Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:107

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
AR 844/14 - ghis 79870 - H 255/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aruba. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2017:28. Onttrekking advocaat. Geldlening. Niet langer betwist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 844/14 - ghis 79870 - H 255/16

Uitspraak: 19 september 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende in Nederland,

oorspronkelijk eiser in conventie, verweerder in reconventie,

thans appellant,

gemachtigde: mr. E.E. Rosenstand,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Nederland,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigde (mogelijk): mr. M.B. Boyce.

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 28 maart 2017 heeft het Hof (tegen)bewijsopdrachten verstrekt aan [geïntimeerde].

1.2

Op de voor getuigenverhoor bepaalde dag, 23 mei 2017, zijn geen getuigen voorgebracht, maar heeft wel een terechtzitting plaatsgehad. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. De zaak is verwezen naar de rol van 20 juni 2017 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde].

1.3

Op de rolzitting van 20 juni 2017 heeft [geïntimeerde] geen akte ingediend.

[appellant] heeft vonnis gevraagd. De datum van uitspraak daarvan is nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Ter terechtzitting van 23 mei 2017 heeft mr. Rosenstand verklaard dat

mr. Boyce zich van de zaak heeft onttrokken. Het Hof heeft geen bericht van mr. Boyce zelf aangetroffen.

2.2

Indien mr. Boyce zich niet heeft onttrokken, moet uit de omstandigheid dat zij niet ter terechtzitting van 23 mei 2017 is verschenen en zich op de rolzitting van 20 juni 2017 niet over de zaak heeft uitgelaten, terwijl voorafgaand aan de terechtzitting van 23 mei 2017 telefonisch contact is geweest met een medewerkster van haar advocatenkantoor, die zei dat mr. Boyce zich had onttrokken, en het proces-verbaal van die zitting aan mr. Boyce is verstrekt, worden afgeleid dat [geïntimeerde] afziet van bewijslevering en geen bezwaar ertegen heeft dat het Hof kennisneemt van het geschrift dat mr. Rosenstand ter terechtzitting van 23 mei 2017 heeft overgelegd, en er beslissingen op baseert.

2.3

Indien mr. Boyce zich wel heeft onttrokken, geldt het volgende. Door een onttrekking als gemachtigde door een advocaat wordt de loop van het rechtsgeding niet geschorst als bedoeld in art. 185 Rv. De beëindiging door de advocaat van zijn of haar opdracht is een de cliënt persoonlijk betreffende omstandigheid, zodat het redelijker is dat de cliënt erin voorziet dat hij desgewenst wederom door een advocaat of een andere gemachtigde in het proces wordt vertegenwoordigd of zelf doorprocedeert, dan dat de tegenpartij gedwongen zou zijn tot het doen van nasporingen en het maken van kosten teneinde de procespartij wier advocaat zich heeft onttrokken te dagvaarden tot hervatting van het rechtsgeding (vergelijk voor Nederland: HR 1 maart 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB3384, NJ 1975/6 en HR 2 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9764, NJ 2002/372).

Art. 28 Procesreglement 2016 werpt op het voorgaande geen ander licht.

Nu er van de zijde van [geïntimeerde] niets is vernomen, noch van hemzelf, noch van mr. Boyce, noch van iemand anders die zich als gemachtigde stelt, moet ook indien mr. Boyce zich heeft onttrokken ervan worden uitgegaan dat [geïntimeerde] afziet van bewijslevering en geen bezwaar ertegen heeft dat het Hof kennisneemt van het geschrift dat mr. Rosenstand ter terechtzitting van 23 mei 2017 heeft overgelegd, en er beslissingen op baseert.

2.4

In dit geding heeft [appellant] bij inleidend verzoekschrift van 11 april 2014 betaling gevorderd van € 50.000,00 aan hoofdsom en € 18.000,00 aan tot

1 juli 2013 verschenen (gematigde) rente, te vermeerderen met de Nederlandse wettelijke rente vanaf 1 juli 2013. [geïntimeerde] heeft vorderingen in reconventie ingesteld. Het GEA heeft geoordeeld dat geen bewijs is geleverd van de door [appellant] gestelde overeenkomst van geldlening (rov. 4.8) en dat dan vast staat dat het door [appellant] gelegde beslag onrechtmatig is (rov. 4.9). Het heeft in conventie de vordering afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door niet mee te werken aan voorwaardelijke opheffing van het beslag en [appellant] veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat.

2.5

Nu de inhoud van het door mr. Rosenstand op 23 mei 2017 overgelegde geschrift niet is betwist en ook niet is betwist dat het van [geïntimeerde] afkomstig is, moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] niet langer betwist dat hij de door [appellant] gevorderde bedragen verschuldigd is. De vordering van [appellant] dient dus alsnog te worden toegewezen. Gelet hierop moet worden aangenomen dat [appellant] niet onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld door niet mee te werken aan voorwaardelijke opheffing van het beslag als bedoeld in de reconventionele vordering. Hetgeen in reconventie is toegewezen, moet dus alsnog worden afgewezen.

2.6

Het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 68.000,00 (achtenzestigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente van Nederland vanaf 1 juli 2013;

wijst het in eerste aanleg in reconventie door [appellant] gevorderde af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] gevallen en begroot op Afl. 2.430,65 aan verschotten en Afl. 3.850,00 aan salaris voor de gemachtigde;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] gevallen en tot op heden begroot op Afl. 3.637,63 aan verschotten en Afl. 10.500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 19 september 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.