Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:111

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
KG 1580/16 - ghis 81369 - H 388/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aruba. Ontslag op staande voet. Seksuele advances

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: KG 1580/16 - ghis 81369 - H 388/16

Uitspraak: 19 september 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in kort geding in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk eiser,

thans appellant,

gemachtigde: mr. R. Marchena,

tegen

de naamloze vennootschap

DIVI PHOENIX N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.E.D. Brown.

De partijen worden hierna [appellant] en Divi genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 30 augustus 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op

10 augustus 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg

van Aruba (verder: GEA).

1.2

Bij op 20 september 2016 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] acht grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht.

Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, zijn vorderingen alsnog zal toewijzen,

met veroordeling van Divi in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij memorie van antwoord, met producties, heeft Divi de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep.

1.4

Op 25 april 2017 hebben partijen pleitnotities overgelegd. Divi heeft vooraf producties toegezonden. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

In dit kort geding kan worden uitgegaan van het volgende.

2.1.1

Divi exploiteert een resort in Aruba. Op 13 december 1985 is [appellant] bij haar in dienst getreden. Laatstelijk werkte hij in de functie "senior supervisor food and beverage".

2.1.2

Bij whatsapp-bericht van 16 februari 2016 heeft een stagiaire bij Divi het volgende bericht:

"[Er] is zojuist iets voorgevallen op het werk. (...) [[appellant] vroeg] of ik vanaf de tower Aruba wilde zien (14e verdieping) (...) Maar toen we daar eenmaal stonden, begon [appellant] mij aan te raken en kusjes in mijn nek te geven en me op andere niet gewenste plekken aan te raken. Ik heb tegen hem gezegd te stoppen en hem weggeduwd. Hij hield er toen mee op (...) [Na] een paar minuten begon hij (...) opnieuw, waarna ik aangegeven heb dat ik weg wilde. Dit vind ik echt niet kunnen en ik voel me hier ook heel ongemakkelijk en niet goed bij."

2.1.3

Op 23 februari 2016 is [appellant] op staande voet ontslagen.

De ontslagbrief vermeldt onder meer:

"Based on the statement of [stagiaire], on February 16, 2016 at or around 9:30pm, you brought her to the 14th floor of the hotel where you made unwelcome sexual advances. By these actions you have violated the Company's Standard of Conduct as stated in the Employee Handbook: MAKING UNWELCOME ADVANCES, requests for sexual favors and other verbal or phyisical expressions of sexual nature to employees or guests.

When we discussed this matter with you on February 17, 2016, you admitted that you did take the trainee to the 14th floor and that you had physically touched the intern by approaching the employee from behind and putting your arms around her. You excused your conduct by saying that you thought she was cold. The intern rejects this characterization and states unequivocally that she was sexually harassed.

The actions above, individually and jointly, are in violation of the rules and procedures as prescribed by law and our Standard of Conduct.

[Stagiaire] states that she cannot work with you again. Given the type of offense, along with personal safety concerns for other interns and staff, you are being terminated for urgent reason as of today, February 23, 2016."

2.1.4

Bij brief van 14 maart 2016 heeft de gemachtigde van [appellant] verklaard dat het ontslag nietig is en dat [appellant] bereid is de bedongen arbeid te verrichten.

2.2

In dit kort geding heeft [appellant], samengevat weergegeven, wedertewerkstelling en loondoorbetaling gevorderd, met rente en verhoging. Het GEA heeft de vorderingen afgewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht.

2.3

Dezelfde avond als waarop het incident heeft plaatsgehad, heeft de stagiaire een bericht naar haar manager gestuurd. Twee dagen later heeft zij aangifte gedaan. Niet is gesteld dat zij enige reden had om [appellant] valselijk te beschuldigen. Mede gelet daarop acht het Hof voorshands voldoende aannemelijk dat [appellant] zich heeft gedragen als in het whatsapp-bericht van de stagiaire staat vermeld. De stelling van [appellant] dat hij haar slechts "vanaf haar rugzijde heeft omhelsd, omdat hij dacht dat zij het koud had", is voorshands niet aannemelijk. De door de stagiaire omschreven gedragingen hebben een seksuele lading. [appellant] moet dat begrepen hebben of had dat in elk geval redelijkerwijs moeten begrijpen. Dit geldt ook indien bij Divi een cultuur heerst waarbij werknemers zich affectief jegens elkaar gedragen.

2.4

In de ontslagbrief is sprake van "unwelcome sexual advances" en er staat ook: "The intern (...) states unequivocally that she was sexually harassed". Het Hof acht daarom voorshands voldoende aannemelijk dat het [appellant] uit de ontslagbrief duidelijk moet zijn geweest dat hem gedragingen werden verweten van de aard en de ernst als in het whatsapp-bericht van de stagiaire staan vermeld. [appellant] mocht er redelijkerwijs niet van uitgaan dat de werkgever hem slechts verweet dat hij gedaan had wat hij toegaf dat hij gedaan had. Wel meende de werkgever dat het toegegeven gedeelte van het verweten gedrag ook al genoeg zou zijn geweest voor ontslag op staande voet. [appellant] moest ook dat redelijkerwijs uit de ontslagbrief begrijpen.

2.5

Het Hof acht verder voorshands voldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemzaak geoordeeld zou worden dat de aan [appellant] verweten gedragingen een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren.

Ook dit geldt evenzeer indien bij Divi een cultuur heerst waarbij werknemers zich affectief jegens elkaar gedragen. Het Hof heeft bij dit voorshands oordeel ook rekening gehouden met de ernst van de gevolgen daarvan voor [appellant].

2.6

Indien zou vaststaan dat [appellant] de stagiaire slechts "vanaf haar rugzijde heeft omhelsd", zou ook dat naar het voorshands oordeel van het Hof een voldoende dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Ook een dergelijke gedraging, gepleegd door een volwassen man bij een vrouwelijke stagiaire, kon – mede gelet op het tijdstip en de locatie – door de stagiaire worden opgevat als een gedraging met een seksuele lading, en [appellant] moest dat redelijkerwijs begrijpen.

2.7

Het tijdsverloop tussen de gedragingen van 16 februari 2016 en het ontslag van 23 februari 2016 is kort genoeg om het voorshands oordeel te kunnen dragen dat het ontslag onverwijld is gegeven.

2.8

Een belangenafweging leidt er niet toe dat de vorderingen van [appellant], ondanks het vorenstaande, zouden moeten worden toegewezen.

2.9

De grieven falen en behoeven geen afzonderlijke bespreking. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Divi gevallen en tot op heden begroot op Afl. 212,37 aan verschotten en

Afl. 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, F.V.L.M. Wannyn en

R.J. Celestijn, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 19 september 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.