Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2016:97

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-08-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
AR 74/13 - ghis 73766 - H 192/15 en H 192A/15
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Salaris directeur overheids-NV. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2016:15.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:

Registratienummers: AR 74/13 - ghis 73766 - H 192/15 en H 192A/15

Uitspraak: 26 augustus 2016

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

1. de openbare rechtspersoon

HET LAND SINT MAARTEN,

zetelend in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde in conventie,

2. de naamloze vennootschap

POSTAL SERVICES ST. MAARTEN N.V.,

gevestigd in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

thans (gezamenlijk) appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr.,

tegen

[GEÏNTIMEERDE IN HET PRINCIPAAL APPEL],

wonende in Sint Maarten,

oorspronkelijk eiser in conventie, verweerder in reconventie,

thans geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

procederende in persoon.

De partijen worden hierna weer het Land, PSS en [geïntimeerde in het principaal appel] genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 4 maart 2016 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling. Het Land en PSS hebben op 13 mei 2016 een akte ingediend, met producties. [geïntimeerde in het principaal appel] heeft op 10 juni 2016 een antwoordakte ingediend, met producties. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Het Hof ziet geen aanleiding terug te komen van zijn bij vonnis van

4 maart 2016 gegeven eindbeslissingen. Niet is gebleken dat een of meer van die eindbeslissingen berust(en) op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.

2.2

In rov. 2.8 van het vonnis van 4 maart 2016 heeft het Hof geoordeeld dat moet worden uitgegaan van een salaris van NAf 12.500,- bruto per maand, met dien verstande dat van een hoger salaris moet worden uitgegaan (maar niet hoger dan NAf 15.000,-) indien dat nodig is om tot een salaris van NAf 8.000,- netto per maand te komen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag wat dit uitgangspunt betekent voor de toewijsbaarheid van de vorderingen en hun standpunten zo veel mogelijk door te rekenen.

2.3

Het Land en PPS hebben in hun akte te kennen gegeven dat PPS op basis van een te verwachten netto salaris van NAf 8.000,- per maand heeft uitgerekend dat er een maandelijks bruto salaris van NAf 11.988,51 betaald had moeten worden. Op dat uitgangspunt hebben zij hun verdere berekeningen gebaseerd. Aldus hebben zij niet voldaan aan hetgeen in het tussenvonnis was verzocht. Hun berekening had immers - indien hun uitgangspunt juist is - dienen uit te gaan van een salaris van NAf 12.500,- bruto per maand en niet van een salaris van NAf 11.988,51 bruto per maand. Indien het door [geïntimeerde in het principaal appel] bij antwoordakte genoemde uitgangspunt juist is dat een bruto salaris van NAf 14.059,60 per maand overeenkomt met een netto salaris van NAf 8.000,- per maand, dient de berekening uit te gaan van NAf 14.059,60 bruto per maand. In dat verband heeft [geïntimeerde in het principaal appel] in zijn antwoordakte een berekening gepresenteerd als scenario 1.

2.4

Anders dan het Land en PPS onder 5 van hun akte hebben aangevoerd, is er geen reden om NAf 7.006,91 van het in hoger beroep toewijsbare bedrag af te trekken. Dit totaalbedrag is kennelijk in 2012 en 2013 aan [geïntimeerde in het principaal appel] betaald wegens gemaakte telefoonkosten. Het Hof kan uit de opbouw van de vordering van [geïntimeerde in het principaal appel] niet afleiden dat hij enige vergoeding voor telefoonkosten gevorderd heeft, laat staan een vergoeding waarin ten onrechte geen rekening is gehouden met deze betalingen. Wat daarvan zij, nu het Hof tot een andere beoordeling komt dan het GEA en daarom het vonnis van het GEA zal vernietigen, is het niet van belang of in het door het GEA toegewezen bedrag een vergoeding voor telefoonkosten is begrepen.

2.5

Vergelijking van het door [geïntimeerde in het principaal appel] overgelegde voorschottenoverzicht (p. 4 en 5 van productie 13 bij inleidend verzoekschrift) met het door het Land en PPS overgelegde overzicht (productie 9a bij pleitnota in hoger beroep) leert er een verschil is van NAf 8.000,00. De eerste rechter heeft de opgave van [geïntimeerde in het principaal appel] gevolgd. Bij memorie van grieven hebben het Land en PPS daartegen geen grief gericht. Hun in dit verband bij pleidooi in hoger beroep gevoerde betoog wordt als tardief buiten beschouwing gelaten.

2.6

Het Land heeft bij zijn laatste akte een vordering ingesteld tot terugbetaling van hetgeen het ingevolge het vonnis van het GEA aan [geïntimeerde in het principaal appel] heeft betaald. [geïntimeerde in het principaal appel] heeft bij antwoordakte aangevoerd dat het Land en PPS, die door het GEA hoofdelijk veroordeeld zijn, onderling hebben afgesproken dat het Land aan de veroordeling zou voldoen, en dat het niet effectief en efficient zou zijn dat [geïntimeerde in het principaal appel] het van het Land ontvangen bedrag zou moeten terugbetalen aan het Land, en dat hij vervolgens het in hoger beroep tegen PPS uit te spreken veroordelend vonnis zou moeten executeren ten laste van PPS.

2.7

Indien in hoger beroep een vonnis in eerste aanleg wordt vernietigd, ontvalt de rechtsgrond aan hetgeen reeds ter uitvoering van dat vonnis is verricht en ontstaat een vordering tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie. Nu onbetwist vast staat dat het Land betalingen aan [geïntimeerde in het principaal appel] heeft verricht ter uitvoering van het vonnis van het GEA, en het Hof dat vonnis zal vernietigen, is de vordering van het Land tot terugbetaling daarom in beginsel toewijsbaar. Niettemin zal het Hof die vordering gedeeltelijk afwijzen op grond van het volgende. PPS is een vennootschap. Het Land is enig aandeelhouder van PPS. [geïntimeerde in het principaal appel] was bestuurder van PPS. De door het GEA uitgesproken veroordelingen vloeien voort uit die hoedanigheden van PPS, het Land en [geïntimeerde in het principaal appel]. Ingevolge art. 2:7 lid 1 BW moeten de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet of de statuten bij zijn organisatie betrokken zijn, zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid gevorderd wordt. Het betoog van [geïntimeerde in het principaal appel] houdt voldoende kenbaar een beroep hierop in. Het Hof vult ambtshalve de rechtsgrond aan. Dat leidt tot het volgende oordeel.

Aannemelijk is dat het door het Hof uit te spreken vonnis zal inhouden dat een lager bedrag aan [geïntimeerde in het principaal appel] dient te worden uitbetaald dan de bedragen die in het dictum van het vonnis van het GEA worden genoemd. Aannemelijk is daarom dat het Land ter uitvoering van het vonnis van het GEA een hoger bedrag aan [geïntimeerde in het principaal appel] heeft betaald, dan het bedrag waarop [geïntimeerde in het principaal appel] naar het oordeel van het Hof recht zal blijken te hebben (zij het dat [geïntimeerde in het principaal appel] het niet van het Land, maar van PPS had dienen te ontvangen). Hetgeen [geïntimeerde in het principaal appel] te veel ontvangen zal blijken te hebben, zal hij aan het Land dienen terug te betalen. In zoverre zal de vordering van het Land tot terugbetaling van de verrichte prestatie toewijsbaar zijn. Art. 2:7 lid 1 BW brengt echter mee dat het het Land niet vrijstaat terugbetaling van een hoger bedrag van [geïntimeerde in het principaal appel] te verlangen. De vordering tot terugbetaling zal dus voor dat gedeelte niet toewijsbaar zijn. Het niet-toewijsbare bedrag kan het Land op PPS verhalen (omdat in hoger beroep blijkt dat niet het Land, maar PPS dat bedrag aan [geïntimeerde in het principaal appel] had dienen te betalen).

2.8

Het Hof zal partijen nog een laatste keer in de gelegenheid stellen op basis van het voorgaande berekeningen te presenteren. Indien PPS en het Land het niet eens zijn met het uitgangspunt van [geïntimeerde in het principaal appel] dat een bruto salaris van NAf 14.059,60 per maand overeenkomt met een netto salaris van NAf 8.000,- per maand, dan dienen zij dat uitgangspunt gemotiveerd te bestrijden met aandacht voor het door [geïntimeerde in het principaal appel] als productie 2, p. 1, bij de antwoordakte gespecificeerde scenario 1, waarop deze bedragen zijn terug te vinden.

Partijen wordt in overweging gegeven te trachten de zaak in der minne af te doen op basis van dit vonnis. Indien beide partijen daarom verzoeken, zal het Hof met dat doel een comparitie van partijen gelasten.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 7 oktober 2016 voor akte aan de zijde van het Land en PSS (zie rov. 2.8);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, J. de Boer en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 26 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.