d3. Ledencontributie 2015 voor drie percelen 2.100,00

d4. Bijdrage zwembadaanleg voor drie percelen 9.000,00

------------------ +

Totaal US$ 13.900,00

===========

2.4

Het GEA heeft de vorderingen afgewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht.

2.5

De transportakten waarbij [geïntimeerde] de percelen geleverd heeft gekregen, vermelden dat de omschreven percelen worden geleverd "met (...) het lidmaatschap" van de daar omschreven vereniging. Onbetwist staat vast dat ten tijde van het passeren van die transportakten (in 2011) de akten van

11 juli 2006 en 9 maart 2009 reeds waren gepasseerd en dat de Vereniging in verband met het bungalowpark actief was, en dat zij de naam heeft die in de transportakten staat vermeld (zij het dat in haar statuten de term "bungalow park" als twee woorden is gespeld), en niet is gesteld of gebleken dat er in 2011 daarnaast een andere vereniging met dezelfde naam actief was. Gelet hierop moest [geïntimeerde] redelijkerwijs begrijpen en moet het ook naar objectieve maatstaven voor derden duidelijk worden geacht dat [geïntimeerde] bij het overgedragen krijgen van de percelen lid is geworden van de Vereniging.

De Vereniging is weliswaar geen partij bij de koop van de percelen (en ook niet bij het kettingbeding), maar zij is wel zo nauw daarbij betrokken dat zij er jegens [geïntimeerde] een beroep op kan doen dat [geïntimeerde] lid is geworden van de Vereniging. De Vereniging heeft het lidmaatschap van [geïntimeerde] ook aanvaard.

Dit blijkt uit productie 1 bij conclusie van dupliek. Dat is een

e-mailbericht waarbij de toenmalige voorzitter van de Vereniging [geïntimeerde] welkom heet. Overigens vloeit uit het e-mailbericht van [geïntimeerde] van

15 december 2014, waarin zij verklaarde haar lidmaatschap op te zeggen, voort dat zij ook zelf ervan uitging dat zij lid was van de Vereniging.

[geïntimeerde] is dus in 2011 lid geworden van de Vereniging. Voor dit oordeel is niet van belang of het kettingbeding een derdenbeding is en of het als zodanig door de Vereniging is aanvaard.

2.6

Bij voorgaande oordelen is ook niet van belang of de Vereniging van 1995 rechtsgeldig is opgericht, of de Vereniging van 1995 in 2011 nog bestond, of de Vereniging van 1995 te vereenzelvigen is met de Vereniging en of de Vereniging moet worden aangemerkt als rechtsopvolger van de Vereniging van 1995. Overigens leidt het Hof uit de bij memorie van grieven overgelegde brief van 30 juli 1995 af dat het hiervoor in rov. 2.1.2 omschreven geschrift, in de getypte vorm, het concept is van de statuten, zoals dat is opgesteld door de in die brief bedoelde commissie, en dat dit concept bij die brief ter goedkeuring is toegezonden aan perceelseigenaren. Waarschijnlijk is dit concept later van de handgeschreven bijschrijvingen en handtekeningen voorzien, en dan is het dus, anders dan het vermeldt, waarschijnlijk niet vastgesteld op een op 30 juli 1995 gehouden algemene ledenvergadering. Ook is duidelijk dat deze tekst als voorbeeld heeft gediend bij de redactie van de statuten in de akte van 11 juli 2006. Voor de beoordeling van dit geschil is dit alles verder niet van belang.

2.7

Vast staat dat de Vereniging geen vereniging van eigenaars is in de zin van art. 5:124 lid 1 BW. Art. 5:125 lid 2 BW, dat bepaalt dat iedere appartementseigenaar van rechtswege lid is, is dus niet van toepassing.

Dat doet er echter niet aan af dat [geïntimeerde] in 2011 lid is geworden van de Vereniging. Door lid te worden van de Vereniging heeft zij zich gebonden aan de statuten van de Vereniging.

2.8

Doordat [geïntimeerde] aan de statuten gebonden is, is zij ook gebonden aan art. 5 daarvan. Die bepaling moet aldus worden uitgelegd dat een opzegging door een lid er niet aan in de weg staat dat de aan het lidmaatschap verbonden verplichtingen op het lid blijven rusten zolang het lid gerechtigde is tot het registergoed. Aldus uitgelegd, is deze statutaire bepaling rechtsgeldig.

Art. 2:78 lid 2 BW, dat betrekking heeft op de vereniging in het algemeen, bepaalt dat de statuten dit kunnen bepalen. Het Hof zal met deze uitleg rekening houden bij de uit te spreken verklaring voor recht.

2.9

De Vereniging meent dat [geïntimeerde] driemaal de ledencontributie verschuldigd is, omdat zij drie percelen in eigendom heeft. [geïntimeerde] meent daarentegen dat de statuten aldus moeten worden uitgelegd dat zij (indien zij al ledencontributie verschuldigd is) slechts eenmaal de ledencontributie verschuldigd is, aangezien haar eigendom slechts één kavel van het oorspronkelijke verkavelingsplan omvat. Hiertoe heeft zij verwezen naar art. 3 en art. 7 lid 10 sub c van de statuten.

Art. 3 van de statuten spreekt van eigenaren van "grondkavels in het verkavelingsplan Bungalow Park exclusief".

Art. 7 lid 10 sub c van de statuten bepaalt:

"ingeval een kavel meerdere eigenaren heeft, [kan] het stemrecht slechts door een hunner – ter eigen keuze – (...) worden uitgeoefend."

2.10

Naar het oordeel van het Hof moeten de statuten aldus worden uitgelegd dat in geval van splitsing van een kavel van het oorspronkelijke verkavelingsplan, uit ieder deelperceel een lidmaatschap met stemrecht voortvloeit. Die uitleg leidt naar objectieve maatstaven tot de meest aannemelijke rechtsgevolgen. Weliswaar verwatert dan door een splitsing van een kavel de invloed van de overige leden (omdat het aantal leden toeneemt), maar daar staat tegenover dat niet valt in te zien waarom de eigenaar van een deelperceel en de eigenaar van een ander deelperceel één gezamenlijk stemrecht zouden moeten hebben, terwijl zij ieder afzonderlijk op hun deelperceel een volwaardige bungalow met gebruiks- en verhuurmogelijkheden kunnen hebben.

Art. 7 lid 10 sub c van de statuten ziet op de situatie dat meer personen een kavel in onverdeelde eigendom hebben (zoals [geïntimeerde] en [betrokkene 1] nummer [A] in gezamenlijke eigendom hebben). In die situatie is het wel een aannemelijk rechtsgevolg dat slechts één van hen stemrecht kan uitoefenen.

Ten tijde van de verwerving door [geïntimeerde] in 2011 was er sprake van drie afzonderlijke percelen, die elk afzonderlijk verkocht en overgedragen hadden kunnen worden en dan, gelet op het voorgaande, ieder afzonderlijk voor de nieuwe eigenaar aanspraak hadden gegeven op stemrecht in de Vereniging. Gelet daarop dienen de statuten aldus te worden uitgelegd dat [geïntimeerde] het drievoud aan ledencontributie moet betalen van hetgeen een lid moet betalen dat slechts één perceel in eigendom heeft. Hieraan doet niet af dat de drie percelen in het verkavelingsplan van 1990 gezamenlijk één perceel vormden.

De omstandigheid dat de eigenaar van een uit een splitsing ontstaan deelperceel een volwaardige bungalow kan hebben, maakt het ook redelijk dat hij of zij uit dien hoofde volledige contributie dient te betalen, en dat maakt aannemelijk dat het ook zo beoogd is.

Voor een andere uitleg dan hiervoor gegeven, is onvoldoende gesteld. Aan bewijslevering komt het Hof dus niet toe.

2.11

Op grond van het voorgaande is de vordering ter zake van de ledencontributie (betaling van US$ 4.900,00) toewijsbaar.

2.12

[geïntimeerde] heeft betoogd dat zij geen bijdrage voor de vervanging van het zwembad verschuldigd is, omdat het zwembad geen deel uitmaakt van de basisstructuur van het bungalowpark, maar van de centrumvoorzieningen. Zij heeft daartoe een beroep gedaan op een arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 19 april 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2225 (Resort Arcen), waarin is overwogen dat een zwembad niet kan worden gerekend tot de basale voorzieningen van een bungalowpark (rov. 4.5.5.1). Dienaangaande geldt het volgende.

2.13

In de door [geïntimeerde] aangehaalde zaak heeft het hof 's-Hertogenbosch (in rov. 4.5.3) verwezen naar de nrs. 12 en verder van de conclusie van Procureur-Generaal mr. A.S. Hartkamp voor HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3997, NJ 2004/34 (Caribic/Town House). In die Caribische zaak ging het om een complex van twaalf villa's op Sint Maarten en een stichting die tot doel had de gemeenschappelijke belangen van de villa-eigenaren te behartigen. Bijna alle villa-eigenaren waren 'participants' van de stichting. De villa-eigenaar tegen wie geprocedeerd werd, was geen 'participant'. De conclusie van de Procureur-Generaal vermeldt dat het Hof een bijzondere rechtsverhouding had aangenomen die mede door de redelijkheid en billijkheid werd beheerst. Dit had het Hof geconcretiseerd en gemotiveerd aan de hand van de gronden voor het bestaan van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, waarbij de omvang van de verrijking was gerelateerd aan de bijdrageregeling van het appartementsrecht. Die aanpak achtte de Procureur-Generaal aantrekkelijk (onder 14). De Hoge Raad vernietigde de vonnissen van het Hof echter op een thans niet ter zake doende processuele grond.

In de door [geïntimeerde] aangehaalde zaak ging het hof 's-Hertogenbosch ervan uit dat het lidmaatschap van de in die zaak procederende vereniging niet verplicht was (rov. 4.3.3) en dat de centrumvoorzieningen waren uitgebreid nadat sommige procespartijen eigenaren waren geworden (rov. 4.4.1). In zoverre verschilt die zaak van de onderhavige zaak. Bovendien heeft het hof 's-Hertogenbosch niet geoordeeld dat er een algemeen toepasbare rechtsregel bestaat dat particuliere eigenaren niet gehouden zijn bij te dragen in de kosten van centrumvoorzieningen die geen deel uitmaken van de basisinfrastructuur van een bungalowpark (zie rov. 4.5.5.1 van dat arrest).

Het door [geïntimeerde] in deze zaak gemaakte onderscheid tussen basisinfrastructuur en andere centrumvoorzieningen is dus niet zonder meer beslissend. Het Hof acht het ook niet zinvol dat (niet-wettelijke) onderscheid in deze zaak te maken.

2.14

Uit het overgelegde verkavelingsplan van 1990 en de kadastrale tekening van 2015 leidt het Hof af dat bungalowpark Exclusief op grond van haar uiterlijke kenmerken een eenheid vormt. In het bungalowpark bevindt zich een zwembad dat beschikbaar is voor gemeenschappelijk gebruik.

In het Caribische deel van het Koninkrijk is het naar algemene ervaringsregels niet ongebruikelijk (en niet overdreven luxueus) dat een bungalowpark voorziet in een voor gemeenschappelijk gebruik beschikbaar zwembad. Ook is een algemene ervaringsregel dat zwembaden niet het eeuwige leven hebben en dat er op enig moment een vrij aanzienlijke investering nodig is om een oud zwembad te renoveren of te vervangen.

Ten tijde van de verwerving door [geïntimeerde] van de percelen in 2011 was het al zo dat het bungalowpark een eenheid vormde en een voor gemeenschappelijk gebruik beschikbaar zwembad had, dat er reeds sinds de jaren negentig lag. Niet is gesteld dat [geïntimeerde] ten tijde van de verwerving van de percelen niet op de hoogte was of redelijkerwijs had kunnen zijn van de aanwezigheid van het zwembad, van de staat daarvan en van de inhoud van de statuten van de Vereniging, voor zover van belang voor haar positie met betrekking tot het zwembad.

De aanwezigheid van het zwembad heeft een positieve invloed op de waarde en de verhuurbaarheid van de door [geïntimeerde] gekochte percelen met bungalows. Indien het zwembad wordt gerenoveerd of vervangen, profiteert [geïntimeerde] daar ook van. Dit geldt in mindere mate indien zij haar bungalows voor langere termijn verhuurt aan personen die geen of minder belangstelling hebben voor een zwembad, maar daar kiest zij dan zelf voor. Indien de renovatie of vervanging van het zwembad op kosten van de Vereniging zou gebeuren zonder dat [geïntimeerde] eraan bijdraagt (en uiteindelijk dus op kosten van de andere perceeleigenaren), zou zij worden verrijkt zonder dat daar een rechtvaardiging voor bestaat.

Gelet op dit een en ander behoorde [geïntimeerde] zich bij de verwerving van de percelen te realiseren dat zij zich in een situatie begaf waarin zij weliswaar gebruik zou mogen maken van een gemeenschappelijk zwembad, maar waarin zij ook op enig moment zou moeten bijdragen aan renovatie of vervanging van het zwembad.

2.15

Niet is betwist dat het zwembad aan vervanging toe is en dat een bijdrage van US$ 3.000,00 per lid redelijkerwijs noodzakelijk is om tot een adequate vervanging te kunnen komen.

2.16

Art. 7 lid 12 van de statuten van 2009 bepaalt dat 2/3de meerderheid van de stemmen nodig is voor een rechtsgeldig besluit van de ledenvergadering. In de statuten van 2006 was een gewone meerderheid voldoende. Onbetwist staat vast dat het besluit om een bijdrage van US$ 3.000,00 per lid voor het zwembad te verlangen, met een 2/3de meerderheid van de stemmen is genomen. Een dergelijk besluit is niet in strijd met art. 4 van de statuten, dat niet alleen voorziet in jaarlijks vast te stellen ledencontributies, maar ook in overige wettige financiële verkrijgingen.

Ook dit besluit moet aldus worden uitgelegd dat [geïntimeerde] het drievoud moet betalen van hetgeen een lid moet betalen dat slechts één perceel in eigendom heeft.

2.17

De overige verweren tegen de vordering tot betaling van US$ 9.000,00 als bijdrage voor het zwembad zijn onvoldoende uitgewerkt om succes te kunnen hebben. Niet van belang is dat geen sprake is van mandeligheid; niet van belang is dat bij de overdracht van het zwembad in 2007 de Vereniging vertegenwoordigd is geweest door een mondelinge gevolmachtigde; niet voldoende duidelijk is gemaakt wat voor de toewijsbaarheid van de vorderingen het belang is van de vraag of de statutenwijziging van 2009 berust op een unaniem besluit van de ledenvergadering.

2.18

Het verweer van [geïntimeerde] tegen de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten slaagt echter wel. De Vereniging heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat sprake is van buitengerechtelijke werkzaamheden, dat wil zeggen: werkzaamheden waarvoor de proceskostenveroordeling geen vergoeding insluit.

2.17

Het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. De vorderingen moeten alsnog worden toegewezen als na te melden. [geïntimeerde] zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [geïntimeerde] zakelijk gerechtigde is tot drie percelen in Bungalowpark Exclusief Bonaire;

verklaart voor recht dat voor elk van die drie percelen afzonderlijk geldt dat de aan het lidmaatschap van de Vereniging verbonden verplichtingen op [geïntimeerde] blijven rusten zolang zij zakelijk gerechtigde tot het desbetreffende perceel is;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van US$ 13.900,00 aan de Vereniging, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van de Vereniging gevallen en begroot op US$ 387,58 aan verschotten en US$ 2.456,00 aan salaris voor de gemachtigde;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Vereniging gevallen en tot op heden begroot op US$ 1.469,15 aan verschotten en US$ 2.520,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 24 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.