Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:113

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
15-09-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
KG 83062/17 - HAR 38/17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçao. Schorsing tenuitvoerlegging. Ontruiming huurgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:

Registratienummer: KG 83062/17 - HAR 38/17

Uitspraak: 15 september 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

op de vordering tot schorsing in de zaak in kort geding van:

Ludwig Johannes PINEDO,

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellant,

eiser tot schorsing,

gemachtigde: mr. S.C. Larmonie,

tegen

1. [verweerder 1],

2. [verweerster 2],

3. [verweerster 3],

4. [verweerster 4],

allen wonende in Curaçao,

oorspronkelijk eisers,

thans geïntimeerden,

verweerders tegen de vordering tot schorsing,

gemachtigde: mr. C.L. Taylor.

De partijen worden hierna [eiser] en [verweerders] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 14 augustus 2017 is [eiser] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen in kort geding gewezen en op 31 juli 2017 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).

1.2

Bij op 21 augustus 2017 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift, met producties, heeft [eiser] gevorderd, samengevat weergegeven, dat het Hof, uitvoerbaar bij voorraad, de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis schorst.

1.3

Bij op 6 september 2017 ingekomen verweerschrift, met producties, hebben [verweerders] geconcludeerd tot afwijzing van de hiervoor in rov. 1.2 bedoelde vordering, kosten rechtens, uitvoerbaar bij voorraad.

1.4

Op 13 september 2017 hebben partijen pleitnotities ingediend. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Bij de beoordeling van een vordering op de voet van art. 272 Rv moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Hierbij is een belangrijk gezichtspunt dat het GEA de vordering toewijsbaar heeft geoordeeld, en dat moet worden voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen wordt gebezigd als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Bij de afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing.

Indien het GEA zijn beslissing tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft gemotiveerd, zal de veroordeelde die schorsing van de tenuitvoerlegging wenst, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door het GEA gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van het GEA hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Indien een dergelijke motivering ontbreekt, geldt die eis niet.

2.2

In voorgaand toetsingskader ligt besloten dat de vordering toegewezen wordt, indien degene die de veroordeling verkreeg, mede gelet op de belangen aan de zijde van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het ten uitvoer te leggen vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de veroordeelde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

2.3

In dit kort geding heeft het GEA [eiser] bevolen om na betekening van het vonnis de ten processe bedoelde percelen en opstallen uiterlijk op

31 augustus 2017 te ontruimen. Het betreft percelen en opstallen waar [eiser] sinds lange tijd voertuigen repareert en autowrakken stalt.

Hetgeen ontruimd moet worden, maakt deel uit van gronden die het Land op basis van ministeriële beschikkingen van 20 februari 2017 en in mei 2017 gesloten huurovereenkomsten aan [verweerders] verhuurt, dat wil zeggen: aan ieder van hen een gedeelte ervan. Volgens de ministeriële beschikkingen moeten [verweerders] het gehuurde binnen zes maanden na het aangaan van de huurovereenkomst omheinen en daadwerkelijk aanvangen met

"de beoefening van landbouw". Als zij dat niet doen, lopen zij het risico dat

de huurovereenkomsten als ontbonden zullen worden beschouwd.

2.4

Weliswaar heeft het GEA de beslissing tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet uitdrukkelijk gemotiveerd, maar het heeft wel uitdrukkelijk gemotiveerd waarom het tot een op 31 augustus 2017 aflopende ontruimingstermijn heeft besloten. Die motivering komt neer op een belangenafweging. Uit die motivering vloeit ook de (in kort geding gebruikelijke) beslissing voort het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.5

Het Hof verenigt zich met de door het GEA gegeven belangenafweging. Weliswaar heeft [eiser] een zwaarwegend belang bij het kunnen voortzetten van zijn activiteiten op het terrein, maar het belang van [verweerders] niet het risico te lopen hun status als huurder te verliezen, weegt zwaarder. [eiser] heeft ook geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd aan zijn vordering tot schorsing.

De vordering tot schorsing moet dus worden afgewezen. De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot het eindvonnis in het hoger beroep.

2.6

Voor de goede orde wijst het Hof erop dat de partij die door dreiging met executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de wederpartij heeft gedwongen tot nakoming van dat vonnis voordat dit in kracht van gewijsde is gegaan, in beginsel onrechtmatig handelt en schadeplichtig is wanneer het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd. In dat verband verwijst het Hof ook naar rov. 4.5 van het vonnis van het GEA, waarin het GEA de mogelijkheid heeft genoemd dat [verweerders] het Land verzoeken om een verlenging van de termijn om aan de huurvoorwaarden te voldoen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

wijst de vordering af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindvonnis in het hoger beroep.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 15 september 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.