Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2017:100

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
AR 39/12 - ghis 80501- H 321/16 en H 321A/16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sint Maarten. Gemeenschap. Verdeling. Naheffing griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 39/12 - ghis 80501- H 321/16 en H 321A/16

Uitspraak: 1 september 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

Leonard [APPELLANT],

wonende in de Verenigde Staten van Amerika,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigden: mrs. P.M. Noordhoek en J. Deelstra,

tegen

Leslie Barbara [GEÏNTIMEERDE],

wonende in de Verenigde Staten van Amerika,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. W.J. Nelissen.

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 8 maart 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 26 januari 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA).

1.2

Bij op 19 april 2016 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] vier grieven aangevoerd en toegelicht tegen het vonnis van 26 januari 2016 en tegen de daaraan voorafgegane vonnissen van 9 september 2014 en 25 november 2014. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof de vonnissen zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

1.3

Bij memorie, met producties, heeft [geïntimeerde] de grieven van [appellant] bestreden, incidenteel appel ingesteld en twee grieven tegen het vonnis van 26 januari 2016 aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, althans de vonnissen waarvan beroep (gedeeltelijk) zal bevestigen, en dat het Hof, met gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van 26 januari 2016, alsnog twee afgewezen vorderingen van [geïntimeerde] zal toewijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het principaal appel en het incidenteel appel, met rente, uitvoerbaar bij voorraad.

1.4

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [appellant] de grieven van [geïntimeerde] bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in het incidenteel appel, althans haar vorderingen in incidenteel appel zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel.

1.5

Op 16 december 2016 hebben partijen pleitnotities overgelegd, met producties. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

In dit geding heeft het GEA beslist dat het ten processe bedoelde appartement, waarvan iedere partij de onverdeelde helft in eigendom heeft, wordt toebedeeld aan [geïntimeerde], onder de verplichting tot betaling van de helft van de waarde ervan, gesteld op de helft van US$ 240.000,00, verminderd met US$ 27.598,12.

Het hoger beroep van [appellant] strekt ertoe dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen. [appellant] heeft daarbij (primair) aangevoerd dat het appartement

US$ 335.000,00 waard is.

2.2

De griffier stelt zich op het standpunt dat [appellant] bij zijn hoger beroep een direct geldelijk belang heeft dat op een bepaald bedrag kan worden gewaardeerd, namelijk op:

½ x (US$ 335.000,00 - US$ 240.000,00) + US$ 27.598,12 = US$ 75.098,12.

Bij een wisselkoers van 1,78 komt dit overeen met NAf 133.674,65.

Eén procent daarvan, afgerond op tientallen, is NAf 1.340,-.

Het dubbele daarvan is NAf 2.680,-.

Ingevolge art. 20 Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken moet het griffierecht in hoger beroep op dat bedrag worden getaxeerd. Er is

NAf 900,- getaxeerd en betaald. Het verschil is NAf 1.780,-.

Dat bedrag zal worden nageheven. Het dient uiterlijk zes weken na heden te worden betaald, dus uiterlijk op 13 oktober 2016.

2.3

De zaak zal naar de rol van 6 oktober 2016 worden verwezen voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van [appellant]. Hem wordt verzocht daarbij (of op de daaropvolgende rolzitting in Sint Maarten) bewijs van tijdige betaling van het nageheven bedrag over te leggen.

2.4

De heffing van griffierecht houdt geen verband met de bescherming van enig recht of belang van de geïntimeerde. Aan [geïntimeerde] zal daarom geen gelegenheid worden geboden om een antwoordakte in te dienen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 6 oktober 2017 voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van [appellant];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en K.A.M. Lasten, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 1 september 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.