Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:11

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
AR 67446 - H 150/16 en H 150A/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boedelscheiding - Boon Van Loon verdeling van pensioen waarvoor geen premie is betaald

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 67446 - H 150/16 en H 150A/16

Uitspraak: 10 januari 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Curaçao,

gedaagde,

thans appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. E. Kleist,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. S.N.E. Inderson.

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 16 oktober 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 7 september 2015 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).

1.2

Bij op 26 november 2015 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] zes grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij memorie heeft [geïntimeerde] de grieven van [appellant] bestreden, incidenteel appel ingesteld en één grief tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zowel in het principaal appel als in het incidenteel appel heeft zij een conclusie geformuleerd.

1.4

Een memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft het Hof niet aangetroffen.

1.5

Op 25 oktober 2016 hebben partijen pleitnotities overgelegd.

1.6

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1.1

Op [datum] zijn partijen in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.1.2

Bij vonnis van 23 september 1997 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Dit vonnis is op 28 oktober 1997 ingeschreven in het daartoe bestemde register.

2.1.3

Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort een woonhuis, gelegen op een perceel huurgrond, met als adres [Adres] , Curaçao (hierna: de woning). Na de echtscheiding is de man in de woning blijven wonen.

2.1.4

Een in opdracht van [appellant] door taxateur [naam taxateur] opgesteld taxatierapport van 11 september 2001 vermeldt dat de woning een marktwaarde heeft van NAf 32.000,-.

2.1.5

Een in opdracht van [geïntimeerde] door makelaar en taxateur [naam] van Caresto Real Estate opgestelde waardebrief-marktindicatie vermeldt op basis van een opname van 7 november 2013, waarbij de woning niet is betreden, dat de woning een marktwaarde heeft van NAf 120.000,-.

2.1.6

Een (kennelijk in opdracht van het GEA en door tussenkomst van [appellant]) door (opnieuw) [naam] opgestelde waardebrief-marktindicatie vermeldt op basis van een opname van 13 maart 2015, waarbij de woning wel is betreden, dat de woning een marktwaarde heeft van

NAf 100.000,-.

2.1.7

Bij landsbesluit van 2 februari 2015 is aan [appellant] met ingang van

1 januari 2013 (met terugwerkende kracht dus) een uitkering bij wijze van pensioen toegekend van NAf 1.680,- op jaarbasis en een tijdelijke duurtetoeslag van NAf 4.068,- op jaarbasis. Het landsbesluit vermeldt, verkort weergegeven, dat [appellant] politieagent eerste klasse was tot 1 december 1987, dat blijkens een circulaire van 7 april 1981 aan ambtenaren die in vaste

niet-pensioengerechtigde dienst zijn in bepaalde gevallen een uitkering bij wijze van pensioen zal worden toegekend, en dat de uitkering bij wijze van pensioen voor [appellant] dient te worden vastgesteld op basis van een diensttijd van 11 jaar en 1 maand.

Het Hof zal hierna de uitkering bij wijze van pensioen en de duurtetoeslag gezamenlijk aanduiden als: de pensioenuitkering.

2.2

In dit geding heeft [geïntimeerde], verkort weergegeven, onder meer gevorderd:

A. verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap in die zin dat:

a. een deel van de pensioenuitkering aan [geïntimeerde] zal worden toebedeeld overeenkomstig nog over te leggen berekeningen;

b. de woning aan [appellant] zal worden toebedeeld; en

c. [appellant] zal worden veroordeeld tot betaling van NAf 60.000,- wegens overbedeling;

B. betaling van NAf 200,- per maand vanaf 1 maart 2009 als vergoeding voor het gebruik van de woning.

2.3

Het GEA heeft geoordeeld dat het pensioen niet in de gemeenschap valt. Het heeft de woning aan [appellant] toebedeeld en hem veroordeeld tot betaling van NAf 50.000,- wegens overbedeling. Verder heeft het GEA bepaald dat [geïntimeerde] vanaf 28 oktober 1997 een vordering van NAf 2.000,- per jaar heeft uit hoofde van gebruiksvergoeding.

2.4

Het Hof zal eerst grief 5 van [appellant] beoordelen. Die betoogt dat [appellant] erop mocht vertrouwen dat [geïntimeerde] heeft berust in de feitelijke afwikkeling van de gemeenschap en dat zij geen verdelingsverzoek zou instellen.

2.5

In HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, NJ 2013/20 heeft de Hoge Raad als volgt overwogen: indien aanvankelijk uitsluitend een feitelijke verdeling met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden, en protest in verband met de financiële consequenties daarvan uitblijft, mogen partijen onder omstandigheden op de voet van art. 3:35 BW over en weer erop vertrouwen dat de wederpartij ook rechtens met de verdeling instemt.

2.6

Indien de enkele omstandigheid dat [appellant] in de woning is blijven wonen al de conclusie zou kunnen dragen dat de woning feitelijk aan hem is toebedeeld, faalt de grief niettemin op grond van het volgende. Ten eerste heeft [appellant] onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat ooit sprake is geweest van wederzijdse instemming. Volgens de eigen stellingen van [appellant] hebben partijen zich ten tijde van de echtscheiding tot de notaris gewend, omdat [geïntimeerde] een verdeling wenste, en heeft er een bespreking bij de notaris plaatsgehad, maar is [appellant] daarna niet meer opgeroepen. Verder heeft [geïntimeerde] een auto en kleding meegenomen. Uit deze gang van zaken kan geen instemming van [geïntimeerde] met een feitelijke verdeling worden afgeleid. Ten tweede bevat de overweging van de Hoge Raad de woorden "onder omstandigheden". [appellant] heeft geen andere omstandigheden genoemd dan langdurig stilzitten van [geïntimeerde], hetgeen valt onder een andere door de Hoge Raad genoemde voorwaarde, namelijk dat "protest uitblijft". Aldus heeft [appellant] onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat voldaan is aan de door de Hoge Raad in voornoemde uitspraak geformuleerde voorwaarden. Ook overigens heeft hij onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat hij erop mocht vertrouwen dat [geïntimeerde] geen verdelingsverzoek zou instellen. De grief faalt.

2.7

De grieven 1, 3 en 4 van [appellant] zien (uiteindelijk) op de hoogte van de overbedelingsvergoeding. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.8

Als peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum waarop het echtscheidingsvonnis in het register werd ingeschreven. Als peildatum voor de waardering (hetgeen iets anders is dan vaststelling van de omvang) van tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen geldt echter als hoofdregel de datum van verdeling, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken. Bij vaststelling van de verdeling door de rechter komt daarom als peildatum voor die waardering de datum van de uitspraak van de rechter het meest in aanmerking.

2.9

De woning behoort in de huidige staat tot de gemeenschap. Het is aannemelijk dat [appellant] op eigen kosten in de woning heeft geïnvesteerd, zowel tot onderhoud als ter verbetering. De foto's bij het taxatierapport uit 2001 laten een wat eenvoudigere woning zien dan de foto's bij de waardebrieven-marktindicaties uit 2013 en 2015. Anderzijds geldt dat [appellant] de woning heeft kunnen gebruiken zonder een gebruiksvergoeding aan [geïntimeerde] te betalen. Het Hof is van oordeel dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat voor de waardering van de woning wordt aangesloten bij de waarde in 2015, zoals die is getaxeerd in de waardebrief-marktindicatie uit dat jaar en dat daar tegenover staat dat [appellant] geen gebruiksvergoeding aan [geïntimeerde] behoeft te betalen (zie ook rov. 2.10 hierna). Hetgeen [appellant] over inflatiecijfers heeft aangevoerd, is gelet daarop niet van belang. De grieven falen dus wat de hoogte van de overbedelingsvergoeding betreft, maar dienen wel te leiden tot afwijzing van de vordering ter zake van de gebruiksvergoeding.

2.10

De grieven 2 en 6 van [appellant] hebben betrekking op de gebruiksvergoeding. Reeds op grond van het voorgaande komt de gebruiksvergoeding niet voor vergoeding in aanmerking. Ook afgezien daarvan slaagt de grief. Het GEA heeft een gebruiksvergoeding over een langere periode toegewezen dan was verzocht. Voorts geldt dat een gebruiksvergoeding als de onderhavige bedoeld is om iemand schadeloos te stellen wegens het gemis van het gebruik en genot van de woning waarop hij of zij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft. De redelijkheid en billijkheid dienen tot maatstaf. Op basis hiervan kan de rechter een gebruiksvergoeding stellen op 4% van de helft van de overwaarde van de woning per jaar, maar afwijking hiervan is ook mogelijk, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval heeft [geïntimeerde] om een gebruiksvergoeding over de periode vanaf 1 maart 2009 verzocht, maar niets gesteld over haar woonsituatie in die periode of anderszins over het nadeel dat zij in die periode heeft ondervonden doordat zij het gebruik en genot van de woning moest missen. Ook dat is in aanmerking genomen bij het hiervoor in rov. 2.9 gegeven oordeel.

2.11

De grief van [geïntimeerde] heeft betrekking op de pensioenuitkering. Deze geniet [appellant] op grond van een regeling die vóór zijn huwelijk reeds bestond (een circulaire uit 1981) in verband met zijn aanstelling als politieambtenaar gedurende een periode die deels valt in de periode dat hij met [geïntimeerde] getrouwd was. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat sprake is van rechten die op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap reeds bestonden als voorwaardelijke vorderingsrechten. Ook moet worden aangenomen dat sprake is van een "niet te verwaarlozen band" met [geïntimeerde] als bedoeld in

HR 27 november 1981, NJ 1982/503 (Boon/van Loon), op dezelfde voet als er geweest zou zijn indien gedurende het huwelijk premie was betaald voor de opbouw van pensioenaanspraken.

2.12

Om te kunnen vaststellen hoe het pensioen verdeeld moet worden, zijn berekeningen nodig. Wellicht kunnen partijen via de Shared Service Organisatie, Afdeling Financiële Administratie, de benodigde berekeningen verkrijgen, waarna deze bij akte in het geding kunnen worden gebracht. Het Hof zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen voor gelijktijdige akten aan beide zijden, waarop desgewenst later gelijktijdig bij antwoordakte gereageerd kan worden.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 7 maart 2017 voor gelijktijdige akte aan beide zijden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, T.A.M. Tijhuis en D. Radder, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 10 januari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.