Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:120

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
AR 49018/11 - H 147/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2016:110. Verdeling nalatenschap. Uitsluitingsclausule. Oproepingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 49018/11 - H 147/16

Uitspraak: 24 oktober 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

1. [appellante 1],

2. [appellante 2],

3. [appellante 3],

allen wonende in Curaçao,

oorspronkelijk eiseressen,

thans appellantes,

gemachtigde in hoger beroep: aanvankelijk mr. R.M.L. Conquet,

thans procederende in persoon,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

2. [geïntimeerde 2],

wonende in Rotterdam, Nederland,

oorspronkelijk gedaagden,

thans geïntimeerden,

niet verschenen in hoger beroep,

met als verdere belanghebbende:

[belanghebbende],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

niet verschenen.

Appellantes zullen ook [appellantes] worden genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 16 augustus 2016 (hierna: het tussenvonnis) heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen om appellanten in de gelegenheid te stellen een verklaring van erfrecht in het geding te brengen.

1.2

Er zijn brieven d.d. 9 september 2016, 20 oktober 2016, 8 november 2016 en 6 maart 2017 van [appellante 1] ingekomen, (merendeels) mede namens [appellante 2] en [appellante 3].

1.3

Er zijn (met behulp van zaakwaarnemer [zaakwaarnemer] opgestelde) akten van [appellantes] ingekomen, bestemd voor de rolzittingen van 13 december 2016 en 27 juni 2017. Laatstbedoelde akte bevat als bijlage een door [appellante 1], mede namens [appellante 2] en [appellante 3], ondertekende schriftelijke verklaring.

1.4

Bij de stukken bevindt zich een schriftelijke verklaring van 5 juni 2017 van notaris [notaris] (hierna: de notaris). Kennelijk is deze verklaring tegelijk overgelegd met de voor de rolzitting van 27 juni 2017 bestemde akte.

1.5

Op 4 augustus 2017 is een (voor de rolzitting van 27 juni 2017 bedoelde) akte met producties ingekomen, afkomstig van [appellante 2].

1.6

Op de rol van 12 september 2017 is de zaak verwezen voor vonnis.

De datum van uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

De rechter kan een beslissing over de verdeling van een nalatenschap slechts geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn. De rechter dient gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog op te roepen. Indien de partij die de vordering heeft ingesteld, daar onvoldoende aan meewerkt, kan dat leiden tot haar niet-ontvankelijkverklaring (vergelijk: HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411).

2.1.1

Op 26 september 2011 is [gemachtigde 1] op de rolzitting van het GEA verschenen als gemachtigde van [geïntimeerde 2]. Op enig moment heeft [gemachtigde 2] namens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in eerste aanleg een ongedateerd gedingstuk ingediend, getiteld "antwoord akte". Vermoedelijk dateert dit stuk van 2 april 2012 en heeft het GEA het aangemerkt als een conclusie van antwoord. Uit deze omstandigheden kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in hoger beroep niet zouden behoeven te worden opgeroepen of dat zij als deugdelijk opgeroepen in hoger beroep zouden moeten worden beschouwd.

2.1.2

Op 17 maart 2016 is getracht de voor [geïntimeerde 1] bestemde akte van appel en memorie van grieven te betekenen door een exploot te doen bij de officier van justitie in Curaçao. Het voor [geïntimeerde 1] opgegeven adres is [adres] te Rotterdam. Er bevinden zich geen stukken in het dossier die de juistheid hiervan kunnen bevestigen (het lijkt het adres van [geïntimeerde 2] te zijn). Van [geïntimeerde 1] is niets vernomen. Deze wijze van betekening voldoet niet aan de eisen die de Hoge Raad stelt in HR 9 juni 2016, ECLI:NL:HR:2017:1059.

2.1.3

De voor [geïntimeerde 2] bestemde akte van appel en memorie van grieven zijn betekend door een exploot te doen bij de officier van justitie in Curaçao. Het voor [geïntimeerde 2] opgegeven adres is eveneens [adres] te Rotterdam.

Bij e-mailbericht van 24 mei 2016 heeft [betrokkene 1], ambulant woonbegeleider in Rotterdam, bericht dat [geïntimeerde 2] het niet eens is met de verkoop van het ouderlijk huis en gevraagd hoe [geïntimeerde 2] zijn mening over de zaak schriftelijk kenbaar kan maken.

Hieruit kan worden afgeleid dat de akte van appel en de memorie van grieven [geïntimeerde 2] hebben bereikt. Dat wil echter niet zeggen dat hij geacht moet worden in de procedure te zijn verschenen, laat staan dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad verweer te voeren. Evenmin kan het bericht van [betrokkene 1] aldus worden opgevat dat haar e-mailadres voor de rest van deze procedure als contactadres kan worden gebruikt. Een ambulant woonbegeleider heeft immers niet de taken van een procesgemachtigde.

2.1.4

Tot nog toe is niet getracht [belanghebbende] op te roepen. Zoals hierna zal worden besproken, verzetten [appellantes] zich tegen de gedachte dat hij medegerechtigde tot de nalatenschap zou zijn, maar is er minst genomen een reële mogelijkheid dat hij wel als zodanig moet worden beschouwd. Reeds daarom moet hij als belanghebbende in deze procedure worden aangemerkt. Hij dient dus alsnog te worden opgeroepen voordat de rechter op de vorderingen van [appellantes] kan beslissen. Volgens het geschrift van 18 september 2012 van de Burgerlijke Stand (bijlage 5 van de in eerste aanleg ingediende pleitnota) woont [belanghebbende] op het adres [adres te Curaçao].

2.2

Het Hof heeft in het tussenvonnis al enige voorlopige oordelen gegeven. Het Hof ziet geen aanleiding thans anders te oordelen en geeft nog de volgende toelichting.

2.3

Zoals in het tussenvonnis ook staat geciteerd, bevat het testament van de vader van [appellantes] de volgende tekst:

"IV. Ik bepaal dat al hetgeen uit mijn nalatenschap zal worden verkregen niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen als bedoeld in het Eerste Boek van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen, waarin de verkrijgers verkeren of mochten komen te verkeren, evenmin als de vruchten ervan."

Terecht noemen [appellantes] deze bepaling een uitsluitingsclausule. Het Hof zal de bepaling ook zo noemen.

2.4

Anders dan [appellantes] blijven volhouden, kan de uitsluitingsclausule niet zo worden uitgelegd dat aangetrouwde familie nooit kan meedelen in de nalatenschap van hun vader. De uitsluitingsclausule bevat de woorden "gemeenschap van goederen". De clausule heeft tot gevolg dat het aandeel van [betrokkene 2] in de nalatenschap van haar vader niet in de huwelijksgoederengemeenschap met [belanghebbende] is gevallen. De clausule heeft echter niet tot gevolg dat [belanghebbende] het aandeel van [betrokkene 2] in de nalatenschap van haar vader niet van [betrokkene 2] kan erven. Het Hof heeft dit al voorshands geoordeeld in rov. 2.5 ad b van het tussenvonnis, en de notaris heeft het onderschreven in zijn verklaring van 5 juni 2017.

2.5

Nu [appellantes] desondanks blijven volhouden dat [belanghebbende] niet in de opbrengst van de woning aan [adres] dient mee te delen, acht het Hof het niet verantwoord dat [appellantes] gemachtigd worden deze woning te verkopen, zeker niet zonder een voorziening die voorkomt dat [appellantes] vrijelijk over de verkoopopbrengst zouden komen te beschikken. Het zou wellicht anders zijn als [appellantes] eraan zouden meewerken dat de verkoopopbrengst op een derdengeldenrekening van de notaris zou worden gestort, om pas te worden uitgekeerd nadat de nalatenschap is verdeeld na deugdelijke oproeping van alle gerechtigden.

Maar ook dit spreekt helemaal niet vanzelf, mede gelet op de omstandigheid dat [geïntimeerde 2] heeft laten weten dat hij zich verzet tegen de verkoop en hij geen behoorlijke gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.

2.6

Hetgeen is gesteld over het rechttrekken van onrechtmatig verkregen gelden, waaraan het Hof onder rov. 2.9 van het tussenvonnis reeds een overweging heeft gewijd, is ook na het tussenvonnis onvoldoende duidelijk geworden. Het zou overigens waarschijnlijk in strijd met de eisen van een goede procesorde zijn als deze kwestie in de onderhavige verdelingszaak beoordeeld zou worden.

2.7

Het ziet er dus naar uit dat geen van de vorderingen van [appellantes] kan worden toegewezen. Het Hof zal echter een comparitie (mondelinge behandeling) gelasten, ten overstaan van een meervoudige kamer van het Hof. In dit stadium van de procedure is het voldoende dat [appellante 1] verschijnt, maar de overige appellanten, geïntimeerden en belanghebbende, zijn uiteraard ook welkom. Er zal echter in dit stadium geen moeite worden gedaan ze op te roepen. Het Hof wenst in overleg met (in elk geval) [appellante 1] te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om op de grondslag van de vordering te beslissen op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van de overige gerechtigden in de nalatenschap (vergelijk: HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:939).

B E S L I S S I N G

Het Hof:

beveelt een comparitie van partijen op dinsdag 7 november [2017] om 9.00 uur;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 16 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.