Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:121

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
AR 874/14 - ghis 80819 - H 378/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aruba. Levering beton. Opvragen gedingstukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 874/14 - ghis 80819 - H 378/16

Uitspraak: 19 september 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschappen

1. 21 CARIBBEAN HOMEBUILDERS N.V.,

2. KELKY GEEL REALTY N.V.,

beide gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk eiseressen,

thans appellanten,

gemachtigde: mr. R.T.J. M. Oomen,

tegen

de naamloze vennootschap

ATCO CONCRETE PRODUCTS N.V.,

gevestigd Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. P.R.C. Brown en R.E. Blaauw.

De partijen worden hierna CHB, Kelky en Atco genoemd. CHB en Kelky worden gezamenlijk CHB c.s. genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 3 mei 2016 zijn CHB c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 23 maart 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA).

1.2

Bij op 13 juni 2016 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben CHB c.s. vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht.

Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, verkort weergegeven, voor recht zal verklaren dat Atco aansprakelijk is, Atco

zal veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat, en haar zal veroordelen in de kosten van beide instanties, met rente, uitvoerbaar bij voorraad.

1.3

Bij memorie van antwoord, met een productie, heeft Atco de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van CHB c.s. in de kosten van het hoger beroep.

1.4

Op 28 maart 2017 hebben partijen pleitnotities overgelegd, met producties. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1

Kelky is een 100%-dochtervennootschap van CHB. [bestuurder 1] en [bestuurder 2] zijn de bestuurders van zowel CHB als Kelky.

2.1.2

CHB heeft als erfpachter van de grond en projectontwikkelaar het condominiumcomplex Oceania Residences in Aruba ontwikkeld.

In opdracht van CHB heeft Kelky als hoofdaannemer het complex gebouwd.

2.1.3

In 2003-2004 is de eerste fase van het project uitgevoerd. Dit betrof de bouw van de gebouwen 1 en 2. Atco heeft beton geleverd voor deze fase van het project.

2.1.4

In 2007-2009 is de tweede fase van het project uitgevoerd. Dit betrof de gebouwen 3, 4 en 5.

2.1.5

Bij offerte van 20 februari 2007 (productie 2 bij conclusie van antwoord) heeft Atco onder meer het volgende geschreven aan [bestuurder 2]:

"As per our conversation last week, we are pleased to inform you the following prices and services Atco can provide based on the information that you gave us for the phase 2 project of Oceania Residences at Eagle Beach.

Concrete:

- B-15 211m3 Afl. 275,- p/m3

- B-20 2.217m3 Afl. 288,- p/m3

- B-25 1.750m3 Afl. 307,- p/m3

- B-25 pump 3.916m3 Afl. 326,- p/m3"

2.1.6

Bij factuur 102878 van 9 juli 2007 (productie III bij inleidend verzoekschrift) heeft Atco onder meer Afl. 35.504,00 in rekening gebracht voor de levering van 112 m3 beton van het type B-25.

2.1.7

Bij e-mailbericht van 23 juli 2007 (productie 8 bij conclusie van antwoord) heeft [bestuurder 2] aan Atco bericht:

"The total amount of concrete needed for the structure is the same as informed in our last meeting and reflected in your quote (aprox. 8000 m3). The difference is that we want to concentrate said amount this year instead of using part of it in 2008."

2.1.8

Volgens CHB c.s. begonnen zich eind 2011 corrosieverschijnselen voor te doen en ontstonden er begin 2012 scheuren in het beton van gebouwen die in de tweede fase van het project zijn gebouwd. In maart 2012 hebben CHB c.s. Venezolaanse en Amerikaanse deskundigen ingeschakeld om onderzoek te doen naar deze (gestelde) problemen, die volgens hen op betonrot wijzen.

2.1.8

Op 14 juni 2012, 27 juni 2012 en 27 juli 2012 hebben [bestuurder 1] en [bestuurder 2] mondeling bij vertegenwoordigers van Atco geklaagd over de kwaliteit van het geleverde beton. Volgens hen had het beton een te hoog chloridegehalte (zoutgehalte).

2.1.9

Op 12 of 17 juli 2012 heeft een aan CHB c.s. gelieerde entiteit opdracht gegeven aan het bedrijf Concorr uit Virginia, Verenigde Staten van Amerika, om reparaties uit te voeren volgens een zogenaamd kathodisch beschermplan.

2.2

In dit geding hebben CHB c.s. gesteld dat het door Atco voor de tweede fase geleverde beton ondeugdelijk is. Zij hebben gevorderd dat de rechter voor recht verklaart dat Atco daarvoor aansprakelijk is en Atco veroordeelt tot schadevergoeding, op te maken bij staat.

2.3

Het GEA heeft de vorderingen afgewezen. Kort gezegd heeft het GEA daartoe het volgende overwogen. Het leveren van ondeugdelijk beton levert geen wanprestatie jegens CHB op en gesteld noch gebleken is waarom het een onrechtmatige daad jegens CHB zou opleveren (rov. 2.4). Kelky heeft onvoldoende gesteld hoe, wanneer en ter zake waarvan zij Atco aansprakelijk heeft gesteld (rov. 2.5.1) en heeft niet gesteld dat zij de reparatiekosten zal dragen (rov. 2.5.2). Daarom is onvoldoende onderbouwd dat Kelky schade lijdt of zal lijden (rov. 2.5.3).

2.4

Het Hof heeft bij de stukken niet de producties V tot en met X aangetroffen, behorende bij het inleidende verzoekschrift. CHB c.s. wordt verzocht die bij akte in het geding te brengen, zonder nader commentaar.

Een antwoordakte is niet nodig. In afwachting daarvan houdt het Hof ieder oordeel aan.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van 17 oktober 2017 voor akte aan de zijde van CHB c.s. (zie rov. 2.4);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 19 september 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.